Category Archives: Dagelijksleven

Kinderachtige studenten

De afgelopen week was er veel te doen rond studenten van het Groningse Corps Vindicat Atque Polit die zich in een Sushi-restaurant zouden hebben misdragen. Dit soort incidenten zijn niet nieuw; ook in de tijd van De Hollandsche Lelie kwamen ze al voor. Onder de kop ”Geestig?’ veegt hoofdredacteur Anna de Savornin Lohman in het nummer van 15 november 1911 de vloer aan met de betreffende studenten. 

“Een ‘bah’ voor die herriemakers, die eens mannen van gezag heeten te worden!” Deze welverdiende woorden vind ik in een socialistisch weekblaadje, naar aanleiding van de in alle couranten de rondte gedaan hebbende geschiedenis der studenten-onhebbelijkheid in Scala, verleden Zaterdag; (waarlijk, dat uitbazuinen van deze kinderachtige rustverstoring was overigens te veel eer voor hen). De uitdrukking is wélverdiend. Bah. Dat is ’t rechte woord ervoor. Aan kinderen, van veertien jaar reeds, zou men zeggen: Toe stel je niet zoo onnoozel aan. En deze ‘studenten’ verbeelden zich, dat zoo’n lamlendig de orde verstoren in een voorstelling ‘geestig’ zou zijn! ’t Bewijs hoe zuiver een gezonde jongen, – niet eens eens jonge man maar een jongen – voelt in dezen, werd mij dienzelfden middag geleverd toen het relletje ’s avonds gebeurd is. ’t Waren vermoedelijk dezelfde geestige (?) studenten, die toen namelijk rondreden door Veenestraat enz., half-dronken (natuurlijk), met hun corpspetten op, en zich flauw te keer stellend met trompetten en andere ongemeen geestige (?) manieren om de aandacht te trekken. Natuurlijk gelukte dit ook, en kwam er een oploopje, maar ik hoorde een paar straatjongetjes die achter me aan liepen, verachtelijk tegen elkaar zeggen: “Gut, doe dáár nou geen moeite voor om dáárvoor hart te loopen. Wat is dáár nou aan?” De ventjes toonden meer gezond verstand dan de aanstaande ‘mannen van ’t gezag’. Natuurlijk ook, zij waren immers niet dronken. God, wat hebben we toch een misselijke maatschappij, als je er goed over nadenkt! En, veranderen zal ’t toch nooit, omdat de menschen nu eenmaal zoo zijn, als massa genomen. Dat is het ontmoedigendste nog ervan!

Reacties uitgeschakeld voor Kinderachtige studenten

Filed under Dagelijksleven

De Handschoen

[In De Hollandsche Lelie van 11 december 1901. ‘Uit het Duitsch door A.Z.’]

Handschoenen zijn een kostbaar toiletartikel. Daar men naar den handschoen de dame beoordeelt, en een vuile of gescheurde handschoen altijd zeer leelijk staat, moet men steeds zorg dragen dat dit onderdeel van het toilet onberispelijk is.

Wie zuinig wil zijn, moet, vóór alles, slechts de allerbeste, zij ’t dan ook de allerduurste, handschoenen dragen. Elke goedkoope handschoen wordt, door den korten tijd, dien men hem dragen kan, duur. Verder mag men goede handschoenen nooit zoo eens ‘eventjes aantrekken.’ Lichte, nette handschoenen, die men draagt, wanneer men bezoeken aflegt, zijn door het eventjes aantrekken bedorven.

Men moet den handschoen altijd langzaam en zorgvuldig aandoen, iederen vinger geheel gladstrijken, op ’t laatst de duimen er in steken, en den ondersten knoop langzaam dicht maken. Nieuwe handschoenen moet men vooral nooit haastig aantrekken.

Met lichte, fijne handschoenen vatte men geen deurknoppen aan, ga er niet mee op reis, enz. Balhandschoenen behooren altijd pas in de garderobe aangetrokken te worden, evenzoo handschoenen voor schouwburg of soirées.

Voor het dagelijksch gebruik des zomers zijn grijze of zandkleurige gemslederen handschoenen boven alle andere te verkiezen. Zij staan keurig, kunnen gemakkelijk met wat glycerine gewasschen worden en zijn zeer duurzaam. Nog beter zijn die van wit waschleder of glacé, welke echter ook van de beste qualiteit genomen moeten worden.

Voor morgenwandelingen, om boodschappen te doen, enz., is de garen handschoen, ook wel de mitaine zeer practisch.

In voor- en najaar is de roode hondsleeren handschoen beslist boven alle andere te verkiezen.

Men neme steeds handschoenen met drukknoopen, daar men dan van het aftrekken van knoopjes geen last heeft.

Ieder klein torntje van den naad moet dadelijk gerepareerd worden; heeft men het leer ingescheurd, dan legt men een klein stukje leer er onder en zoomt dat van den handschoen er netjes op.

Bij het uitdoen trekt men den handschoen zorgvuldig in het fatsoen, iederen vinger afzonderlijk en op ’t laatst den duim, welke men, zooveel mogelijk, evenzoo legt als bij den nieuwen handschoen. Dan legt men het paar plat in de doos. Is de handschoen van binnen misschien wat vochtig, dan moet hij opgeblazen worden en goed drogen.

Lichte handschoenen kan men heel goed schoonmaken, door ze met een stuk zachte gummi af te wrijven, nadat men ze aangetrokken heeft. Dan behoeft men ze slechts zelden in benzine te wasschen.

Goede handschoenen, waarvan de kleur leelijk geworden is, kan men in iedere chemische wasscherij zeer mooi, even licht of in iets donkerder kleur laten verven. Vooral gekleurde heerenhandschoenen, die door het schoonmaken allicht leelijk werden, krijgen daardoor nieuwe frischheid en geven volstrekt niet af.

Men wordt ernstig gewaarschuwd tegen het zelf verven der handschoenen, vooral tegen het zwart-verven. Zulke handschoenen geven altijd af en maken dan zeer leelijke vlekken.

Reacties uitgeschakeld voor De Handschoen

Filed under Dagelijksleven

Het slapen bij verschillende Volken

[Uit De Hollandsche Lelie van 20 november 1895]

“Slapen is een algemeene gewoonte bij alle volken,” schreef een schooljongen in zijn opstel; even waar is echter dat er groote verscheidenheid bestaat in de manier van slapen bij verschillende volken. Omstandigheden, die den eenen mensch doen slapen, houden den ander wakker. Een verdoovende medicijn, welke dezen onmiddellijk in diepen slaap doet vallen, brengt genen in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid.

De Europeaan of Amerikaan slaapt dan rustig, als hij een zacht kussen onder het hoofd heeft, doch de Japanner strekt zich op een mat op den grond uit, en schuift een hard, vierkant blok hout onder zijn hoofd: zonder dit blok zou hij slecht slapen.

De Chinees is zeer kieskeurig op zijn slaapplaats, die wel heel eenvoudig, maar meestal mooi uit hout gesneden is. Zijn bed is evenwel niet zacht, hij gebruikt daar matten voor..

Terwijl de bewoners van noordelijke landen niet kunnen slapen, als zij geen ruimte genoeg hebben om hunne beenen uit te strekken, rollen de bewoners der tropen zich evenals de apen in elkander en slapen het best in deze houding.

De Hollander bedekt zich met een paar dekens en slaapt, dikwijls in den winter, met een open raam.

De Rus daarentegen slaapt nergens liever dan op den grooten oven in zijne woning. Kruipt hij ’s morgens uit dit warme bed, dan neemt hij een koud bad, ook al moet hij het ijs er eerst voor verwijderen.

De Laplander kruipt met het hoofd in een zak van rendiervel en slaapt daarin warm en naar zijn zin.

De Oost-Indiër, aan het andere eind der wereld, heeft ook een slaapzak, maar deze is heel wat luchtiger dan die der Lappen en heeft ten doel de muskieten op afstand te houden.

De Engelschman heeft een veeren hoofdkussen, maar slaapt verder op stroo- en haarmatrassen.

De Duitschers slapen onder een veeren dekbed. Het is voor vreemdelingen dikwijls een raadsel en een kunst om den geheelen nacht onder zulk een bed te blijven liggen.

Reacties uitgeschakeld voor Het slapen bij verschillende Volken

Filed under Dagelijksleven

Opruimen rond 1900

Het lijkt wel of op dit moment heel Nederland aan het opruimen of schoonmaken is – of in ieder geval plannen in die richting heeft. Zelfhulpboeken als Opgeruimd! van Marie Kondo en Het Grote Poetsboek van Diet Groothuis liggen op grote stapels in de winkels. Dat is niet alleen iets van deze tijd; ook aan het eind van de negentiende eeuw werden er al praktische tips gegeven om het huis aan kant te krijgen, én te houden.

In De Hollandsche Lelie van 27 juni 1894 vinden we bijvoorbeeld een bijdrage van ‘Huismoeder’ onder de titel ‘Je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt’:

‘Mijne grootmoeder was gewoon, eer zij zich voor hare dagelijksche avondwandeling mij klaarmaakte, iedere kleine wanordelijkheid in haar voorbeeldig ingericht huishouden op te ruimen; spoorde ik haar dan soms in jeugdig ongeduld aan om te vertrekken, dan antwoordde zij altijd: “kind, je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt.”

Het nut van deze gewoonte kon ik toen volstrekt niet inzien: Het leek mij zeer onwaarschijnlijk dat wij – zooals de oude vrouw zeide – op onze eenvoudige wandeling een ongeluk krijgen of met vreemden terugkomen zouden. Zonder grootmoedertjes dikwijls herhaalde vermaning zou ik meer dan eens een begonnen handwerk of kleedingstuk hebben laten liggen, een kastdeur open laten staan of het tafelkleed scheef laten hangen. Nu rust de goede vrouw reeds lang in de koele aarde en ik ben vrouw en moeder, maar iedere kleine eigenaardigheid der oude vrouw is, evenals zoo menige gewoonte, die haar eigen was, op mij overgegaan.

Daar wij geen tuin hebben, ga ik minstens éénmaal per dag met mijne kinderen wandelen. Dat veroorzaakt door de stoornis in het werk waaraan ik bezig ben en het haastige aankleden der kinderen talrijke wanordelijkheden. Maar alles wordt vlug opgeruimd, want het is mij onmogelijk iets te laten liggen. Ontmoet ik onderweg lieve familieleden of bekenden dan kan ik hen rustig mee naar huis nemen zonder het pijnlijk gevoel te hebben, hen in een wanordelijke kamer te moeten brengen.

Komt, wanneer ik afwezig ben, mijn man op een ongewoon uur thuis, dan verheugen wij ons beiden, dat hij alles in de beste orde vindt.

Geheel afgezien van vreemde bezoeken, is het voor eene huisvrouw veel aangenamer in een net huishouden terug te komen, dan dat zij alles overhoop vindt en, vermoeid van de wandeling, alles nog opruimen moet.’

Reacties uitgeschakeld voor Opruimen rond 1900

Filed under Dagelijksleven

Onze meisjes op de Fiets (Slot)

[In De Hollandsche Lelie van 7 april 1897, vervolg van deel I en deel II).

We nemen aan dat ge nu geleerd hebt alleen te rijden. Vol moed en met een prettig gevoel van trots en opgewektheid, trapt ge dapper voort tot – ge een dikken steen op uw weg ziet liggen! Uw ontstelde verbeelding maakt van dien steen een berg. Al praat ge u zelf voor, dat een berg niet op een straatweg kan staan, dat er wel ruimte voor vijf velocipèdes aan weerskanten overblijft, de angst heeft u te pakken en ondanks uw vurige begeerte, uw krampachtige inspanning om er langs te komen, stuurt ge er vlak op aan en tuimelt – al uw tegenwoordigheid van geest verliezend – met fiets en al onderst boven. Is het echter ook maar eenmaal gelukt veilig langs een paard en rijtuig te sturen dan stelt uw zelfvertrouwen u al heel gauw in staat kalm door een volte heen te laveeren.

Gebruik in uw leertijd nooit uw rem: dat is nadeelig voor uw voorband. Leer terug peddelen d.w.z. ga op den trapper staan, die naar boven komt en stop zoo de beweging van uw achterwiel. Gij hebt natuurlijk opgemerkt, dat de eene pedaal neergaat, terwijl de andere opgaat; om de machine voort te bewegen, volgt ge de wentelingen van de trappers, tewijl ge om uw fiets te stoppen juist een tegenovergestelde beweging uitvoert.

Om een safety [zo werd de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen genoemd – GS] te leeren bestijgen wacht te links van uw fiets ’t oogenblik af, waarop uw rechter pedaal juist van zijn hoogste punt naar beneden daalt, zet er dan uw rechtervoet op, geef de machine door uw gewicht een zet en ge zijt op gang. Tegen dat de linkertrapper naar boven is gekomen, onder uw linkervoet, zit ge al goed op uw zadel. Om af te stappen, rijdt ge langzaam en wanneer de linker-pedaal bijna zijn laagste punt bereikt heeft, brengt ge uw rechterbeen handig tusschen zadel en stuur door en staat ge op den grond.

Nu  nog uw houding. Zit vooral gemakkelij; niet te laag, niet te hoog. De voetholte moet tot aan den trapper reiken, het stuur mag niet zoo laag zijn dat ge krom zit, maar ook niet zoo hoog, dat ge niet tegen een heuvel op kunt komen. Op een fiets staat een ronde rug even leelijk als de voorgeschreven stijve, hygiënische houding.

Kunt ge een bicycle goed berijden, dan zal het u maar heel weinig moeite kosten andere soorten van velocipèdes te beheeren.

Over de voordeelen en de genoegens van het wielrijden zijn we niet gauw uitgepraat. Een oude dame, die ik eens bij een van mijn fietsvriendinnen ontmoette, riep in verbazing uit: “Jullie wielrijdsters hebt altijd discours. In jullie wereld valt altijd wat te praten over nieuwe banden, zadels of lantarens, prachtige tochten, ongelukken enz. Je gaat er allemaal in op, of je leven er van afhangt!”

Zou in deze klacht voor veel meisjes ook niet een lichtzijde schuilen; is het niet beter over een gezonde liefhebberij te praten, dan over de mode en de stadsnieuwtjes?

De nooit-eindigende, kleine, dagelijksche beslommeringen, waarin het leven van vele onzer meisjes opgaat, voldoen haar dikwijls zoo weinig. Behalve de beweging, die de huiselijke bezigheden met zich brengen, kennen ze geen andere dan hun middagwandelingetje. Geen flinke, gezonde loop buiten de stad door het bosch, waar ze werkelijk natuur kunnen genieten – zooiets is door de groote afstanden onbereikbaar – maar een langzaam gedrentel door straat en plantsoen.

Nu verschijnt de fiets om haar een nieuwe wereld te ontsluiten. Wat is haar wandeling, vergeleken bij een opwekkenden rit op haar wiel? In weinig maanden tijds kan ze een streek geheel doorkruisen en elk schoon plekje leeren kennen. Zij koopt een goede kaart van den omtrek harer woonplaats, bestueert die nauwkeurig en maakt aanteekeningen van langere of kortere tochten al naarmate ze tijd heeft om haar fiets te gebruiken en na verloop van een maand zal zij zooveel schoons in haar omgeeving zien, dat ze haar een nieuw ontdekt land toeschijnt.

Te lang is ons leven aan banden gelegd door de eischen der beschaving. Onze sluimerende bekwaamheden beginnen te ontwaken. De fiets vergunt ons op een volkomen vrouwelijke wijze van onze physieke krachte te profiteeren; hij komt te gemoet aan onzen drang naar beweging door de snelheid, waarmee hij ons verplaatst en scherpt onzen geest door de noodzakelijkheid om altijd op ons qui vive te zijn voor mogelijke gevaren.

Er zijn geen bijzondere talenten noodig om dit soort van sport volop te kunnen genieten. Met hoeveel genot bestijgen wij allen niet onzen eersten heuvel; hoe vroolijk en opgewekt stemt ons het heerlijke gevoel, dat wij na inspanning van alle krachten den top bereikt hebben!

Maar grooter dan dit alles is het genot, dat de natuur u biedt; smaak het toch met volle teugen! Overal vindt ge, soms op geringen afstand, aantrekkelijke, onvergetelijke plekjes. Na een matig harden rit, stappen we, een beetje moe, stoffig en warm, af, leggen ons paard in het gras, gaan er zelf naast liggen en genieten kalm wat zich aan ons oog voordoet. Alle muizenissen worden op de vlucht gejaagd, hetzij school of kinderkamer, salon of keuken ze deden ontstaan. Kalm en weldadig werkt de omgeving; de natuur neemt onze ziel zoo geheel en al in, dat er geen plaats overblijft voor verdriet en kleinzieligheid. We hoeven niet precies op onzen tijd te passen, geen trein of tram te halen; ons paard staat rustig tot onzen dienst, geduldig wachtend tot het ons belieft weer op te stijgen.

Schatten wij vooral de physieke voordeelen niet gering, die het rijwiel ons bezorgt. Gebruik uw fiets als bewaarder, niet als verwoester van de gezondheid en hij kalmeert de zenuwen, versterkt te spieren, bevordert den bloedsomloop en schenkt een gezonden slaap.

Met mate gedaan, d.i. als wij onze krachten nooit overspannen, staalt het wielrijden alle deelen van het lichaam. Zoodra het echter gevolgd wordt door gebrek aan eetlust, gejaagdheid en slapeloosheid, dan zijn de grenzen overschreden en is onmiddellijke rust dringend noodig.

Ik druk u nog eens op het hart te zorgen, dat uw fiets goed voor uw lichaam gesteld is, zoodat ge gemakkelijk zit. Zijn zadel of stuur te hoog of te laag geplaatst, dan zal het rijden ons groot, soms blijvend nadeel doen. Ook is oververhitting bij het rijden streng af te keuren, omdat zij het gestel zeer vatbaar maakt.

Om de ontelbare voordeelen van het wiel te kunnen waardeeren, moeten wij ons niet vergenoegen met te hooi en te gras eens een uitstapje te maken. Een dagelijksch ritje van een half uur is veel aangenamer dan een tocht van vier à vijf uur per week, als weer en wegen precies naar uw zin zijn. Bij het fietsen moeten we de elementen het hoofd bieden, kou en hitte kunnen verdragen. Het nu en dan rijden zal het gestel eerder irriteeren dan versterken. Kunt ge u onmogelijk dagelijks oefenen, stel u dan tot taak b.v.b. eens per week zeven uur gaans af te leggen, ondanks de afwisseling van het klimaat. Op die wijze zult ge leerzame ervaringen opdoen; hoe hevig de wind u ook tegenwerkt, ge weet, hier gelt het “bukken en overwinnen”.

Voor de meeste wielrijdsters is fietsen op mooie, niet te warme zomerdagen het ideaal. Ik voor mij geniet het meest ’s winters. Laat de wind blazen en loeien, laat het vriezen dat het kraakt, wat hindert het mij? Geef mij mijn wiel, mijn bonten mantel, muts en handschoenen en ik haal mijn hart op. Blijft gerust bij de kachel kleumen, gij allen, die mij bibberend beklaagt; ik geef de voorkeur aan de roode wangen, schitterende oogen en een gelukkig gevoel van blijde gezondheid.

Een nieuwe wereld ligt voor ons! Het staat slechts aan ons of we haar willen gebruiken of misbruiken. Zijn we onze vrije voorrechten waardig, dan is er geen eind aan ons genot, maar bedenk, dat we door overdrijving en roekeloosheid ons heele verdere leven spijt kunnen hebben, ons bij de gelukkige schare wielrijdsters te hebben aangesloten.

Naar het Engelsch.

Zwolle, Maart ’97. 

G.E.

Verder lezen: ‘De fietsende vrouw’, over wat de uitvinding van de fiets voor de emancipatie van de vrouw heeft betekend. Met advertenties uit De Hollandsche Lelie jaargang 1897.

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (Slot)

Filed under Dagelijksleven

Onze meisjes op de Fiets (II)

[In De Hollandsche Lelie van 31 maart 1897; vervolg van de week ervoor]

“Gebrek aan zelfvertrouwen,”zegt ge onmiddellijk en spreekt daarmee uw eigen vonnis uit. Gebrek aan zelfvertrouwen en de hardnekkige neiging om uw oogen onafgewend op uw slingerend voorwiel te vestigen, maken u angstig. Wij moeten ons lichaam dwingen automatisch ons verstand te gehoorzamen. Inderdaad, elke nieuwelinge mist de geruststellende overtuiging, dat ze haar voorwiel in bedwang kan houden. Om volkomen heerschappij over uw ijzeren paard te voeren, is het absoluut noodig dat ge niet naar uw voorwiel kijkt.

Hebt ge er wel eens op gelet, hoe een kind leert loopen? Mama staat of zit vlak bij de plek, waar baby zich met zijn speelgoed amuseert. op een oogenblik vertrouwt de kleine plotseling zijn beentjes en, aangemoedigd door den korten afstand en moeders open armen, steekt hij in een vaart van wal. Nu heeft het kind vertrouwen op zijn physieke kracht gekregen en plaagt het zijn hoofdje niet meer met de vraag, of het al dan niet rechtop kan staan.

Dit geldt ook voor het fietsen. De groote kunst van leeren bestaat daarin, dat men altijd voor zich uitziet, de oogen gericht op het doel, dat in een rechte lijn voor u ligt. Laat uw voorwiel zooveel slingeren als het wil, het kan niets geen kwaad; kon het niet slingeren, dan zou het rijden onmogelijk zijn. Ge zoudt even goed kunnen wenschen dat de kop van een paard, of uw eigen hoofd niet draaien kon. Verheugen we ons liever over de groote beweegbaarheid van ons voorwiel en vinden we er ons genoegen in, het zelfvertrouwend, handig en, daardoor onbewust sierlijk, te regeeren. Ga eens voor al van de overtuiging uit dat gij uw stuur meester zijt, niet omgekeerd, en begin uw eerste les.

Ge hebt u natuurlijk voorzien van een gebruikte machine en een handigen, sterken knecht.

Ik veronderstel dat ge op een wijze gekleed zijt, die de fiets eer aandoet, d.w.z. dat ge draagt: een wijde pantalon, korten rok, een paar laaggehakte schoenen en geen korset. Bij het rijden komt het in hoofdzaak aan op het peddelen, op de juiste enkelbeweging. Konden we ons zelf maar eens zien zooals anderen ons zien, hoe spoedig zouden we de overdreven kniebeweging achterwege laten en begrijpen, dat de kracht van onze dijen uit moet gaan en het trappen zeer gelijkmatig behoort te zijn. Zit niet als een domme gans op het zadel, afwachtende of de pedalen uw voeten naar boven zullen duwen; hef uw been op, wanneer de beweging dat meebrengt. Denk er aan dat de mensch een schoongevormden enkel bezit, die allerlei bewegingen toelaat. Toon u dien enkel waardig door goed te leeren trappen.

Sommige menschen meenen te kunnen wielrijden als ze zich maar op een velocipède in balans weten te houden – door een reeks onregelmatige rukken aan het stuur en door het op en neer bewegen der pedalen.

Over zulke wielrijdsters moeten we een niet te streng oordeel vellen, al noemen we ze heimelijk ook caricaturen.

Hoe kunnen we goed onze enkels leeren gebruiken, – dat is de moeilijkheid! Het beste middel is misschien, op een safety te gaan zitten, die vast staat in een stander. Iedereen kan door oefening de beweging in den slag krijgen. Heeft men dien eenmaal beet, dan vermeerdert zij uw rijvermogen, dan stelt ze de wielrijdster in staat heuvels te beklimmen en een goeden gang er in te houden met een minimum van kracht en inspanning. Ik raad u aan, dat gij elken dag tien minuten aan de enkelbeweging besteedt; gij zult daaroor eerder een schoonrijdster worden dan door wekelijks urenlang te fietsen, zonder op die oefening te letten.

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Uit de aard der zaak is een bicycle moeilijker te berijden dan een tricycle. Toch hebben de machines verscheiden punten van overeenkomst en zijn dus de algemeene aanwijzingen die ik geef, op  beide toepasselijk; het peddelen is natuurlijk hetzelfde, evenals het regeeren van ’t stuur, de houding der rijdster enz. Men zal mij toegeven dat velen van onze jonge dames lang geen bevallig figuur maken op een fiets. Als men een velocipède langs den weg kan voortbewegen, wil dat nog niet zeggen dat men kan wielrijden. Om de bekoring van het balanceeren geheel te kunnen genieten, heeft men niet alleen een flinke machine noodig, maar ook de kunst om volkomen gelijkmatig voort te glijden, zonder dan men zich zijn sturen bewust is. Wil de rijdster het tot dezen trap van vervolmaking brengen, dan moet ze lenig zijn in haar bewegingen, niet met het bovenlijf zwaaien, rechtop zitten en toch onmerkbaar door haar lichaam de richting van het voorwiel aangeven.

Het al of niet wenschelijke van het leeren rijden in een overdekte school, heeft heel wat discussies uitgelokt. Sommigen houden de oefeningen binnenshuis voor hoogst ongezond; anderen komen zij bijzonder goed voor, omdat daardoor het zoo nadeelige hijgen vermindert, en omdat het bedachtzaam ontwijken van de muren, de leerlingen met de kunst vertrouwd maakt later de onvermijdelijke drukte op de wegen handig te passeeren.

Als argumenten tegen het oefenen in een besloten ruimte, voert men nog het volgende aan: ten eerste wordt de atmosfeer bezwangerd met fijne stofdeelen, wat zeer nadeelig is voor borst en longen: ten tweede neemt de nieuweling, niet gewend aan de snelle beweging, onwillekeurig de slechte gewoonte aan om door den mond te ademen en ten derde maakt de voortdurende angst tegen een der muren aan te komen, de leerling zenuwachtig, overspannen of duizelig.

Als de heeren doctoren het niet eens zijn, wie zal dan beslissen? Het komt mij voor dat elke nieuwelinge haar eigen constitutie moet raadplegen. Veroorzaakt de les in een gebouw haar onaangename symptomen, dan probeere ze het in de open lucht.

Wat het ademhalen betreft, men kan hier alle gevaar voorkomen, als men van te voren goed leert ademen door de neusgaten. Niet alleen beginnelingen, maar ook geroutineerde rijders hebben het groote nut ingezien van het oefenen der hartkleppen en longen, nadat ze een steilen heuvel waren opgereden, door een eenvoudig middel. Men sluit de lippen stijf op elkander, strekt de schouders naar achteren, spant de borst en ademt geregeld en diep door den neus. Ik raad iedereen sterk aan, zich dagelijks voor een open raam of in de buitenlucht in zulk ademhalen te oefenen; het is prachtige longengymnastiek en zal haar bij het fietsen uitstekende diensten bewijzen.

Rijd niet tot ge geheel buiten adem zijt en stijg af, wanneer gij hartkloppingen krijgt. Een tweede punt van belang is het volgende: zoodra het dwaze gevoel van vrees zich van u meester maakt, dat alle wielrijdsters, geloof ik, kennen en u de vreeselijkste onheilen voorspiegelt, verzet u daartegen met alle macht, en laat het zich niet op de vlucht jagen, houd dan een oogenblik op, om daarna met nieuwen moed te beginnen.

Deze angst is slechts de overspanning van zekere spieren en zenuwen, die zich onmiddellijk aan de hersens meedeelt en ons een beklemmend gevoel bezorgt. Er valt dikwijls niet tegen te redeneeren; behandel het zooals ge een bang kind zoudt behandelen. Wandel naast uw wiel en kalmeer uzelf, door uw gedachten bij iets anders te bepalen. Uw krachten zijn uitgeput, en ge doet wijs met voor eenige oogenblikken een ander stel zenuwen en spieren aan ’t werk te zetten.

(Wordt vervolgd.)

[Er volgt nog één slotdeel.)

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (II)

Filed under Dagelijksleven

Onze meisjes op de Fiets (I)

[In De Hollandsche Lelie van 24 maart 1897]

Het wielrijden is een der opwekkendste, gezondste en nuttigste uitspanningen, doch als we terug denken aan de verouderde, zware driewielen, dan staan we verbaasd over den moed en de volharding der pioniers, die zoo dapper den weg baanden voor onze hedendaagsche fietsen.

In vroeger jaren was dit voertuig weinig populair en eischte het van de liefhebbers niet alleen moed, maar ook zeer veel lichaamskracht. Veertig à vijftig pond log metaal over dikwijls zeer slechte wegen voort te trappen, was geen aangename bezigheid, gezwegen nog van de hellingen, die heel wat van de krachten eischten.

Maar gelukkig zijn deze verouderde machines verdwenen en kunnen we nu met welgevallen de mooie metaalscheppingen van onzen tijd beschouwen. Op twee wielen het evenwicht te bewaren en bevallig, als een zwaan voort te glijden, verdient ten volle de bewondering en sympathie van onze meisjes.

Die teere stalen machine – welk een nieuwe wereld ontsluit ze ons! Met haar hulp kunnen we afstanden afleggen, die de helden van Homerus verbaasd en Achilles beschaamd zouden hebben.

Om het vermaak naar hartelust te kunnen genieten, moeten we ons in de eerste plaats een wiel aanschaffen dat aan onze individueele behoeften voldoet. Voor een nieuwelinge mogen alle machines ongeveer hetzelfde schijnen, een ingewijde kan met één blik den bouw en bijzonderen stijl van een velocipède zien en beoordelen. In de menigvuldige fabrieken heeft men zich niet alleen sinds jaren op het maken van fietsen toegelegd, maar ook zijn voordeel gedaan met het talent van den teekenaar en van practische werktuigkundigen. Het in elkaar zetten van het rijwiel en al zijn onderdelen heeft – ook buiten de ingewikkelde quaestie van het materiaal – de helderste hoofden bezig gehouden. Wij meisjes, dikwijls zoo ingenomen met onze safety [zo werd de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen genoemd, gebouwd door John Kemp Starley in 1855 – dit model was veel veiliger dan zijn voorganger ‘de hoge bie’ – GS] , mogen wel een woord van dank wijden aan hen die zooveel tot ons genot en gemak bijdroegen.

Een uitgezochte collectie machines staat ter onzer keuze: tricycles, bicycles, tandems, zoowel met twee als met drie wielen, sociable-tandems enz. Van al deze soorten is de safety het meest in gebruik. Toch wordt de tricycle tegenwoordig ook zoo licht gebouwd, dat ze een belangrijke mededingster kan worden voor haar slankere zuster, de tweewieler. Een der groote voordeelen van een tricycle is, dat ze zonder steun kan staan. Ook is ze erg gemakkelijk om boodschappen te doen, daar men er verscheiden pakjes op kan laden.

Daar staan evenwel overwegende bezwaren tegenover; ten eerste heeft men veel ruimte noodig om haar te bergen; ten tweede maakt haar breedte het lastig zoo niet onmogelijk door allerlei passages te rijden; ten derde hangt men voor een tochtje per driewieler meer af van weer en weg. Alles gaat van een leien dakje als de rijder den wind achter zich heeft en de baan zoo glad is als een mahoniehouten tafel, maar berijdt men een slechten weg, stijf in den wind, dan vereischt het werk geduld, overleg en lichaamskracht. Ongelukkig voor de populariteit van de tricyle bezitten niet alle wielrijdende vrouwen deze noodzakelijke eigenschappen. Een fiets met drie wielen eischt natuurlijk drie sporen, voor elk wiel moet al rijdende een nieuw spoor gemaakt worden. Glijden we over bovengenoemde gewreven tafel, dan verkeeren we in zalige onwetendheid omtrent het bestaan van zoo iets als sporen, maar op den publieken weg is onze positie dikwijls niet te benijden.

Een ander bezwaar noemen we dat men van een tricycle niet kan afstijgen wanneer zij in beweging is. De rijder is als ’t ware tusschen de groote wielen en het frame ingesloten en deze hulpelooze toestand maakt het op- en afgaan van heuvels eenigszins gevaarlijk. Ook is het besturen van zulk een fiets, zelfs voor een geoefend rijder, een vrij lastig werk, omdat de machine door een onhandige, of te plotselinge wending licht omslaat.

Een der voordeelen van een tricycle is de onmogelijkheid om te slippen. Berijdt men een tweewiel of raakt men in een tramrail vast, dan is men bijna altijd verplicht op een ongewenschte, min bevallige manier af te stijgen, hetgeen niet met een driewiel kan gebeuren. Ook wordt beweerd dat iemand gauwer een tri- dan een bicycle kan leeren berijden; men behoeft geen evenwicht te houden. Mij komt het echter voor, dat in deze moeilijkheid tevens een van de grootste bekoorlijkheden van de safety schuilt.

De tandem-bicycle staat niet hoog aangeschreven bij de vrouwen, in hoofdzaak omdat ze wegens het slippen minder veilig is dan een ander rijwiel. In snelheid is zij echter ongeëvenaard. Mits de rijders van gelijke kracht en aan elkaar gewend zijn, ian men er heerlijk en gauw uitstapjes op maken. De tandem-tricycle is een uitstekend familierijwiel; ze is practisch en veilig.

Toch blijft, ondanks alle mededinging, onze tweewieler de lieveling en heeft ze haar populariteit wel verdiend. In geval van een ongeluk is het tien tegen één, dat de berijdster op haar voeten terecht komt. Zelfs als haar machine in vaart is kan ze na eenige oefening er afspringen, of met behulp van haar rem onmiddellijk stoppen. Ook zwakke meisjes kunnen zelfs over een heuvelachtig terrein, zonder bezwaar tien uur gaans per dag afleggen; oefening en bedrevenheid, gevoegd bij een goede enkelbeweging, vergoeden het gemis aan veel spierkracht.

Het groote voordeel van de safety-bicycle boven het driewiel zit behalve in haar sierlijker vorm, in haar meerdere lichtheid en geschiktheid om slechte wegen te berijden. Voor een tweewiel toch, is dikwijls een karrespoor voldoende.

Door onze ingenomenheid met de safety, zouden we de sociable-tandem bijna vergeten. Deze velocipède heeft ook twee wielen en de rijders zitten elk aan een kant van het voorwiel; de machine eischt nauwgezet sturen. Vermoedelijk zal ze meer in de smaak vallen van oudere menschen, dan van onze jonge vrouwen, daar het niet meer dan natuurlijk is, dat wij liever elk ons eigen bootje sturen.

Sociable tandem (via wheelbike.blogspot.com)

Sociable-tandem 1896 (via wheelbike.blogspot.com)

We zien de bekoring van het rijwiel onze verstoktste conservatieve vriendinnen doet afwijken van de paden die het decorum hen vroeger voorschreef. Het spreekt vanzelf dat wij, eenmaal door de wielermanie aangetast, niet anders wenschen, ons niets heerlijkers kunnen voorstellen, dan een tweewiel te leeren berijden, om het even of onze kennissen het elegant of onbevallig doen.

Misschien is het hier de plaats onzen lezeressen het bekende spreekwoord “haastige spoed, gaat zelden goed”, in herinnering te brengen. Het meisje, dat even in de gauwigheid wil leeren wielrijden, wachten vele teleurstellingen. Ook is het onverstandig onze oefeningen te laten bederven door dat akelige spook, Angst, dat allen zonder onderscheid nu en dan in hun leven schrik aanjaagt. Wees voorzichtig, niet bang.

Bijna altijd hoort men van beginnelingen den uitroep: “O, ik zal mij nooit in balans leeren houden!” Wisten we dan, hoe ons evenwicht te bewaren, toen we als kleine kinderen op allerlei koddige wijzen op den grond rolden?

Een kind leert niet gemakkelijk rechtop loopen, omdat zijn ongeoefende oogen voortdurend op zijn voeten staren en zijn kinderverstand meent niet zonder steun te kunnen staan.

(Wordt vervolgd.)

[Er volgen nog twee delen, lees hier het tweede deel]

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (I)

Filed under Dagelijksleven

Dameshoeden in de schouwburg

In een serie artikelen ‘Uit de hoofdstad’ schetst Johan de Waard het dagelijks leven in Amsterdam. Zijn bijdrage in De Hollandsche Lelie van 6 januari 1897 sluit hij af met een oproep:

“Ik heb een beleefd verzoek aan mijn vrouwelijke stadgenooten en dat is of zij zoo vriendelijk willen zijn op de stallesplaatsen in de schouwburgen de hoeden af te zetten.

Vele collega’s en ook ik zelf hebben er menigmaal in de krant op gewezen, doch de dames schijnen op dat punt niet te willen medewerken.

In den Stadsschouwburg is het ten langen leste verplichtend gesteld, doch komt men bij Prot of Van Lier of in den Hollandschen Schouwburg, dan zitten bijna alle dames met de vrije-uitzicht-belemmerende hoofddeksels op.

Ik neem nu maar de vrijmoedigheid mij rechtstreeks in uw eigen orgaan tot u te wenden, want och, als uw wist hoe vervelend en lastig het is wanneer men naar links en rechts moet buiten, bijwijlen even opstaan, om te zien wat er op het tooneel gebeurt, dan zoudt ge u deze kleine opoffering voor anderen wel willen getroosten.

Stel het geval, dat de heeren met hunne hooge hoeden op bleven zitten! Een storm van verontwaardiging zou losbarsten van uwe zijde en terecht.

’t Schijnt, dat die dameshoeden tegenwoordig hoe langer hoe grooter worden en de veeren en andere versierselen hiermede gelijken tred houden.

’t Is verschrikkelijk!”

Amsterdam, 14/XII. ’96.  Johan de Waard.

Zie voor meer etiquette in de schouwburg: http://www.dehollandschelelie.nl/uncategorized/etiquette-in-de-schouwburg/

En over de hoedenmode rond 1900: http://www.dehollandschelelie.nl/kleding-2/dameshoeden/.

Reacties uitgeschakeld voor Dameshoeden in de schouwburg

Filed under Dagelijksleven

Een onbeholpen wielrijder

[In De Hollandsche Lelie van 16 september 1903]

Ik vind deze week in “het Vaderland” het volgend bericht.

Op den Ouden Scheveningschen Weg kwam een onbeholpen wielrijder met een volle vaart tegen een heer aan, die viel, zijn kleederen erg havende, en ook zijn hand verwondde. Gelukkig grepen een paar voorbijgangers hem onmiddellijk, anders was hij ook nog onder een rijtuig gekomen. De wielrijder klom weer op zijn fiets, en reed dadelijk daarop weer een dame omver.

Een politieagent, wien men verzocht proces-verbaal op te maken, zeide dat dit niet noodig was, hij kende den man op de fiets wel. Doch toen men later naar het politiebureau ging, bleek dit niet het geval te zijn. Toen was echter de woeste fietser niet meer te vinden.”

Naar aanleiding van deze mededeeling veroorloof ik mij, – met al de nederigheid, die past aan eene niet-ééns-Edelachtbaren-mogende-méékiezen, echter wèl de door hen ingestelde belastingen moetende méé-offeren vrouw – het volgende voorstel te brengen onder de aandacht van het zoo vaderlijk en rechtvaardig Edelachtbaar bestuur onzer stad ‘s-Gravenhage:

Zou het geen aanbeveling verdienen, wanneer de dappere politie-agenten van ‘s-Gravenhage voortaan wat minder keken naar den grond, of zij ook hier of daar een weerloos straathondje kunnen opsporen, dat buiten-eigen-schuld, ongemuilkorfd rondloopt, en daarvoor moet sterven na wreede martel-opsluiting; en wat méér rondom zich, naar voor hun genoegen fietsende groote-oomes, die door eigen schuld, hun medemenschen verminken en ongelukkig maken, maar daarvoor, niet-alleen niet worden gedood, doch ook zelf geen enkele straf, hoe gering ook, ontvangen…

Of is de dapperheid der Haagsche politie alléén groot, waar het weerlooze hondjes geldt?…

En kijken zij opzettelijk liever een anderen kant uit, als een groote oome fietst zonder het te kunnen; en dáárdoor zijn medemenschen verminkt…?

Anna de Savornin Lohman

Reacties uitgeschakeld voor Een onbeholpen wielrijder

Filed under Dagelijksleven

Koffie zetten

[In De Hollandsche Lelie van 9 september 1896]

Menige klacht van goede kennissen over hunne koffie heb ik, door mededeeling dezer bereidingswijze, die een smakelijken drank oplevert, tot mijn genoegen reeds dikwijls uit den weg geruimd.

Ik koop altijd rauwe koffie, die ik sorteer en zelf brand. Sedert jaren gebruik ik denk koffiebrander uit ijzeren cilinders bestaande, die over de geheele lengte door een spiritusvlam verhit worden; een half kilo heeft 10-20 minuten noodig; de koperen kogels, die slechts even verhit worden, drie kwartier.

In ’t begin moet langzaam, maar zoodra de koffie donkerder wordt, moet sneller gedraaid worden. Wij mogen geen blauwen rook waarnemen en oppassen dat de boonen niet knappen.

Is nu de kleur geelbruin en de boon gemakkelijk breekbaar, dan moet de koffie zoo gauw mogelijk in steenen of porceleinen schotels gedaan worden.

Nu moeten de boonen beginnen te zweeten; was dit reeds eerder het geval, dan zij zij te sterk gebrand en zal de koffie scherp en bitter smaken; wordt ze te weinig gebrand, dan behoudt ze een onaangenamen, rauwen smaak.

Onder behoorlijk omschudden wordt, na verdamping, de koffie toegedekt en geheel afgekoeld in bussen bewaard. Het best en smakelijkst is een mengsel, van verschillende soorten: b.v. Java, half Mokka, of half Menado (deze het best zeer oude; ze is dan groot, roodachtig, en wormstekig, het kenteeken voor koffiekenners,) ook Ceylonkoffie alleen of een mengsel van Santos met Guatemala koffie.

Groene koffie alleen is scherp zuurachtig van smaak; de gele is flauw, maar een mengsel van verschillende  soorten geeft den echten koffiesmaak. Betere soorten leveren meer uit dan slechte; zuinigdheidshalve behoeft men waarlijk geen goedkoopere soorten te drinken, en het is niet mogelijk met de beste suikerij een geurige aangename koffie te bereiden.

In de eerste plaats moet nu voor een regelmatig, fijn malenden molen gezorgd worden; het is dwaasheid en verkwisting om van grove korrels koffie te zetten; de mijne is altijd zoo fijn als tafelzout. Van oud, afgekookt, zoogenaamd koffiedik kan nooit een smakelijke koffie bereid worden; zij smaakt altijd als ware zij opgewarmd; bovendien bekomt zij slecht, daar men er een opgeblazen gevoel na krijgt. Hoe frisscher het water, des te meer lucht en koolzuur het bevat. Het water uit de kraan laat ik eenigen tijd wegloopen, en kook nu frisch water.

De koffiekan en filtreer beide moeten van te voren met kokend water worden uitgespoeld en daarna goed afgedroogd. Nu kan eindelijk de koffie, 8 gram voor één kop, in het filtreer gedaan worden en men laat de koffie filtreeren. De tuit sluiten wij met een prop papier af, om te verhinderen dat het aroma vervliegt. Het water moet bepaald goed gekookt hebben, anders zou de koffie niet smakelijk zijn.

Verder moet de handbeweging bij het overgieten flink en krachtig wezen, en er moet niet eerder ander water bijgedaan, vóór alles is weggeloopen; schudden veroorzaakt verlies van kracht en mooie kleur en moet dus nagelaten worden! De temperatuur van het water in de kastrol moet op het kookpunt blijven, doch het mag nooit koken; men verwijdere het dan direct. Droge verwarmingstoestellen leveren nooit een zoo voortreffelijken drank, als deze apparaten.

Wat schenken onze beminnelijke huismoeders uit zilveren kannen vaak onsmakelijke lauwe koffie en wat erger is, soms vergiftige aftreksels!

De op bovenstaande, zorgvuldige manier bereide koffie, kan desnoods, zonder onaangemaan van smaak te worden, 15-20 minuten in het zoogenaamde waterbad blijven staan; integendeel smaakt ze er beter door, omdat de fijne olie na het laatste opschenken zich volkomen afscheidt.

Aardappeleters

De aardappeleters’ van Vincent van Gogh (1885): hier wordt ook koffie geschonken.

Nu nog die gewichtige factoren bij een smakelijke kop koffie! Om den smaak te kunnen beoordeelen zou men ze zonder melk moeten drinken; bij goede koffie moet alleen room gebruikt worden. Melk en room moeten vooral gekookt worden, anders bederft zelfs de beste koffie. Door de melk vooraf te kloppen, ontstaat er een mooi, dicht schuim ls geslagen room, dat er heel smakelijk uitziet; door den klopper tusschen de vlakke hand snel heen en weer te bewegen wordt dit verkregen. Is de geslagen room klaar, en zijn de gasten er nog niet, dan kan de klopper er gerust in blijven staan; men gebruikt hem maar weer eens, om te voorkomen dat er een vlies opkomt. Bij het kloppen mag de kan niet te vol zijn, maar een gedeelte mag zoolang in een anderen pot gedaan worden tot naderhand het schuim klaar is, en er bijgegoten wordt; het schuim komt dan boven. Voor het inschenken behooren de kopjes zacht verwarmd te worden. Ik zelf heb met machines van verschillende naties de proef genomen, en ben overtuigd dat bovengenoemde manier verreweg de beste is. Bij groote haast is het Weenertoestel wel aan te bevelen, doch liefst van porcelein, omdat bij het staan dan geen metaalsmaak ontstaat.

Zoogenaamde Russische machines zijn ook wel goed, maar leveren niet zulk een goede koffie als genoemde, omdat ze de koffie kracht ontnemen.

Goede wil en oefening zullen rijkelijk beloonen!

Ideaal en praktijk.

 

Reacties uitgeschakeld voor Koffie zetten

Filed under Dagelijksleven