Category Archives: Hoofdartikel

Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Onder de titel ‘Vorming van den toekomstigen echtgenoot’ geeft J.v.W. in het hoofdartikel van De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901 een genadeloze beschrijving van het mannelijk deel van de Nederlandse bevolking.

“In Amerika, waar men het vasteland in alles een vijf en twintig jaar vooruit is, wordt de vrouw gesteld boven den man, waarschijnlijk omdat zij in gedrag en waardigheid reeds jarenlang werkelijk stond boven den man. Dienstboden zijn er schaarsch en als de man thuiskomt, is het opdat zijn vrouw zal kunnen uitgaan. Hij zorgt tijdens hare afwezigheid voor de kleintjes en voor de pot, schuiert het kleed voor haar en spaart haar wat hij kan, en als de vrouw thuiskomst, verfrischt en opgefleurd door de beweging in open lucht en door de afleiding van geest verkregen bij gesprekken met menschen, is zij weer een opgewekt moedertje binnenshuis en een zonneschijntje voor man en kinderen.

Wat zijn we daar in Holland nog ver van af! Onze jongens worden door de meeste moeders als egoïsten opgevoed. Zij hebben hare zoons afgodisch lief, en gevoelen reeds vooruit een zekeren afkeer van een indringende schoondochter. Zeer natuurlijk; want de groote moederliefde gevoelt da men haar lieveling haar ontnemen gaat en dat zij wordt achtergesteld voor een vreemde. En mag zij nu al hare kinderen al tot goede zonen, tot brave menschen opvoeden, zij vergeet toch meestal één punt in die opvoeding – de vorming voor het huwelijk, welke hem juist ten zegen zou kunnen worden in zijn verder leven. En zij ziet geheel voorbij dat zij daardoor zelf de kans op zijn toekomstig geluk verkleint.

Het is niet genoeg een braaf en achtenswaardig man te zijn; – brave en achtenswaardige mannen zijn dikwerf zeer onaangename echtgenooten. En evenmin is een goede zoon altijd een goede echtgenoot, en dat is alleen de schuld der moeder, die door hare opvoeding verzuimd heeft de voor een gelukkig huwelijk onmisbare hoedanigheden in haar zoon te kweeken.

Hoe worden de meeste jongens opgevoed? Omdat zij jongens zijn, worden zij boven hunne zusters voorgetrokken en aan hunne vorming wordt veel meer ten koste gelegd dan aan die hunner zusters, ja, die zusters moeten meermalen veel ontberen, om den broer een schijn van welvaart te geven in de kringen, waar hij verkeert.

Spreekt hij van zijne zusters met vlegelachtige lompheid als van ‘maar meisjes’, dat wordt niet zelden nog aardig gevonden ook.

Studeert het jongmensch, dan ‘kost hij veel geld’, en hij vindt het heel natuurlijk dat moeder en zuster om zijnentwil ontberingen dragen. In families, waar volstrekt geen geld te veel is, verteren de zonen het leeuwenaandeel. Zij leggen zich geen beperkingen op, zij geven menigen avond aan amusementen, die ‘bij hun stand passen’meer geld uit dan waarover een hunner zusters een maandlang te beschikken heeft, en terwijl de zusters hunne goedkoope japonnetjes zelf moeten naaien, acht de heer broeder zich te goed om losse manchetten te dragen en draagt daarvoor in plaats manchethemden, wier geregelde wassching alleen veel meer kost dan de kleedprijs der zusters kan beloopen in een jaar.

Tehuis spreekt het vanzelf dat de zusters hunne broeders bedienen, hun alles aanbrengen, voor hen heen en weer loopen, hunne kasten schoonhouden, in één woord hunne slavinnen zijn. ‘Daar zijn de vrouwen nu eenmaal voor.’

En menige moeder ziet rustig toe hoe de zoon, als hij toilet maakt of iets op te zoeken heeft, alles in de kamer van de plaats rukt en alles ondersteboven keert. ‘Net zijn papa!’ zucht zij dan.

Maar het komt niet in haar op deze gewoonte des vaders, waardoor zij toch dagelijks verdriet heeft, in den zoon te onderdrukken.

Over orde en netheid heeft de broeder zoo zijn eigen meening. Overal ligt zijne asch, zijne potloodsnippers, enz. ‘Om ze weer op te ruimen – daar zijn de vrouwen voor.’

En zoo gaat het in alles; galanterie voor huisgenooten is hem ten eenenmale vreemd. Ja, als het nu op een concert is of in een theetuin, dan moet hij – vis-à-vis het publiek – wel de gewone beleefdheden bewijzen, maar thuis stelt hij zich weer schadeloos voor deze moeite.

Dat bij ongesteldheid der moeders of zusters de zoon de noodige zorgen in acht zal nemen om hen zoo mogelijk niet te hinderen – dat moet ge niet denken.

De moeder zelf, die in haar eindelooze liefde en zelfverloochening tracht haar pijn nog te verbergen, en de zusters zijn in zijn oog maar ‘kleinzeerige sukkels,’ die al jammeren als een vinger zeer doet. Hij zal geen frisch glas water voor hen halen, geen drankje aanroeren, noch zich op andere manier nuttig maken. Da is een man onwaardig.

Een zóó opgevoede of eigenlijk niet opgevoede jonge man mag nu deugden bezitten – voor echtgenoot deugt hij niet. Als de wittebroodsweken voorbij zijn en de eerste geluksroes is verflauwd, dan wil de heer gemaal in zijn huis ‘op zijn gemak’ komen. Dat zijn vrouwtje hem dat tracht te geven, vindt hij vanzelfsprekend. Thuis was dat ook zoo. Al de kleine opmerkzaamheden, waarmede een man het hart eener vrouw zoo geheel inpakt, dat zij daarvoor groote gebreken vergeeft, vindt hij thuis onnoodig. Hij valt in al zijne gewoonten van het ouderlijk huis terug. Zijn egoïsme, dat een weinig was ingesluimerd, ontwaakt met nieuwe kracht. En het jonge vrouwtje, dat thuis met teederheid omringd was, gaat zich diep ongelukkig voelen als voor al hare liefdedienstjes, al haar kleine en groote attenties geen woord van waardeering schijnt te kunnen overschieten.

Is zij eens ziek, dan denkt hij er niet aan haar verlichting te verschaffen, maar voelt haar ziek-zijn als een beleediging van zijn persoon. En zoo ontstaan de mannen, die maar voor hun genoegen leven en geld uitgeven, zonder te vragen of vrouw en kinderen daardoor ook tekortkomen, mannen, voor wie het beste uit keuken en kelder wordt opgedragen en die aan niemand denken dan aan hun eigen Ik…. omdat ze dat nu eenmaal van jongs af gewoon zijn.

Daarom moet een moeder hen zóó opvoeden dat zij niet alleen knap en fatsoenlijk worden, maar ook beminnenswaard; – dat zij niet alleen liefde ontvangen willen, maar die ook geven; – dat ze niet alleen zullen zeggen hun vrouw lief te hebben, maar haar die liefde ook te toonen in allerlei kleinigheden; die warme koesterende liefde, waaraan iedere vrouw behoefte heeft als een bloem aan de zon.

Zonder haar kan het huwelijk wel goed zijn, o ja, zelfs voorbeeldig, maar het zonnige geluk ontbreekt, dat toch het beste nog is in den grauwen levensdag. En alleen een moeder kan dat aan een kind leeren. Egoisten worden gekweekt, niet geboren.

De zonen moeten van jongsaf zich gewennen hunnen huisgenooten aangenaam te zijn en de offers, die hun gebracht worden, moeten zij hoog waardeeren; dan zullen zij innig met hunne familie medeleven.

Een zóó opgevoede zoon wordt later ook een lieve, zorgzame en – – gelukkige echtgenoot. Want de bewering dat gelukkig maken eigenlijk gelukkig zijn is, geldt niet alleen voor de vrouw, maar ook voor den man. En in zeker opzicht zelfs nog meer voor den man dan voor de vrouw. Want een vrouw weet het hoog te schatten, wanneer haar echtgenoot dit ‘gelukkkigmaken’ verstaat; – en zij is hem daarvoor zóó dankbaar, dat hun huwelijksgeluk daardoor alleen reeds verzekerd is.

En gelukkig willen wij toch allen zijn, in de korte spanne tijds, die wij hebben te leven!

J. v. W.

Reacties uitgeschakeld voor Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Filed under Hoofdartikel

Over meisjeslectuur

[Hoofdartikel in De Hollandsche Lelie van 4 juni 1902]

In onzen tijd van veelschrijverij is ook het veel lezen een algemeene gewoonte geworden, die zich in alle rangen verbreidt. Het geschreven woord is een macht, die invloed uitoefent op ieder gebied, en ook beteekenisvol in het private leven ingrijpt. Radeloos staat ook de ijverige lezer tegenover den vloed van nieuwe en nieuwste lectuur, waaruit hij het meest lezenswaardige lezen wil, maar dikwijls genoeg legt hij een boek teleurgesteld terzijde.

De bekwame lezer zoekt niet alleen naar dat in zijne lectuur, wat zijne sympathie heeft, zij moet hem ook den spiegel van de tijdstroomingen geven. De lectuur wordt voor den volwassen m ensch, zoo niet altijd een rein genot, toch schenkt zij de kennis van het leven, al beschrijft zij ook zelfs maar een interessant feit, waardoor boeken aantrekkelijk worden en goed verkocht worden, die op het effekt geschreven zijn.

Een in China zeer geacht wijsgeer leert in zijne verhandeling Dschi-Dschi (Hoe men tot kennis komt): “Als iemand lezen wil, moet hij vooraf zijn geest en zijn gemoed in eene bedaarde stemming brengen, en dan eerst het boek opslaan. Wacht u den zin op het papier te zoeken; keer tot u zelven in en onderzoek zorgvuldig. De regel bij het lezen bestaat daarin, dat men trapsgewijze vordert, en alles goed overdenkt. Versta elk woord duidelijk; doorgrond de beteekenis van elken volzin. Ga niet tot den volgenden over als gij den voorafgaanden niet recht begrepen hebt. Maak de gedachten van den schrijver tot de uwe. Zit, terwijl gij leest, ion een betamelijke, waardige houding, alsof gij tegenover een levend wezen waart gezeten. Lees nooit met overhaasting, of los er overheen loopend; dan kan het onderwerp onmogelijk langzaam maar zeker in uw geest dringen. Wie bij het lezen als is ’t maar eene passage mist, leest zonder er waar nut van te hebben. Lees minder en denk meer over het gelezene na dan zal het onmerkbaar in uw geest wortel schieten.”

De beschaafden van alle volken hebben gestreefd naar de vrijheid van drukpers en een onschatbaar bezit is het recht der vrije gedachtenuiting geworden. Nog op één gebied is wat censuur gewenscht, namelijk op het gebied der jeugd, en vooral op het gebied van “jonge meisjesboeken”. Onder dezen naam zijn in de laatste tientallen jaren een menigte boeken uitgegeven en verheugen de uitgevers door een uitgebreide lezeressenkring.

Een goed boek is altijd welkom. Maar dikwijls zijn er in meisjesboeken armzalige heldinnen; zij zijn altijd mooi, altijd aanvallig, verknoeien haar tijd op de oppervlakkigste wijze, zijn desniettegenstaande de bedorven lievelingen van hare omgeving, tot zij een gelukkig huwelijk denken te sluiten en haar bloemenleven zoo voort te zetten.

Van den ernst des levens weten deze boekenheldinnen niets af, en wanneer eindelijk een schaduw op haar levenspad komt, zoo dient alleen maar als middel, om den zonneschijn nog stralender te maken.

De omstandigheden der beschreven families zijn altijd de meest aangename; men woont in het beste kwartier van een groote stad, in een villa of op een dorp in een slot; men kleedt zich steeds rijk of uitgezocht, en de middelen daartoe zijn altijd voorhanden. Daar is van ontbering geen sprake, alles wat het karakter staalt en vormt, ontbreekt in haar leven.

Ziet men nu jonge meisjes met schitterende oogen en gloeiende wangen zulke boeken verslinden, dan denkt men al spoedig dat deze belangstelling aan een betere zaak gewijd mocht zijn. Zij vergeten alles om zich heen, bij deze lectuur, die geen aansporing tot ernstigen arbeid bevatten, maar weerzin wekken tegen wat de fantasie beleedigt en die geen waar af beeldsel geven van het leven.

Deze ongunstige werking is nog meer te betreuren, wanneer evengoed een boek gelezen kon worden dat rein genot en innerlijken wasdom kweekte. Er sluimert in vele jonge harten een oceaan van geestdrift voor al wat groot en edel, waar en goed is, een enthousiasme dat aangemoedigd moet worden door auteurs, die voor jonge meisjes schrijven.

Meisjes hebben hooge idealen, en geven zich moeite om die na te streven. Daarom genoot men nog van de verhalen over de geestelijke helden der menschheid en deze idealen werkten menigmaal beslissend op het geheele leven. Maar in de generatie van onze dagen schijnt veel van die geestdrift verloren te zijn geraakt. Gewis draagt de lectuur aan deze levensopvatting veel schuld, maar het lezen van goede boeken kan de materialistische tijdstroomingen een tegengif bieden en nog heden kan in een jong gemoed een overvloed van prikkels ten goede rijzen uit de lectuur van een goed boek geboren.

Eerste druk 'De kleine Johannes', via www.jenneken.nl

Eerste druk ‘De kleine Johannes’, via www.jenneken.nl

Goede boeken voor jonge meisjes! er zijn er genoeg, die wij haar in handen kunnen geven. De wijde, wijde wereld en De gouden ladder van E. Wetherell, Alleen op de wereld van Hector Malot, De kleine Johannes van Fred. Van Eeden, alle werken van Miss Mulock, Een dochter Heths, van William Black, enz., boeken die het leven beschrijven zooals het is, en die aantoonen dat niet het materieele genot levensgeluk schenkt, dat de ziel boven het alledagsleven verheft. De idealistische richting in de jeugd te kweeken, moet een hoofdeisch zijn in de lectuur, nu materialistische en naturalistische lectuur aan de orde van den dag is. Het echte idealisme kan slechts door echte idealisten getuigd worden, zooals wij in onze voornaamste auteurs bezitten. Deze werken behoeven niet juist voor meisjes geschreven te zijn; want de jonge meisjes zullen toch eenmaal volwassen vrouwen zijn, die op eigen beenen staan en den levensweg wel vinden. Zoo moet men haar den blik verhelderen voor het leven, dat zij ook zelf te leven heeft en niet met overgroote angst verbergen wat het omvat.

Johanna van Woude

Reacties uitgeschakeld voor Over meisjeslectuur

Filed under Hoofdartikel

Nieuw jaar, wat zult ge mij brengen?

Het hoofdartikel in De Hollandsche Lelie van 2 januari 1901 is getiteld ‘Onbeschreven bladen’.

“En daar staan wij u allen weer aan den ingang van een nieuw jaar en door duizenden vrouwen- en meisjesharten ruischt de angstige, maar zeer natuurlijke vraag: ‘Nieuw jaar, wat zult ge mij brengen?’ Wij, die zoo haastig en gedachteloos voortleefden, als zou er nooit een einde komen aan ons wereldsch bestaan, het is ons nu als hoorden we een zachte stem ons waarschuwend toefluisteren: ‘Halt!’

En die stem, wij verstaan haar; wij weten dat zij zeggen wil: ‘Hier is een mijlpaal op uw levensweg; zie nu terug en zie vooruit. Zie terug wie gij waart in de onherroepelijk voorbijgegane jaren en vraag u af wie gij zijn zult in het nieuwe jaar. Het ligt nog vóór u als een boek met onbeschreven bladen, driehonderd vijf en zestig in aantal, en bij een volgenden nieuwjaarsdag zullen die bladen getuigen van uwe goede en kwade daden – en even onherroepelijk als nu zal de engel van goed en kwaad dan uw boek afsluiten.

De nieuwjaarsdag onderscheidt zich in niets van de voorgaande of volgende dagen; hij is even donker, even koud, even kort, en de cynicus of onverschillige zal er niets bijzonders in willen zien; maar voor de vrouw, die naar zelfveredeling streeft, is hij een dag van beteekenis – een nieuw begin.

Men kan tegenwoordig de vrouwen en meisjes in twee rubrieken verdeelen: zij, die binnenshuis een taak hebben en zij, die buitenshuis een taak hebben, en terugdenkend aan het nu gesloten jaarboek weten zij wellicht daarin donkere bladen, die ze er gaarne zouden uitlichten. Gij, aan wie binnenshuis een plaats werd aangewezen, voelt uwe oogen vochtig worden in de stilheid van den nacht, als ge u herinnert die scherpe woorden, in drift tegen uw goed moedertje geuit, die toch in alles uw weg tracht te effenen, of als ge u herinnert die daad, – ge weet wel: die misleiding van uw vertrouwenden vader. Of ge hebt de stemming verstoord in huis door onvriendelijkheid jegens broers en zusters of brommigheid tegen de ‘kleinen’, en hebt al de huisgenooten een geheel jaar lang tegen u verbitterd…

Maar zie toch, in het nieuwe boek zijn de bladen nog blank, en de pen is in uwe eigen hand. De engel van het goede reikt het u over met een glimlach zóó weemoedig, dat al wat aan goeden wil in u is, opvlamt en uwe ziel vervult van heilige voornemens. Driehonderd vijf en zestig bladen, die ge beschrijven moogt – als ge ernstig streeft, de volgende altijd beter dan de vorige.

Hebt ge daarentegen buitenshuis uw werkkring en komt ge niet vooruit, voelt ge u achtergesteld bij anderen en is het laatste jaar vol tegenspoed geweest, wel, geef den moed niet op. In welke omstandigheden ook geplaatst, hoe ontevreden ook over uzelf en het leven – – bedenk dat nu de bladzijden weer wit voor u liggen….

Gord u allereerst met goeden moed, met hoop. Een kind bekrabbelt veel wit papier eer het schrijven kan; de kunstenaar bederft menig stuk doek, eer hij iets schildert, dat gezien mag worden. Maar ondervinding krijgend, leert men beter doen. Vergeet dus de teleurstellingen en ontmoedigingen. Gebrek aan moed en hoop is een keten aan onzen voet, onze bewegingen vertragend, terwijl daarentegen de blijde hoop alle ketenen breekt, vrij maakt en alle belemmeringen omtovert in vleugelen.

Het tweede wapen, waarmede gij u omgorden moet, is ijver, plezier in uw werk. Behoor niet tot de lieden, die telkens op de klok zien of de werktijd nog niet om is. Zulken hebben geen hart voor hun werk en ze komen nooit vooruit. Dan geven ze hunne patroons de schuld. ‘Er is geen promotie,’ klagen zij. Maar zijn zij voor de promotie voorbereid? Neen, zij zijn alleen voor eigen postje bekwaam, en een wél voorbereide neemt de open plaats in. Voorbereiding is alles, zij opent de poorten van de kans, die op den levensweg overal nu en dan opengaan. Laat de nieuwjaarsdag u het sein geven tot verovering in uwe ledige uren van diploma’s, die uw voorspraak kunnen worden bij het opengaan der poorten van de kans en gij zult rijke vruchten oogsten van dien arbeid.

Een derde onmisbare eisch voor succes is in de maatschappelijke wereld: karakter. De eenige weg, die naar boven leidt, is de goede weg, zonder soliditeit baat u zelfs geen schitterend genie. Zoek daarom den grooten, onbekenden Geest, die het goede van u vraagt en gij zult u voortgeholpen voelen. Het zijn altijd de achting en sympathie van machtigen die beginners voorthelpen.

En de laatste raad is ook toepasselijk op het meisje, dat binnenshuis hare levenstaak te vervullen heeft. Laat zij toch vooral niet denken: ‘Och, ik ben nu eenmaal zoo; er is niets aan te veranderen.’ Als zij ernstig den goeden weg zoekt, voelt zij door onzichtbare hand er zich henenvoeren.

Een welbekend redenaar gaf in dien geest de volgende gelijkenis: Eens groeide er een wilde rozenstruik in een greppel, en er kwam een gaardenier met zijne spade en groef de wilde roos uit. En de wilde roos dacht: ‘Wat doet hij nu? Ziet hij dan niet dat ik waardeloos ben?’ Maar de gaardenier nam den struik mee naar zijne gaarde en plantte hem tusschen zijne andere rozen. ‘Hoe dwaas toch,’ dacht de wilde roos, ‘om  mij tusschen die prachtige rozen te plaatsen!’ Maar de gaardenier kwam op zekeren dag met een scherpgeslepen oculeermes, en entte de wilde roos met een echten rozentak. En toen de zomer kwam bloeiden liefelijke rozen uit zijne takken. En de gaardenier zeide: ‘Niet uit eigen kracht is uwe schoonheid gesproten, maar uit de kracht die ik u gaf.’ Als gij die kracht zoekt, gij meisjes en jonge vrouwen, die gevoelt te falen, binnen-  of buitenshuis, zult gij een waardig en goed leven leiden en alle harten winnen, en gij zult uwe omgeving ten zegen zijn.

Zie, de bladen liggen nog onbeschreven en de pen is in uwe eigene hand.”

Reacties uitgeschakeld voor Nieuw jaar, wat zult ge mij brengen?

Filed under Hoofdartikel

De overwinning is behaald!

Het hoofdartikel van redactrice Johanna van Woude in De Hollandsche Lelie van 7 februari 1900 heeft als titel ‘De moderne vrouw’ en begint als volgt: “Neen, schrik niet van dien titel….. De tijd is gelukkig voorbij, toen de moderne vrouw een wanklank scheen in de onderworpen vrouwenwereld . De moderne vrouw is geen duivelin, zooals men eerst meende, evenmin een zottin, zooals anderen zeiden, noch een halve man, zooals men beweerde dat zij moest zijn, al trad wel hier of daar eens een enkele wat onvrouwelijk of dwaas of al te heftig op.

De moderne vrouw is een hoogst achtenswaardig wezen gebleken, dat, een vergeten rups gelijk, zich loswikkelend uit het rag van conventie, opsteeg als een schoone vlinder, hoog in het wijde luchtruim; en de moderne man kan zich niet meer over haar vroolijk maken, noch haar in couranten en tijdschriften ten toon stellen, zonder zijn eigen inferioriteit te verraden en zijn ten-achter-blijven bij zijn tijd.”

Verderop in het artikel schrijft zij: “De Hollandsche vrouw heeft een kennelijk gevoel van eigenwaarde, en de tijden zijn voorbij toen zij maar een man het jawoord gaf om ‘onder dak’ te zullen zijn bij het overlijden harer ouders. Wie heeft ze niet gekend, de arme teervoelende meisjes uit groote gezinnen, die al hare illusies offerend ter wille van vaders zorgen, hare hand reikten aan een bekenden losbol, die nu eindelijk maar trouwen zou, of aan drinkers en halve idioten uit het zich boven de vrouw voelende mannengeslacht! […]

Neen, te huwen om ‘onder dak’ te zijn, is voor de hedendaagsche vrouw onnoodig; dat was het noodlot der onbemiddelde vrouw van voor vijf en twintig jaren. Als de schooltijd was afgeloopen wachten op een man. Geen of weinig bezigheid, voor het venster zitten en in het spionnetje gluren, een doelloos handwerkje, veel uitgaan; maar geen levensdoel, geen prikkel om met lust uit bed te springen voor den komenden dag, geen reden om bij het slapen gaan te verlangen naar den komenden morgen. Geen fier bewustzijn van zich nuttig weten, maar, als de man niet kwam, in heerengezelschap gekkelijk opgewonden zich aanstellend, dan een spot voor jongeren en een doktersmelkkoetje, om het leven te eindigen in gezelschap van kanarievogels en poesen. […]

En nu zien wij ze gaan door de straten der steden en over de wegen der dorpen met rustigen tred en geheven hoofde, de moderne vrouwen. […] En ze gaan in grote drommen, de werkende en hervormende vrouwen, met gelukkigen glimlach en rijk gevoel van voldaanheid over het leven en zichzelf. Haar ingeschapen teederheid siert haar als doktores en ziekenverpleegster aan de bedden der kranken; – in verre landen zien wij hare scherpzinnigheid haar als rechtsgeleerde te stade komen. Wij zien hen optreden als leeraressen, ook aan Universiteiten, als bijenkweeksters en als hoofden van boerderijen; – zij jagen de machines in de telegraafkantoren en hunne stemmen roepen door de telefoonbuizen; – hunne teere vingers tikken op de schrijfmachines en voeren de stenografische pen; zij zijn achter de toonbanken en in de journalistiek; in de orchesten der concertzalen en in de rijen der componisten; in photografie, schilder- en beeldhouwkunst, zoowel als in letterkunde als op het tooneel. En toch zijn er nog altijd vrouwen in overvloed die potje koken en vloeren aanvegen, of waardig hare mooie plaats als huismoeder innemen, en het hart van de ‘moderne vrouw’ is niet kouder dan het hart van de kokende en vegende vrouw of der huismoeder. Waar is het woord ‘emancipatie’ gebleven, dat men spottend uitsprak? … Alweer in onbruik geraakt. Men spreekt nu nog alleen met zeker ontzag over ‘de moderne vrouw’.

Een vrouwenhart blijft een vrouwenhart voor het fornuis of achter den lessenaar, in de dokterskoets of gebogen over een te mazen kous. Geen wijze van broodverdienen zal ooit hare vrouwelijkheid benadeelen, of hare eigenaardige bekoorlijkheid schaden; en in alle omstandigheden kan zij kinderen aan haar warm hart drukken en tranen storten over den dwalenden man.”

Van Woude eindigt bepaald juichend: “Gij, moderne vrouwen, gij wegbaansters voor duizenden uwer jongere zusters, wij danken u voor uw moed en rustige volharding, en denkende aan den strijd door u gestreden, wordt ons oog vochtig, als wij u rustig zien gaan door den menschenwereld. Maar de overwinning is behaald!”

 

Reacties uitgeschakeld voor De overwinning is behaald!

Filed under Hoofdartikel