Category Archives: Beroemdheden

Op jacht met keizer Wilhelm

Wilhelm II, de laatste keizer van Duitsland, regeerde van 1888 tot 1918. Bij ons is hij vooral bekend vanwege zijn verblijf na 1918 in Huis Doorn waar hij al houthakkend zijn laatste jaren sleet. Na zijn dood in 1941 is hij bijgezet in een mausoleum op het landgoed. Zijn gebalsemde lichaam is daar nog steeds aanwezig en zal pas naar Duitsland terugkeren wanneer dat land weer een monarchie is geworden – aldus zijn laatste wens.

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Rond 1910 was hij nog springlevend en een man met aanzien. Hoofdredacteur van De Hollandsche Lelie Anna de Savornin Lohman kon echter geen respect voor hem opbrengen. In de editie van 6 december 1911 schreef zij, onder de titel ‘Afschuwelijk!’:

“De Keizer van Duitschland jaagt voor de eerste maal bij den graaf von Francken Sierstorpff, in Silizië. Deze is met die eer zoo blij dat hij al het mogelijke doet om zijn jachtterrein voor den ‘hoogen gast’ (groote-couranten-stijl) aangenaam te maken. Daartoe heeft hij laten komen uit Boheme 6000 (zegge zes-duizend) fazanten à 6 mark per stuk. Deze worden dan op het terrein vrijgelaten, opdat er zóóvelen zijn dat de Keizer niet kàn misschieten!!

Dan staat er later in de vleierige couranten, dat hij zoo’n groot jager is, en dat hij daarom zoo en zooveel stuks wild doodschoot! Van het walgelijk-kinderachtige van zulk gedoe wil ik niet spreken; alleen maar van ‘t verachtelijke ervan. En dan wil men dat wij ‘gewone menschen’ iets zullen voelen voor vorsten, die van hunne ‘staatsbeslommeringen’ (’t mocht wat!) uitspanning zoeken op zoo’n laaghartig-wreede-minne manier!

Ik doe niet aan vorstenbewondering!”

 

Reacties uitgeschakeld voor Op jacht met keizer Wilhelm

Filed under Beroemdheden

Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Volgens www.literatuurgeschiedenis.nl wist geen enkele andere Nederlandse schrijfster de literaire wereld in de negentiende eeuw zo te domineren als ‘Truitje’ Toussaint. Bijna een halve eeuw is zij als auteur actief geweest en in die tijd heeft ze een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. In het deel over de negentiende eeuw van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur schrijven Willem van den Berg en Piet Couttenier: “De historische roman kreeg in A.L.G. Toussaint een vertegenwoordigster van allure. Truitje Toussaint, na haar huwelijk in 1851 met de schilder Bosboom bekend als Bosboom-Toussaint, werd in de negentiende eeuw en wordt ook nu nog beschouwd als de belangrijkste romancière van haar tijd, die met haar historische en andere romans haar mannelijke collega’s ver achter zich liet.”

Mag zij tegenwoordig vooral bekend zijn vanwege de straten en pleinen die er naar haar genoemd zijn, voor de lezeressen van De Hollandsche Lelie was zij nog een echte grootheid. Hiervan getuigt bijvoorbeeld het artikel dat in het nummer van 7 februari 1894, zo’n acht jaar na haar dood, is opgenomen:

Anna Louisa Geertruida Toussaint 1812 – 1886

Een onzer grootste schrijfsters is ontegenzeglijk Mevrouw Bosboom-Toussaint. Haar heengaan op den 13den April 1886, was voor de letterkundige wereld een groot verlies en haar plaats zal niet gemakkelijk ingenomen worden.

Geertruida Toussaint werd geboren te Alkmaar, den 16den September 1812. Haar ouders, Cornelia Roquette en Hendrik Toussaint, waren van alouden Hugenootschen oorsprong.

Hendrik Toussaint vestigde zich als apotheker te Alkmaar, alwaar hij, na de oprichting der Clinische school in 1826, lector in de Chemie, de Botanie en de Natuurlijke Historie werd. In de stad zijner inwoning genoot Toussaint de algemeene achting. Toen zijn huwelijk door de geboorte van een dochter gezegend werd, dacht de kleine hoofdstad van Kennemerland zeker niet, dat zij in haar eens haar meest begaafde vrouw begroeten zou.

Op achtjarigen leeftijd werd Geertruida toevertrouwd aan de zorgen van haar grootmoeder van vaderszijde, mejuffrouw Toussaint-Talma, te Harlingen. De ontwikkelde grootmoeder, die een zeer goeden smaak bezat op letterkundig gebied, gaf het vlugge meisje een uitstekende opvoeding.

Geertruida bleef tot 1830 in Harlingen, waarna zij voor goed in Alkmaar terugkeerde.

Een leven, dat bestond in bezoeken afleggen en ontvangen, in het najaren van allerlei genoegens, in het lijdelijk wachten op  een huwelijksaanzoek, in één woord een leven zonder doel, dat was voor haar werkzamen geest onmogelijk. Zij legde zich daarom met allen ijver toe op de studie voor het examen als onderwijzeres. Reeds van den beginne kenmerkte zij zich door groote wilskracht en volharding in een eens genomen besluit en met goed gevolg deed zij dan ook in 1833 te Haarlem examen in de Nederlandsche, Fransche en Duitsche talen en de overige destijds vereischte vakken. Haar streven naar onafhankelijkheid was bekroond en het “Help u zelf” vereeuwigde zij veertig jaar later in de vrouwelijke karaktervastheid van haar “Majoor Frans”.

Eenigen tijd na haar terugkomst in Alkmaar werd mejuffrouw Toussaint aangenomen bij den Hervormden predikant Vinke. Met den diepsten ernst legde zij haar belijdenis af, die een beslissende daad voor haar volgend leven was. Zij was godsdienstig in christelijk-hervormden zin; aan heuschheid en mildheid in het oordeelen over andersdenkenden heeft het haar nooit ontbroken; zij was een Christin in den waren zin des woords. Door haar deugdzaam leven heeft zij de woorden van den talentvollen redenaar en dichter Ten Kate tot een daad gemaakt:

Vergeet toch nooit dien dag der dagen / Vergeet toch nooit dien heil’gen stond, / Waarin g’uw Heiland hebt beleden, / Waarin gij Hem met hart en mond / Beloofd hebt, trouw te zullen volgen / Op ’t spoor, dat Hij u achterliet; / Laat in den maalstroom niet verzinken / Dien heil’gen dag, vergeet hem niet!

Na haar belijdenis en haar examen aanvaardde zij een betrekking als gouvernante in een deftig gezin te Hoorn. Na een tweejarig verblijf aldaar kreeg zij echter de overtuiging, dat haar roeping niet lag in het geven van onderwijs. In dien tusschentijd had zij zich steeds beziggehouden met letterkundigen arbeid en de vertaling van een buitenlandschen roman begonnen. In Alkmaar teruggekeerd, zette zij die vertaling voort, doch onaangenaamheden met den uitgever deden haar van het vertaalwerk afzien en zij besloot nu te beproeven, wat zij zelve zou kunnen voortbrengen.

Haar eerste novelle “Almagro” werd niet alleen door het lezend publiek gunstig opgenomen, maar trok ook de aandacht der letterkundige wereld. Van nu af wijdde zij zich geheel aan letterkundigen arbeid. Thans volgde er een geheele reeks van historische romans. De tijdperken, die zij behandelde en de historische personen, die zij schetste, had zij grondig bestudeerd. Haar Leycester-romans bewijzen hoe veelomvattend haar historische kennis was en hoe diep haar blik ging bij haar historische studiën. Haar “Huis Lauernesse” heeft zeer veel opgang gemaakt en is in het Duitsch en in het Engelsch vertaald.

Van haar romans uit den lateren tijd heeft vooral “Majoor Frans” een groot succes gehad en dit werk is dan ook in het Fransch, Duitsch, Engelsch en Zweedsch overgezet. Verscheidene eervolle onderscheidingen, zoowel van het binnen- als van het buitenland, zijn aan de talentvolle schrijfster ten deel gevallen.

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

In 1851 trad zij in het huwelijk met den heer Bosboom, een onzer beroemdste schilders.

De viering van haar 25jarig huwelijksfeest en van haar 70sten geboortedag hebben bewezen, hoe zeer haar tijdgenooten op haar gesteld waren.

Hoeveel achting zij genoot en hoe groot de invloed van haar talent was, kan het volgende bewijzen. Ten behoeve van een ongelukkigen koetsier schreef zij een feuilleton in het Dagblad van ‘s-Gravenhage, keurig van vorm en rijk van inhoud. De bijdragen voor den armen koetsier stroomden haar toe; dat was niet enkel uit meewarigheid met het lot van de ongelukkige, maar vooral ook uit achting voor de talentvolle vrouw.

Hoe groot haar bekwaamheid ook was, en hoe gevierd zij ook werd, zoo was mevrouw Bosboom toch een zeer eenvoudige vrouw. Zij heeft weinig of bijna niet gereisd, maar altijd heeft zij zich door nauwgezette studie op de hoogte gesteld van de tijden, plaatsen en personen, in verband staande met de stof, welke zij zich voor haar romans koos. Dat alles trad dan voor haar als het ware in het leven op; zij verplaatste zich gemakkelijk in de tijden, die zij behandelde en leefde met haar personen mee. In al haar werken heeft zij een geleidelijken gedachtenloop, een noodzakelijke opeenvolging van gebeurtenissen, een waarschijnlijke en natuurlijke, een door oorzaken gemotiveerde handeling neergelegd; zij heeft den historischen roman tot een zeden- en karakterroman verhoogd.

“Er is in Van Lennep de frischheid van een najaarsdag des Noordens; Mevrouw Bosboom-Toussaint bezit daarbij ook den rijksten gloed van het Zuiden, en zij stort dien onweerstaanbaar over in het gemoed van wie haar leest; zij adelt de stoffe, die zij bemeestert.” (Hofdijk)

De groote en langdurige inspanning, die zij zich bij haar studie en arbeid getroostte, had somtijds groote uitputting van haar physieke krachten ten gevolge, maar haar veerkrachtige geest en zenuwen hielpen haar er telkens weer bovenop, en telkens mochten nieuwe scheppingen weder getuigen van haar onafhankelijk oordeel en haar opgewekt geloof. De aanhoudende arbeid belette haar aan het maatschappelijk leven een werkzaam deel te nemen. Het gewoel der samenleving was haar te vermoeiend, maar in meer stille gezellige kringen bewoog zij zich gaarne en daar onderscheidde zij zich door levendig discours en tevens door een natuurlijken eenvoud. In die kringen werd haar bijzijn op hoogen prijs gesteld en ieder, die het voorrecht heeft gehad haar in huiselijken kring te leeren kennen, roemt haar niet enkel om de zeldzame eigenschappen van haar geest, maar ook om de echt vrouwelijke eigenschappen die de hoogbegaafde schrijfster sierden. Haar briefwisseling met letterkundigen en vrienden in binnen- en buitenland was voortdurend zeer uitgebreid. Als voorbeeld van haar groote verdraagzaamheid kan nog dienen, dat zij briefwisseling heeft gehouden met den beroemden Busken Huet en ofschoon velen zijner tijdgenooten zich van hem hadden afgekeerd, was een bezoek van hem háár altijd welkom.

 

Reacties uitgeschakeld voor Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Filed under Beroemdheden, Literatuur

De laatste jaren van Nietzsche

De onderwerpen die in De Hollandsche Lelie aan de orde komen, zijn zeer divers. In het nummer van 11 juni 1902 is een artikel opgenomen over de laatste jaren van Friedrich Nietzsche (1844-1900, hier geschreven als ‘Nietsche’). De auteur is ‘Snowa’.

“De dood van Friedrich Nietsche, den beroemden wijsgeer en dichter, kon geen verrassing voor ons zijn; immers reeds sedert tien jaren sukkelde hij en dus was men op de doodstijding voorbereid.

Deze wijsgeer en dichter heeft zich een menigte aanhangers verworven.

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Toen hij in 1889 ziek werd, kwam mevrouw Förster-Nietsche, zijn zuster, van Zuid-Amerika naar Zuid-Italië om haar broeder te verplegen. Zij zocht een rustige plek op, waar de zieke zijn laatste levensdagen kalm kon slijten.

In 1897 verhuisde zij met haar broeder naar Weimar, waar zij een kleine villa betrokken, ‘Silberblick’ genaamd. Dit huisje, omringd door een kleinen tuin en omgeven door een hek, was het eigendom van mevrouw Metta von Salles, die het te hunner beschikking stelde.

Ten einde dit huis te bezichtigen en inlichtingen te bekomen omtrent de laatste levensdagen van Friedrich Nietsche, begaf ik mij, toen ik van een Rijntocht huiswaarts keerde, naar Weimar.

‘Silberblick’ ligt buiten de stad aan het einde der Luisenstrasze en is geheel met klimplanten en bloemen begroeid, terwijl in het voorportaal de oorkonde van Nietsche hangt. Binnen is alles tentoongesteld wat op zijn leven betrekking heeft.

Na kennis gemaakt te hebben met de zuster van wijlen Nietsche, vertelde mijn vriendelijke gastvrouw mij, dat hij zijn gedachten en werken in stevig gebonden boeken schreef, die hij steeds bij zich droeg. Zij vestigde vooral de aandacht op zijn werk ‘Also sprach Zarathustra’.

‘Om de tien dagen schreef mijn broeder zaliger een deel,’ vertelde mevrouw Förster; ‘hij werkte van ’s morgens vroeg tot laat in den nacht en gebruikte dan om in slaap te komen een groote hoeveelheid chloralhydraat, hetgeen zijn toestand aanmerkelijk verergerd heeft.’

Op mijn vraag of dit middel hem door een dokter aangeraden was, antwoordde zij: ‘O neen, mijn broeder is zoo lang onder doktershanden geweest, dat hij de esculapen eindelijk niet meer vertrouwde en ten slotte zijn eigen arts werd.’

Toen gingen we in de volgende kamer, waar zich zijn archief bevindt. De wanden zijn er behangen met verschillende portretten en herinneringen uit zijn vroeger leven zooals o.a. een groep van den jongelingenbond: ‘Franconia’ in Bonn; aan den anderen wand hangt een sabel, gedachtenis aan den tijd, toen hij nog officier was; verder verscheidene portretten als van C. Stöving en een schilderij hemzelf voorstellende zittende in de warande van zijn huis in Naumburg. Op een étagère staat zijn bibliotheek, die hij op reis placht mee te nemen; deze bestaat hoofdzakelijk uit Duitsche bewerkingen van Daudet, Brunetière, voorts G. v. Hartmann enz. In den hoek staan twee glazen kasten, waarin zijn geschriften bewaard worden. Behalve de twaalf deelen, die reeds verschenen zijn, is er nog een groote voorraad,d ie langzamerhand ter perse kan gaan.

De gedichten zijn door mevrouw Förster-Nietsche zorgvuldig verzameld en eenigen tijd geleden uitgegeven onder den titel: ‘Gedichte und Sprüche’ (Leipzich, C.G. Naumann). Zij heeft dit gedaan om te bewijzen, dat haar broeder tegelijkertijd wijsgeer en dichter is geweest, hetgeen, zooals men weet, door vele letterkundigen bestreden is.

De driehonderd Aphorismen zijn door Nietsche zelf tot een werk vereenigd, genaamd: ‘Böse Weisheit’.

Ook heeft mevrouw Förster de eerste schets van ‘Omwertung’, die hij opgesteld had, voor uitgave bewerkt.

De sympathieke dame vertelde mij verder , dat haar nog heel wat werk te wachten stond, voordat zij den overigen nagelaten arbeid van Friedrich Nietsche op een wijze zijner waardig de wereld ingestuurd heeft.

Het gesprek ging toen over zijn levenswijze in den laatsten tijd. In de woning in Weimar gevoelde hij zich, dank zij den goeden zorgen van zijn zuster, zeer wel.

Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

De zieke Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

Gewoonlijk stond hij ’s morgens tegen zeven uur op, waarna hij zijn ontbijt gebruikte; dan ging hij op de sofa liggen, waarop hij òf insluimerde, òf ’s middags wakker bleef, dan las men hem de courant voor of eenige korte vertellingen en gedichten.

Het middagmaal bestond hoofdzakelijk uit plantaardig voedsel; vleesch werd slechts in zeer kleine hoeveelheden gebruikt.

Als het ’s middags mooi weder was, zat Nietsche in een gemakkelijken stoel in den tuin, of hij maakte met zijn zuster en zijn onvermoeide verpleegster, Alvine, een wandeling.

Over het algemeen was de toestand van Nietsche in den laatsten tijd bevredigend; hij sprak veel en goed en moet zelfs eens tegen zijn zuster gezegd hebben: ‘Nu zijn we volkomen gelukkig, niet waar?’

Er waren echter ook dagen, dat hij niet spreken on en tengevolge eener verlamming in zijn linkerzijde pijnlijk steunde. Als men hem dan vroeg of hij pijn had, ontkende hij dit steeds. Zijn geliefkoosd plaatsje was aan het venster, vanwaar hij onafgebroken tuurde naar een verlaten molen zonder wieken en een alleenstaand huis. Dit eentonig uitzicht ontlokte den wijsgeer van tijd tot tijd karakteristieke gezegden.

Nu heeft een beroerte een einde gemaakt aan het leven van Friedrich Nietsche; zijn aardsche overblijfselen zijn naar zijn geboorteplaats Röcken overgebracht.”

Reacties uitgeschakeld voor De laatste jaren van Nietzsche

Filed under Beroemdheden

Herinneringen aan Sarah Bernhardt

In De Hollandsche Lelie van 24 juni 1931 bespreekt L. de Wildt-Beversen het boek ‘La grande Sarah’ van musicus Reynaldo Hahn. Het bevat zijn herinneringen aan de beroemde actrice Sarah Bernhardt, die hij als kind had zien spelen. Jaren later maakte hij kennis met haar en hij bleef met haar bevriend. Uit het artikel:

‘Toen hij haar zijn aanteekeningen voorlas riep ze uit: “Dank zij je dagboek en het sonnet van Rostand, zal ik rustig de reis naar de eeuwigheid kunnen ondernemen!”.’

‘Toen de musicus deze aanteekening maakte was Sarah niet jong meer en al grootmoeder. Toch maakte zij nog een jeugdigen indruk, dank zij haar rijzige gestalte, haar levendigheid en kracht. Nooit scheen ze vermoeid. Ze bezat de eigenschap op ieder tijdstip, te midden van het groote tumult, rustig te gaan zitten en onmiddellijk in een vasten slaap te vallen. Na een kwartier ontwaakte ze en alle vermoeidheid was verdwenen.’

‘In haar rollen moest Sarah verscheidene malen flauw vallen of sterven. Bezeeren deed zij zich nooit, het ging haar gemakkelijk af. “Nooit heb ik dit geoefend”, zei ze, “ik laat me zonder angst vallen, het doet er niet toe, hoe! ’t Is eenvoudig een quaestie van lenigheid. Ik werp me op den grond en nooit heb ik er nadeelige gevolgen van ondervonden.’

Sarah Bernhardt

Sarah Bernhardt

‘Sarah doorleefde wel degelijk haar rollen en bij groote scènes kon zij geheel overstuur zijn. Eens, het was in Frou-frou, vond men haar tusschen de coulissen, te ontroerd om een woord te kunnen uitbrengen. Schreiend kwam ze op het tooneel en haar rol werd telkens door snikken onderbroken. Sarah was volstrekt niet ongevoelig, zooals men het maar al te dikwijls wilde laten voorkomen, en haar grilligheden waren sterk overdreven. Een goede daad, haar bewezen, vergat ze nooit en ze kon zeer goed een echte van een onechte vriendschap onderscheiden.’

‘Dikwijls haalde ze oude herinneringen op. Ze vergaf het zichzelf nooit, dat ze, toen ze jong was, in den overmoed van haar glorie Victor Hugo eenigszins geringschattend behandeld had. “Ik was dom genoeg om het gezelschap van een paar elegante leegloopers te verkiezen boven het zijne en ik heb hem eens midden in een gesprek in de steek gelaten!” ‘

‘In dit boek, waaruit de bewondering voor de groote tragédienne zoo duidelijk spreekt, roemt Hahn vooral haar energie en geestkracht, die ze tot aan haar dood (1923) behield.’

Artikel Sarah Bernhardt 1

 

Artikel Sarah Bernhardt 2

Reacties uitgeschakeld voor Herinneringen aan Sarah Bernhardt

Filed under Beroemdheden