Tag Archives: etiquette

Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

[In De Hollandsche Lelie d.d. 5 en 12 december 1900]

St Nicolaas, kerstmis, oud- en nieuwjaarsdag, wat al feestdagen in ’t verschiet! “Haast te veel” hoorde ik eens iemand zeggen: “men kan wel aan ’t cadeautjes geven blijven.”

Nu als men er zóó over denkt, ware ’t beter die dagen maar ongemerkt te laten voorbij gaan Men geve een cadeau van harte, of men geve ’t niet. Gedwongen geven is, voor ontvanger zoowel als schenker, hoogst onaangenaam. Men voelt als bij intuïtie of ’t geschenk gaarne gegeven is of niet. Een cadeautje achteloos ingepakt, verzonden van den winkel dadelijk naar uw huis, wees er van verzekerd, dat ge ’t krijgt, enfin, omdat ‘t moet, omdat de gever vriendschap van u heeft genoten, die hij op een andere wijze niet reciproceeren kan, of omdat ge hem met ’t een of ander zijt van dienst geweest, ja, de woorden bij ’t koopen geuit: “’t Convenieert me niet, maar ik kan er niet buiten!” zoudt ge er haast wel bij kunnen denken.

Maar een presentje, dat van harte gegund is, men kan het herkennen bij den eersten oogopslag aan de bijzondere zorg waarmede ’t gekozen is, en de onberispelijke wijze waarop ’t is ingepakt.

Pak uw cadeautje altijd zorgvuldig in, doe het in een doos, of wikkel het in twee of meer papieren; moet het over de post, doe er dan een extra lakje en een dubbel touwtje om. In de drukke feestdagen hebben de pakketten altijd meer te lijden dan anders, en een beschadigd cadeau bezorgt den ontvanger grooter teleurstelling dan genoegen.

Vergeet ook nooit uw pakje te frankeeren, en den prijs van uw cadeau te verwijderen of uit te wisschen, ge zoudt u aan een groote onhandigheid schuldig maken, indien ge dit naliet.

Krijgt ge op den avond zelf een cadeau van iemand, van wien ge niets verwacht, en wien ge ook niets hebt gezonden, stuur dan niet dadelijk een geschenk terug, dit zou niet heel kiesch zijn. Stel voorop, dat het voor den zender een genoegen was u het cadeau te zenden, en dat het dus voor hem grievend wezen moet onmiddellijk iets terug te krijgen.

Hoe klein en leelijk een cadeau ook moge wezen, men moet toonen er dankbaar voor te zijn; blijdschap huichelen voor een ding, dat u hoogst onwelkom is behoeft natuurlijk niet, maar de goede bedoeling moet in ieder geval geapprecieerd worden.

Heeft men iemand verleden jaar op St. Nicolaasavond een cadeau gezonden, dan is het volstrekt onnoodig het dit jaar weer te doen. Sommige menschen nemen dit op als een drukkende verplichting, en geven elk jaar maar weer, alleen, omdat men ’t eenmaal begonnen is. Maar dat is een dwaasheid; een St. Nicolaasattentie bindt tot niets, men geeft, omdat men er lust in heeft, en een volgend jaar als men er minder toe gestemd, en de beurs niet zoo ruim is voorzien als ’t vorige, welnu, dan geeft men niet. Het wordt helaas maar al te dikwijls uit ’t oog verloren, dat een cadeau altijd een verrassing blijven moet, en dat men ’t nimmer mag verwachten.

Het behoeft natuurlijk geen betoog, dat men een pas ontvangen cadeau niet dadelijk weer aan een ander present geeft. In den beperkten kring uwer kennissen kan de geefster allicht te weten komen, hoe ge met haar cadeau gehandeld hebt, en dit weggeven moet haar een grievend bewijs zijn, dat haar geschenk u niet welkom was.

Alvorens een cadeau te kopen, ga men te rade met den smaak, den aard en de omstandigheden van den persoon aan wien men iets wil zenden. Iemand die niet van lezen houdt; zende men geen boeken; een jonge dame, die van nature ernstig en stemmig is, beglückt men niet met prullaria, waaraan zij niets heeft; en een huisgezin, dat slechts met grote moeite kan rond komen, verrasse men niet met voorwerpen van groote luxe, die het ten eerste niet gebruiken kan, en die ten tweede in de bescheiden huishouding niet op hun plaats zijn.

Indien men op St Nicolaasavond cadeaux ontvangt, waarvan men te vergeefs den gever zoekt, dan mag men dezen en genen niet zoo maar op den man af vragen: “Hebt u me dat gezonden?” of “Mag ik u daarvoor bedanken?” De persoon in quaestie kan aan ’t zenden van het cadeau volmaakt onschuldig zijn en dan zou bij hem natuurlijk ’t vermoeden opkomen dat ge van hem iets had verwacht. Tracht dus langs een omweg te weten te komen, wie u op zoo vriendelijke wijze heeft verrast, en zijt ge hiervan zeker op de hoogte, dan kunt ge gerust bedanken, eerder niet.

—-

Cadeaux van onbekende gevers, sieraden bijv. drage men liever niet, daar er aan ’t dragen van een cadeau soms grooter waarde wordt gehecht, dan de draagster aangenaam kan zijn. Om maar eens een voorbeeld te noemen; Een jonge dame ontvangt op St. Nicolaasavond een gouden armband. Ze vindt den bracelet mooi, en draagt hem zonder te weten, wie haar de verrassing bereidde, eveneens zonder te vermoeden, dat ’t geven van een gouden bracelet een declaratie inhoudt, en dat ’t dragen daarvan een bevestiging van de te komen vraag beduidt.

Maar al is ’t cadeau ook zonder eenige bedoeling, en alleen uit vriendelijkheid gezonden, toch is ’t beter met dragen te wachten, tot men den gever kent, en men voor de attentie heeft kunnen bedanken.

Ook is het niet aan te raden lekkernijen, die men ontvangt, en waaraan men twijfelt of ze wel aan het juiste adres bezorgd zijn, dadelijk te verorberen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de loopjongens in de ontzettende drukte de letters, taart, borstplaat, bonbons of wat ’t ook wezen mag, verkeerd afgeven, bijv. op No. 20 in plaats van op 21; in de Bankastraat in plaats van in de Bakjanstraat enz. enz., zulke vergissingen zijn mogelijk en gebeuren telkens, zie daarom goed toe, of uw adres gevoegd is bij de verrassing, en zoo niet, wacht dan liever een paar dagen, of informeer eens bij den banketbakker voor wie ’t cadeau eigenlijk bestemd is.

Om niet van “avances maken” beschuldigd te worden, zendt een jonge dame op St. Nicolaasavond nooit een cadeau aan een ongehuwd heer; behoort de heer echter tot de familie, of tot de zeer intieme kennissen, dan mag men verwachten, dat er achter ’t zenden van een cadeautje niets bijzonders wordt gezocht.

Zendt een heer aan een jonge dame een bouquet met bijvoeging van zijn kaartje, dan kan het jonge meisje volstaan met het terugzenden van een kaartje, waarop een paar vriendelijke woorden, of met een kort briefje in den derden persoon, bijv.: Mejuffrouw Van Rhenen dankt den Heer Ten Oever zeer voor de mooie bloemen, die hij haar gezonden heeft, of voor de vriendelijke attentie, die hij haar heeft bewezen, enz. enz.

Is de bouquet echter gezonden als herinnering aan den souperdans, dien men vooruit reeds heeft afgesproken, dan dankt de jonge dame den gever onmiddellijk, als hij haar op ’t bal komt aanspreken.

Het vieren van Kerstmis is in ons land nog niet zoo algemeen in zwang als in Duitschland en Engeland, toch zijn er reeds veel families, die in kleinen kring St. Nicolaas houden, en voor den kerstboom invitaties aan de goede kennissen rondsturen.

Men kan de cadeaux dan reeds een dag van te voren zenden met een beleefd verzoek aan de gastvrouw ze onder, of aan den boom een plaats te willen geven.

Nieuwjaarsdag, le jour des étrennes, viert men in Frankrijk en België. De dames blijven dan meest thuis van 1 tot en met 6 of 7 Januari om de gelukwenschen en cadeaux (meest in den vorm van bloemen en bonbons) van vrienden en kennissen in ontvangst te nemen.

Huwelijkscadeaux zende men een dag vóor de receptie of veertien dagen voor ’t trouwen, de geschenken moeten voorzien zijn van een naamkaartje of begeleidend briefje. De bruid dankt dan hare kennissen schriftelijk voor de bewezen attentie, de bruigom doet dit aan zijne vrienden; op de receptie vergeten zij echter geen van beiden de gevers nog eens hun erkentelijkheid te betuigen.

Het tentoonstellen van bruids- of verjaarscadeaux raakt reeds meer en meer in onbruik; men moge de geschenken laten zien in intiemen kring, maar de lange reeks tafels met kostbare cadeaux, die aan een winkeluitstelling doen denken, ziet men nog maar heel zelden. Gelukkig voor haar, die zich met ’t geven van een bescheiden cadeau moet tevreden stellen, en die alzoo de teleurstelling bespaard wordt haar cadeautje door de groote luxe-voorwerpen geheel overschaduwd te zien.

Sylvia Regina. Den Haag, 30 nov. 1900

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

Filed under Vormen

Op en om de Tennisbaan

[Rubriek ‘Vormen’, De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901]

Nu de lentezon de boomen knoppen en groenen doet en de haast zomersche hitte jong en oud naar buiten lokt, worden de tennisbanen aan Witte Brug en Bataafsche Boer wederom druk bezocht.

Als kleurige vlinders in hun luchtige voorjaarscostuums komen de clubgenooten in grooten getale neerstrijken op de grijze asphalt tennisbanen, die wijd te blikkeren liggen in ’t fel gouden zonnelicht, en al moge voor menig oudere in jaren dit vermoeiende spel in dien schroeienden zonnegloed weinig aantrekkelijks hebben, toch wordt ’t jaar in jaar uit door heeren, zoowel als dames, met groote animo gespeeld, ten eerste omdat ’t gezond en opwekkend, en bovenal omdat men er zoo heerlijk vrij bij is.

Zondags al vroeg in den morgen (in de week meest na 2 uur in den middag) ziet men in de meeste hoofdstraten der residentie de jongelui te zamen komen om en club naar de tennisbaan te gaan. Enkele bevoorrechte jonge dames worden al vroeg door adorateurs aan de huisdeur afgehaald. Vroeger zouden de meeste moeders over dit ongehoord voorbijzien van de etiquette al spoedig afkeurend de hoofden bijeensteken, maar de vrijheid van ’t lawntennisspel heeft ook dit mogelijk gemaakt. Niemand, zelfs de strengste niet, zal er nu aanmerking op maken als een jong paar gewapend met hun tennisrackets, zonder escorte van Moeder of Tante naar de tennisbaan wandelt. Niemand? Neen zeker niemand, mits ’t jonge paar zich bedaard en fatsoenlijk gedraagt, en niet lachend en schaterend van pret met verhit gelaat en verwarde haren door de straten gaat.

Ik heb er vele zóo gezien, ’t jonge meisje opgewonden met zwaaiende, druk gebarende armen, de jonge man nevens haar den hoed onachtzaam op ’t achterhoofd, de racket dansend in de handen, luide pratend, alsof elk der voorbijgangers in ’t bijzonder zijn woorden hooren moest.

Er is wel een verontschuldiging te vinden voor deze opgewonden stemming, immers een heelen middag zijn in de buitenlucht, de animo van ’t spel de prettige verhouding der jongelui onderling, alles werkt mee tot meerdere vroolijkheid, tot een zeker sans gêne, dat al spoedig tot luidruchtigheid overslaat; toch ben ik er van overtuigd, dat zij, die ook maar een weinig hechten aan ’t oordeel van de wereld, zullen trachten hun opgewondenheid in de stad ten minste eenigszins te kalmeeren.

Om twee uur in den namiddag, uiterlijk halfdrie, zijn de spelen meest in vollen gang. Binnen de afgesloten ruimte ziet men ’t gefladder van zachte kleuren; jonge meisjes in lichte, eenvoudige toiletjes, (ook wel in gladden rok met blouse van batist) de jongelui in wit flanellen sportcostuum, bewegen zich vrij door elkaar, overal licht, vroolijkheid en beweging.

Gewoonlijk ziet men achterin ’t tentje, half verscholen door ’t beschermend rood en wit gestreepte zeil, een jong paar zitten, druk pratend, de hoofden dicht naar elkander toegebogen, nauwelijks lettend op ’t spelen en praten der anderen. Een jong verloofd paar! denkt ge? Mis, die groote vertrouwelijkheid, dat geheel opgaan in elkander, zou u dit allicht doen vermoeden, toch vergist ge u. ’t Is waar, hij komt haar elken dag halen, hij brengt haar telkenmale weer naar huis terug, op de club heeft hij slechts oogen voor háar, en toch, na afloop van het zomerseizoen staan de jongelui tegenover elkander nog even ver als in ’t begin. Flirt was ‘t, niets anders dan flirtation.

Flirtation wordt des zomers op de tennisbaan beoefend met een ijver en een opgewektheid, alsof er nooit aan dit gevaarlijk spel een einde komen kon, en toch, zelden komen beide partijen ongedeerd weer uit den strijd terug. Of ’t jonge mensch doet een huwelijksaanzoek, dat afwijzend wordt beantwoord, òf de jonge dame verwacht een vraag, die haar nimmer wordt gedaan, teleurstelling is er immer ’t einde van.

Als een jong meisje geenerlei bedoeling heeft ten opzichte van wien ook, doet zij wèl zich niet telkens door ’t zelfde jongemensch te laten halen en thuis brengen. Er zijn zooveel uitvluchten, die zij bedenken kan, zonder den persoon in quaestie te grieven. Den eenen keer heeft zij bijv. een afspraak gemaakt met juffrouw die of die, en als hij dien stillen wenk niet mocht begrijpen, en tóch komt om haar af te halen, kan zij met de anderen op een rij gaan loopen, ’t zooveel mogelijk vermijdend met hem vooruit te gaan. Een ander maal, indien hij vooraf geen vergunning heeft gevraagd, zorgt zij er voor wat vroeg op pad te gaan, zoodat ’t jonge mensch haar bij zijn aankomst reeds vertrokken vindt enz. enz.

Is ’t jonge mensch haar echter niet onverschillig, en vindt zij zijne beleefdheden heel aangenaam, laat zij hem dan niet toonen, dat zij er blij of gestreeld mee is, en laat zij achter deze attenties vooral niet meer zoeken, dan er achter te zoeken is.

Op veel tennisclubs is ’t een gewoonte geworden elkander bij den naam te noemen. Of dit overeenkomt met ’t verlangen van al de jongelui, ’t komt er niet opaan, ’t is nu eenmaal een gebruik, en die er zich aan onttrekt wordt stijf en preutsch genoemd. Ik wil gelooven dat een verlegen jong meisje ’t lang niet aangenaam vindt een jong mensch, dat zij ternauwernood drie à vier maal heeft ontmoet, onmiddellijk bij den naam te noemen, ’t is daarom verkieselijker een elk hierin vrij te laten, en geenerlei pressie hoegenaamd op iemand uit te oefenen.

Sommige meisjes hebben de gewoonte na afloop, of tusschen ’t spel door, hun dorst te gaan lesschen met thee of limonade, ’t eene kopje thee, ’t eene glas na ’t andere, zonder er bij te denken, dat veel drinken de maag overlaadt, en dat de temperatuur van ’t lichaam in plaats van te verminderen er integendeel zeer door wordt verhoogd.

“In een groote club zijn altijd clubjes,” hoorde ik eens iemand beweren, en dat is helaas maar al te waar; die sluit zich aan bij die, en die weer bij die, dat is jammer, ’t genoegen van ’t spel wordt er niet grooter om. Ik voor mij ben er van overtuigd, dat clubs die nú niet langer, dan éen seizoen kunnen bestaan, heel wat langer zouden leven, als er wat minder gecritiseerd, wat meer gewaardeerd en over ’t algemeen wat meer gegeven en genomen werd.

Den Haag, Mei 1901.

SYLVIA REGINA

Een tennisgezelschap van dames en heren, Nederland 1911 (Geheugen van Nederland, Spaarnestad Photo)

Een tennisgezelschap van dames en heren, Nederland 1911 (Geheugen van Nederland, Spaarnestad Photo)

Suzanne Lenglen, tennissspeelster uit Frankrijk, begin twintigste eeuw

Suzanne Lenglen, tennissspeelster uit Frankrijk, begin twintigste eeuw. Naar haar is de trofee van het vrouwentournooi van Roland Garros genoemd en een tennisbaan op Roland Garros heet Court Suzanne-Lenglen.

Reacties uitgeschakeld voor Op en om de Tennisbaan

Filed under Vormen

Dameshoeden in de schouwburg

In een serie artikelen ‘Uit de hoofdstad’ schetst Johan de Waard het dagelijks leven in Amsterdam. Zijn bijdrage in De Hollandsche Lelie van 6 januari 1897 sluit hij af met een oproep:

“Ik heb een beleefd verzoek aan mijn vrouwelijke stadgenooten en dat is of zij zoo vriendelijk willen zijn op de stallesplaatsen in de schouwburgen de hoeden af te zetten.

Vele collega’s en ook ik zelf hebben er menigmaal in de krant op gewezen, doch de dames schijnen op dat punt niet te willen medewerken.

In den Stadsschouwburg is het ten langen leste verplichtend gesteld, doch komt men bij Prot of Van Lier of in den Hollandschen Schouwburg, dan zitten bijna alle dames met de vrije-uitzicht-belemmerende hoofddeksels op.

Ik neem nu maar de vrijmoedigheid mij rechtstreeks in uw eigen orgaan tot u te wenden, want och, als uw wist hoe vervelend en lastig het is wanneer men naar links en rechts moet buiten, bijwijlen even opstaan, om te zien wat er op het tooneel gebeurt, dan zoudt ge u deze kleine opoffering voor anderen wel willen getroosten.

Stel het geval, dat de heeren met hunne hooge hoeden op bleven zitten! Een storm van verontwaardiging zou losbarsten van uwe zijde en terecht.

’t Schijnt, dat die dameshoeden tegenwoordig hoe langer hoe grooter worden en de veeren en andere versierselen hiermede gelijken tred houden.

’t Is verschrikkelijk!”

Amsterdam, 14/XII. ’96.  Johan de Waard.

Zie voor meer etiquette in de schouwburg: http://www.dehollandschelelie.nl/uncategorized/etiquette-in-de-schouwburg/

En over de hoedenmode rond 1900: http://www.dehollandschelelie.nl/kleding-2/dameshoeden/.

Reacties uitgeschakeld voor Dameshoeden in de schouwburg

Filed under Dagelijksleven

Etiquette: op reis

[De Hollandsche Lelie van 26 augustus 1896, in de rubriek ‘Vormen’]

Reizen! Wèl is het “een kostelijk deel des korten levens waard!”

Het verheft boven het kleingeestige, alledaagsche, het verruimt den blik, beschaaft den geest, veredelt hart en gemoed!

Als wij oogen hebben om te zien, en bovenal een gemoed vatbaar voor nieuwe indrukken, dan is het een heerlijk, een rein genot.

Mogen velen onder u tot de gelukkigen behooren die thans de koffers pakken om, ver van stadsgedruisch, in een of ander bekoorlijk hoekje van onze wonderschoone aarde ontspanning en rust te zoeken.

Onder veel goeds en schoons heeft onze eeuw aan jonge vrouwen en meisjes vrijheid gegeven zich onder mannelijk geleide op reis te begeven. Wel zullen onze grootmoeders, en moeders misschien ook nog, hare eerwaardige hoofden schudden en het zéér ongepast vinden, dat jonge meisjes tegenwoordig maar zoo alleen, of slechts in gezelschap van elkaar door de wereld zwerven, maar het “men” in het algemeen breekt er gelukkig niet meer den staf over.

Laten wij er voor waken dat dit zoo blijft.

Iedere vrouw moest bedenken, dat, hoe vrijgevochten zij ook is, hoe weinig zij ook moge gegeven om kleingeestig gebabbel, zij aan haar “vrouw-zijn” verplicht is, zich bescheiden, waardig en vrouwelijk te gedragen. Haar onvrouwelijke gebaren, luide stem, joviale kout met iedereen, moge haar zelve niet schaden, de vrouw in het algemeen zal den noodlottigen invloed daarvan gevoelen.

Menig man legt in zijn optreden tegenover een vreemde vrouw, getuigenis af van het moreel en intellectueel peil waarop de vrouw uit zijn naaste omgeving staat.

Ieder van ons bedenke dus, dat mogen wij in de oogen van ouderwetsche menschen geémancipeerd zijn onze handelingen niets behoeven te verliezen van het echt-vrouwelijke, zachte, dat zoo bekoorlijk is in iedere vrouw.

Gaan wij in den vreemde, dan verliezen wij de bescherming, die wij in onze woonplaats genoten door onzen goed klinkenden naam, den stand of de positie die wij daar bekleeden.

Op reis zijn wij slechts een atoom in het groot maatschappelijk gedwarrel.

Dáár zullen een beschaafde, welluidende stem, rustige, bevallige allures, een eenvoudig, smaakvol toilet de beste beschermers zijn.

Sommige dames zijn van meening dat een oude japon voor de reis op spoor en boot goed genoeg is. Anderen daarentegen denken dat zij heel chic en bereisd schijnen, als zij zich dossen in een excentriek reistoilet met korten rok, dikgezoolde laarzen, alsof zij onmiddellijk een berg moeten bestijgen.

Beiden dwalen.

Een oude japon, veelal eenigen tijd achter de mode, staat slordig en is soms belachelijk.

In een spoorwegcoupé, waar men dikwijls uren achtereen met hetzelfde gezelschap vertoeft, vallen allerlei onvolkomenheden in uw kleeding veel meer in het oog, dan ergens anders.

Kies voor uw reiskleeren duurzame, donkere stof, die een flinke regenbui kan doorstaan. Laarsjes en handschoenen dienen van de beste qualiteit te zijn. Deze goedkoop te nemen is, op reis zeer zeker, een économie aux bouts de chandelle. Maak uw bagage zoo beknopt mogelijk; voor u zelve is het een gemak en voor uw beurs een niet te versmaden voordeel.

Gaat gij voor langen tijd dan kunt gij niet buiten een koffer, maar vermijd zooveel mgoelijk kleine pakjes, hoedendoosjes enz. Het meeste gerief zult gij hebben van een plaid-rol die, behalve het voordeel dat zij licht is en veel kan pakken, ook nog als sluimerrol of kussen dienst doen.

Aan douane-stations maakt zij uw koffers open eer men er u om vraagt; hierdoor voorkomt men gewoonlijk het onbescheiden rondwoelen, dat in één oogenblik de keurige orde, die zooveel hoofdbrekens kostte, doet veranderen in een jammerlijken chaos.

Maak uw reisplan op vóór uw vertrek, en dus val niet in de fout van zooveel dames die nooit precies weten te zeggen waar zij heen gaan en van uren van aankomst en vertrek niet de minste “Ahnung” hebben. Och wij kennen ze allen, die aan de stations als radelooze vogeltjes rondfladderende schepseltjes; iedereen, beambten en reizigers klampen zij aan; ontvangen veel aanwijzingen, veel goeden raad en komen ten slotte nog dáár aan waar zij geen plan hadden te gaan. Die hulpeloosheid, dat altijd te laat komen, doet juist het schouderophalend oordeel ontstaan dat sommige heeren zoo gaarne over zusters vellen.

Passagiers stappen op het station van Bussum in een tweede-klasserijtuig (via jenneken.nl)

Op het station van Bussum (via jenneken.nl)

Echte beschaving, die haar oorsprong vindt in lieftalligheid en zachtheid van gemoed, doet zich, vooral op reis zoo spoedig kennen in uw hulpvaardigheid, in den tact waarmee gij bescheiden weet te zijn zonder beschroomdheid.

Zie niet van uw gemakkelijk hoekje uit de hoogte neer op iemand beladen met pakjes en doozen en dikwijls nog met de zorg voor een paar kinderen, die uit zenuwachtigheid niet weet, wat zij het eerst in veiligheid zal brengen. Reik haar liever de behulpzame hand, en plaats, jong, vlug en bereisd als gij zijt, haar bagage in het net, zoo dat het de hoofden der medepassagiers niet in gevaar brengt. Reist ge met eenvoudige, minder beschaafde menschen, die u, in hun naïveteit, allerlei verhalen doen, och, verschuil u dan niet achter uw boek, of zie de stakkers niet aan met één uwer verstijvende blikken, dáármee toont gij uw meerderheid niet. Wel behoort gij voorzichtig te zijn in het maken van kennis, in het voeren van gesprekken, of het wisselen van kaartjes.

Een elegant toilet, beschaafde manieren en het reizen eerste klasse zijn geen voldoende waarborg.

Neem nooit op reis, nog minder bij een lang verblijf op een badplaats, beleefdheden aan van menschen die gij niet kent, en waarmee gij in uw woonplaats zeer waarschijnlijk niet zoudt willen omgaan. Het kan tot groote onaangenaamheden leiden. Het is voor dames alleen toch niet geraden in den vreemde spoedig kennis aan te knoopen, zelfs niet met de meest achtenswaardig-uitziende personen. Men kan zich dan zoo gemakkelijk vergissen, ondanks alle mogelijke menschenkennis. Jongen dames, die uit neiging of noodzaak alleen reizen, zou ik ontraden aan de table d’hôte te eten. Zij doen beter hun middagmaal op haar kamer te nemen of bij langer verblijf een pension te zoeken.

Dineert gij aan een table d’hôte of in een hotel waar gij slechts enkele dagen vertoeft, dan is het niet noodig met uw tafelburen in gesprek te treden; beleefdheidsphrases en opmerkingen daar buitengelaten.

De spijzen voor zoover zij niet worden rondgediend, geeft gij met een zwijgende buiging en met de rechterhand door. Met een reisgezelschap aan tafel of in een spoorwegcoupé fluisterende gesprekken houden is niet beschaafd. Evenmin op- of aanmerkingen over uw medereizigers te doen in uw eigen taal.

Zelfs al verstaan zij uw woorden niet, dan kunnen uw blikken hen spoedig genoeg verraden dat zij het onderwerp van uw gesprek zijn. Intimiteiten te bepraten of te kibbelen in hun tegenwoordigheid is niet alleen gevaarlijk maar ook onbeschaafd. Het kan zoo licht gebeuren dat men u verstaat en hoe beschamend dan voor u zelf en voor hen.

Doet een ander iets dergelijks in uw tegenwoordigheid, meenende dat gij hen niet verstaat, verraad dan door woord noch blik dat zulks wel het geval is. Daarmee zult gij u welopgevoeder en bedeeld met meer gemoedsbeschaving toonen dan wanneer gij in een soort van kinderachtigen triomf hen laat merken hun gesprek te hebben verstaan en gevolgd; een gesprek te volgen dat niet met u gehouden wordt, is trouwens overal en altijd onbeleefd.

Hoewel de geldquaestie geen punt van bespreking in “Vormen” is, wil ik toch een enkel woord zeggen over het geven van fooien. Wat uw persoonlijke meening ook moge zijn over het zooveel besproken en afgekeurde fooienstelsel, zoolang het niet is afgeschaft kunt gij  als beschaafd mensch er u niet aan onttrekken. Het is een belangrijke uitgaaf op een reisbudget, maar een onvermijdelijke.

Wilt gij goed, spoedig en beleefd geholpen worden, wees er dan niet karig mee en beschouw het als een soort reisbelasting die menigen armen drommel ten goede komt.

Juli ’96.      Tante Jo.

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: op reis

Filed under Vormen

Etiquette: trap op en af, rijtuig in en uit en gebruik van de waaier

In de rubriek ‘Vormen’ van 26 februari 1902: ‘Kleine Wenken over: ’t Op- en afgaan van een Trap, ’t Uit- en instijgen van een Rijtuig, ’t Hanteeren van den Waaier, en ’t Gebruik van Handen en Voeten.

“Algebra en meetkunde zullen nu op alle meisjesscholen onderwezen worden, maar aan lessen in wellevendheid en etiquette wordt niet meer gedacht,” placht mijne oude Grootmoeder te zeggen. “Dat is nu niet noodig meer. Wellevendheid leert men onbewust door ’t afzien van ouderen, en ’t verdere schuift men nu gemakkelijk op de schouders van den dansmeester, die buiten de verwikkelingen van den dans, zijn leerlingen ook leçons de maintien verschaft. Och die leçons de maintien! Wat houden zij in? De kinderen leeren er ferm rechtop te loopen, buigen, en hun entrée de chambre te maken. Maar dat is ook alles. De dansmeester zal hen niet onderrichten hoe zij een trap op en af moeten gaan, noch zal hij hen instructies geven voor ’t in- en uitstappen van een rijtuig…. Neen, dat zij maar kleinigheden. En toch waren ’t juist deze kleinigheden, die men ons op kostschool ’t eerste onderwees.”

Toen ik me daarop mijne Grootmoeder voorstelde, zooals ze er in haar jeugd moet hebben uitgezien met engsluitend keurslijf, wijd uitgolvende crinoline en hooggekapt hoofd, begreep ik, dat deze maatregel niet overbodig was geweest, en toen ik hierbij onze hedendaagsche meisjes vergeleek, wier bewegingen door de tegenwoordige kleederdracht in niets belemmerd worden, meende ik, dat trappen loopen en ’t rijtuig bestijgen voor haar geen moeilijkheden meer geven kon. Maar toen ik nauwkeurig op deze kleinigheden begon te letten, bemerkte ik tot mijne niet geringe verbazing, dat ik mij in deze zeer had vergist.

Ondanks de losse, vrij gemakkelijke kleederen, zijn er maar zeer, zéér weinig jonge dames, die een rijtuig gracieus bestijgen, of een trap met elegance beloopen kunnen.

Enkele hebben de zonderlinge gewoonte ’t rijtuig haastig binnen te rollen, anderen stooten immer haar hoed, zoodat veeren en lint een gevoeligen knak krijgen, weer anderen raken met de voeten in den rok verward, en moeten deze onhandigheid met een afgetrapten roksband bekoopen, enz. enz.

Een jonge dame echter, die haar rijtuig onberispelijk bestijgen wil, tipt de voorzijde harer rokken even met de linkerhand omhoog, buigt alsvorens de trede te bestijgen ’t bovenlijf ietwat naar voren, schikt met de rechterhand de plooien van rok en mantel glad en neemt eerst dan op de rijtuigbank plaats.

Is de jonge dame vergezeld van hare moeder of een oudere vriendin, dan late zij deze voorgaan, en neme plaats aan hare linkerzijde. Is zij verloofd, dan zit het jonge meisje aan de rechterzijde van haar aanstaande.

Het uitstijgen geschiedt op de volgende wijze. De jonge dame buigt ’t lichaam weer eenigszins naar voren, vat de plooien van haar rok aan de achterzijde met de rechterhand te zamen, legt de linkerhand in de hand van haar aanstaande, die haar behulpzaam bij ’t uitstijgen wordt toegestoken, en laat de plooien van haar kleed niet eerder vallen vóór zij in de vestibule van het te bezoeken huis is aangeland.

En nu een woordje over het trappen loopen. In dezen tijd, nu de ontvang- en gezelschapskamers meest op de belétage gelegen zijn, komt die waarschijnlijk niet ondienstig.

Ook dit wordt gedaan op zeer verschillende wijzen. No. 1 bijv. legt haar weg naar boven half dansend af, de heupen steeds in wiegende beweging, waardoor ’t bovenlijf voortdurend licht wordt geschokt. No. 2 plant haar voet zwaar op elke trede, stoot telkens met de toonen tegen de roeden, en moet gedurig blijven stil staan om uit te rusten. No. 3 nonchalant, vergeet den rok van voren op te nemen, en struikelt om de vier of vijf treden, enz. enz.

The London Lancet schrijft: Menige vrouw vermoeit haar spieren en zenuwen onnoodig door op een verkeerde manier een trap op te loopen. In haar haast of eenvoudig uit gewoonte, raakt zij de treden het eerst met den bal van den voet, opspringende onder het loopen en ietwat voorovergebogen. Zij moet haar geheelen voet op de trede zetten, alsof zij gewoon wandelde, en het lichaam recht houden, opdat het hart niet gedrukt worde op een oogenblik, dat het alle ruimte noodig heeft. Deze methode zal veel vermoeidheid uitsparen, en soms een ziekte voorkomen.

Voor het afgaan van trappen voegt hetzelfde blad er nog den volgenden raad aan toe: Men rake de treden eerst aan met de punt van den voet, en late dan onmiddellijk en flink het volle lichaamsgewicht rusten op den hiel. Deze beweging bevordert tevens de circulatie van het bloed als een gezonde gymnastiek.

Een jong meisje laat een oudere dame ’t eerst een trap op- en afgaan. Is zij verloofd, dan zorge zij er voor haar aanstaande vóór haar de trap te laten bestijgen, maar ná haar de trap te laten afgaan.

Een jong tooneelspeler, de voor de eerste maal de planken betreden had, beklaagde zich bij een ouderen collega over zijne handen. “Ik ben nergens zoo bang voor, als voor mijne handen,” zei hij verdrietig. “O die handen, wat ben ik dáár wanhopig verlegen mee geweest.”

Wanhopig verlegen! Hoeveel jonge menschen, die pas hun entrée in de gezelschapswereld maken, zijn met hun handen “wanhopig verlegen.”

In ’t discours tikt de een zijn buurman voortdurend met de vingertoppen op den arm, een ander maakt in zijn verlegenheid de dwaaste gebaren, terwijl een derde aanhoudend zenuwachtig met de hand over zijn knieën strijkt.

Op de klacht van den jongen toneelspeler antwoordde de oudere acteur: “Houd je handen zooveel mogelijk in rust, doe er niets mede, maar voel je, dat je ze met den besten wil ter wereld in je discours niet ontberen kunt…., alleen in dat geval laat je ze meespreken.”

Dezelfde woorden zou ik willen toevoegen aan al onze jonge meisjes: “Houdt uwe handen in rust, in volkomen rust.”

Een Engelsch gentleman verklaarde eens, dat hij in vol gezelschap de ware lady onmiddellijk herkennen zou. “Waaraan dan?” vroeg men hem. “Aan de handen,” was ’t antwoord. “Zij, die in ’t heetst van ’t gesprek hare handen rustig in den schoot gevouwen weet te houden, is een welopgevoede vrouw.

’t Is misschien overbodig te vertellen, dat een jonge dame hare handen dient te soigneeren. Zij drage de nagels niet te lang, maar ook vooral niet te kort, met keurig afgeronde halve maantjes en smetteloos witte randen.

Een goed geganteerde hand, die met gratie een waaier weet te hanteeren is een lust voor de oogen. Men houdt hiervoor bovenlijf en arm in volkomen rust, terwijl alleen de hand de waaiende beweging maakt.

Behalve Spanje, waar zij haar oorsprong vond, hebben ook andere landen getracht door te dringen in de mysteriën van de waaiertaal. Vooral in vroeger jaren werd er veel gebruik van gemaakt, en waren de heeren, om het zoo uit te drukken op den waaier gedresseerd. Er waren niet veel woorden noodig, om een indringer af te wijzen; de waaier gesloten, het boveneind met de hand omvat, wilde zeggen: “Je vous déteste!” of een beweging van den rechterkant naar links met den geopenden waaier, gaf duidelijk verstaanbaar: “Monsieur, passez,” te kennen. En hoe wist men den waaier in dienst der liefde te gebruiken! “Je vous aime!” telegrafeerde schuchter de gesloten, met de linkerhand aan het uiteinde omvatte waaier, terwijl deze half-geopend, aan den rand met beide handen vastgehouden, den gelukkigen minnaar begrijpen liet: “Je vous aime, de tout mon coeur.” Den waaier opengevouwen aangeven, wilde zeggen: “Ik mag u gaarne lijden.” Den waaier gesloten, met den steel vooruit: “Ik haat u!” Den bedoelden heer aanziende, hem wenkende, door met den geopenden waaier te wuiven, beteekende: “Kom!” Den waaier opengevouwen in de rechterhand houden, en voorovergebogen de eene punt tegen den rechterslaap laten leunen, gaf aan: “Pas op, men let op ons,” terwijl deze zelfde houding, met het hoofd meer rechtop, te kennen gaf: “Ik mag graag met u praten!”

Maar die tijden zijn lang voorbij, nu is de waaier niet veel meer dan een eenvoudig werktuig om koelte toe te wuiven, en zijne geheime bedoelingen zullen nagenoeg door niemand meer begrepen worden. Tegenwoordig zelfs is ’t vrij algemeen de gewoonte, dat de heer, in de rustpoozen, den waaier van de dame overneemt om haar de kleine vermoeienis van het waaien te besparen.

Hoewel vroeger een jong meisje, dat hare beenen in gezelschap over elkander sloeg, beslist ongemanierd zou heeten, wordt deze houding nu in de gezelschapskringen niet meer geweerd; mits, en dit vooral worde niet vergeten, mits het gracieus en zonder overdrijving geschiede.

In omnibus of tram, in kerk of schouwburg is deze houding echter niet te verkiezen.

Heeren, onverschillig waar zij ook mogen zijn, slaan bij voorkeur de beenen over elkander, zonder te bedenken, dat zij in een tram met hun bemodderde laarzen dikwijls de kleederen der passeerende medereizigers bezoedelen.

Het schoeisel, voor hand zoowel als voet, zij steeds onberispelijk zuiver van goed maaksel. Men moge voor ’t doen van boodschappen al eens verstelde handschoenen of gerepareerde schoenen dragen, voor ’t maken van visites zorge men zooveel mogelijk schoenen en handschoenen te gebruiken, waarop niets valt aan te merken.

Men verlieze nimmer uit ’t oog, dat bien chaussée et bien gantée, bien toilettée is, al moge het overig toilet ook nog zoo eenvoudig zijn.

16-2-’02, Sylvia Regina

 

 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: trap op en af, rijtuig in en uit en gebruik van de waaier

Filed under Vormen

Etiquette: het diner

In de serie ‘Vormen’ schrijft Sylvia Regina in De Hollandsche Lelie van 8 januari 1902 over ‘Diners’.

“Even vóor den aangewezen tijd begeven gastvrouw en gastheer zich naar den salon en ontvangen staande hunne gasten.

Is de invitatie gesteld op 6 uur, 6½ of 7 uur, dan zorge men ook volstrekt niet later, maar ook in geen geval vroeger te komen. Komt ge te vroeg, dan stoort ge de gastvrouw in ’t maken van haar toilet, komt ge daarentegen te laat, dan veroorzaakt ge in ’t gezelschap een onaangename gêne, en komt het verdrogen of aanbranden der gerechten voor uwe rekening.

Vóór alles dus, wees prompt op tijd.

Zijn de invitaties eenige dagen van te voren verzonden, dan verschijne men eenvoudig in toilette de ville, hebt ge de uitnoodiging reeds acht of meer dagen vooruit ontvangen, dan is groot toilet verplichtend, voor de dames décolleté, voor de heeren rok met zwarte of witte das.

Gastvrouw en gastheer mogen nimmer boven hunne gasten uitblinken, noch wat toilet, noch wat discours of iets anders betreft. De gastvrouw kleede zich deftig, maar eenvoudig, zij is de hoofdpersoon, die alles schikt en leidt, het discours gaande houdt, en zorgvuldig uitziet, dat ieder zich amuseert; want een diner, al mogen de spijzen uitgezocht en veelvuldig zijn, zonder aangenamen kout is al even weinig amusant, als een danspartij zonder muziek, of een piano zonder bespeler.

Het entrée de chambre voor een diner is natuurlijk volkomen gelijk aan dat van alle andere feestelijkheden. Ik beschreef dit reeds in een vorig artikel.

Als de gasten allen voltallig zijn, en men de heeren aan de dames heeft voorgesteld, doet de knecht de schuifdeuren van den salon zwijgend open, als teeken, dat ’t diner een aanvang nemen kan, of wel hij maakt met een paar woorden kenbaar, dat de soep gediend is.

Dan presenteert de gastheer den arm aan de oudste of aanzienlijkste dame, terwijl de gastvrouw de rij der gasten met den oudsten heer besluit. In sommige huizen is ’t de gewoonte den heer de dame aan te wijzen, waarmede hij dineeren zal; men geve daartoe kaartjes rond, waarop de naam der dame geschreven is, of wel de gastheer verzoekt Mijnheer B., freule Z. naar tafel te willen geleiden. Daar dit echter niet overal gebruikelijk is, biedt de heer meest den arm aan de dame, die het dichtst nevens hem staat, geleidt haar naar de eetzaal, waar hij haar naar hare plaats brengt, om daarna met een zwijgende buiging zijn eigen zetel op te zoeken. Bij een groot diner zijn de ceremoniemeesters gewoonlijk wel zoo welwillend bij ’t zoeken der plaatsen eenige aanwijzing te geven.

Eerst als de gastvrouw gezeten is nemen ook de gasten hunne plaatsen in, vooral niet eerder. Dan ontdoet ge u van uwe handschoenen, die gij onmiddellijk in uw zak steekt: een waaier mag naast ’t bord blijven liggen.

Gewoonlijk heeft men voor 10 à 12 personen éen knecht, die samen met het tweede meisje bedient; bij meer gasten behoeft men natuurlijk meer hulp, want de schotels warm binnen gebracht moeten natuurlijk ook warm gebruikt kunnen worden, wat bij een langzame bediening onmogelijk ’t geval zou kunnen zijn.

Ten hove, zelfs aan den meer intiemen middagdisch, staat achter elken stoel een lakei.

De knecht behoort vooraf op de hoogte gesteld te worden van de volgorde der spijzen en wijnen, opdat er geen vergissingen kunnen plaats hebben, en de ossenhaas niet voor de visch, en de beschuitjes met kaas niet na de vruchten worden gepresenteerd.

De tafel moet gedekt zijn met smetteloos wit tafellinnen, liefst ’t fijnste damast, de servetten (natuurlijk van ’t zelfde patroon) legt men op de borden met een geraspt broodje tussen den omslag naar links.

Tusschen de borden plaatst men zoutvaatjes, waarop kleine zilveren lepeltjes, en karaffen met rooden wijn (deze laatste rechts van den heer). De kleine met water gevulde couvertkannetjes, evenals gelijkkleurige vingerglazen, komen al meer en meer in de mode. De laatste zet men naar verkiezing (met een schijfje citroen) onmiddellijk links van de glazen, of wel men diene ze rond op ’t dessertbordje naast ’t gekruiste dessertcouvert; indien ze echter in een huishouding ontbreken behoeft men ze volstrekt niet te koopen, noodzakelijk zijn ze niet.

Over de zilveren met kapjes versierde kandelabres sprak ik reeds vroeger. Een hooge pièce de milieu, kunstig opgemaakt met bloemen en vruchten, ziet men nog maar heel zelden, de tafelversieringen zijn nu gewoonlijk laag, opdat het gesprek over de tafel heen gemakkelijker gevoerd, en ’t uitzicht niet belemmerd kan worden.

Een aardige nieuwigheid zijn de halvemaanvormige langwerpige of grillig gebogen kristallen bakjes, die met vochtig mos en bloemen gevuld een aardig, vroolijk effect maken. Losse bloemen met fijn groen, smaakvol gestrooid tusschen vruchten- en bonbonsschalen, voldoen ook zeer goed.

Rechts van het bord legt men op een messenleggertje mes en lepel (de lepel aan de botten kant van ’t mes) links de vork.

Na visch of eenig sterk gekruid gerecht dient men de couverts te verwisselen.

Men kan de glazen voor de verschillende soorten wijn voor de borden plaatsen in een rij of driehoek; de heer echter bedient zijn dame alleen van rooden wijn; de knecht gaat rond met de fijnere soorten, bij elken gast zachtjes den naam noemend, bijv. witte wijn bij de visch, rijnwijn bij ’t gebraad, champagne bij de oesters enz. enz. Natuurlijk schenkt men de verschillende wijnen in de glazen, die daarvoor zijn bestemd.

Jongedames maken gewoonlijk geen gebruik van alle wijnsoorten, daar veel door elkaar drinken verhit en luidruchtig maakt; toch zijn de fijnere merken, zooals muscaat, champagne enz. volstrekt niet voor haar uitgesloten.

Indien men om de een of andere reden geen wijn drinken wil, of kan, mag men hiervoor gerust bedanken (ofschoon heeren ’t niet gezellig vinden, als zij hun dame niet eens mogen inschenken) maar een glas wijn ééns met de lippen aangeraakt, mag men niet laten staan; dit uit beleefdheid vis à vis den gastheer, voor wien dit laten staan een bewijs zou kunnen zijn, dat de wijn niet met smaak werd gedronken.

In naamkaartjes en menu’s wordt de luxe voortdurend grooter, men heeft e alleraardigst versierd met teekeningen van bekende Parijsche teekenaars, of wel men heeft op ’t ivoorwit karton bloemranken aangebracht, of vlinders, die er schijnbaar zoo juist op zijn neergestreken. De naamkaartjes plaatst men gewoonlijk op wijnglas of servet, de menu’s voor ’t bord.

’t Menu bestaat gewoonlijk uit soep, visch, een entrée, één of twee soorten gebraden vleesch, groente, of vruchten op water, een tusschengerecht (crème, taart, ijs, enz.) en dessert.

’t Dessert geve men naar eigen verkiezing eenvoudig, of zeer uitgebreid. Beschuitjes met kaas (of wel allumettes gevuld met parmesaansche kaas), vruchten, klein gebak, amandelen en rozijnen, fijne bonbons, en compôtes tot slot.

Als voorbeeld volge hier een menu voor ene klein, en een meer uitgebreid diner.

FullSizeRender (29)

’t Volgende kan men ook geven voor een déjeuner-dinatoire ter gelegenheid van een huwelijk.

FullSizeRender (30)

Als de soep wordt rondgediend, wacht men met eten tot de gastvrouw voorzien is. Het bord halfvol geschept mag niet schuin gehouden worden om de soep tot den laatsten druppel te nuttigen, ook vergete men niet den lepel na gebruik met den bollen kant naar boven op ’t bord te leggen.

Indien men geen vischcouverts rijk is, geve men twee vorken (zooals in Engeland gebruikelijk is) daar de visch nimmer met een mes mag worden aangeraakt.

Kip of ander gevogelte hanteere men met vork en mes, nimmer met de vingers; asperges daarentegen mag men aanvatten met de toppen der linkerhand, waarop de rechterhand met de vork de aspergepunt naar den mond brengt. Asperges snijden is niet gebruikelijk, hoewel ik het wel eens een enkelen keer heb zien doen.

Vruchten, als zij groot zijn in tweeën of vieren gedeeld, schilt men met het vruchtenmesje, mandarijntjes worden met den dessertlepel van de schil ontdaan.

Met ’t eten van druiven, kersen of pruimen mag mende pitten niet uit den mond in de hand laten vallen, dit doet men handig en bedekt op den dessertlepel.  Amandelen worden tusschen de handen gekraakt, en niet tusschen de tanden, kortom, men vermijde aan tafel alles, wat voor de andere gasten ook maar in eenig opzicht hinderlijk of onverkwikkelijk wezen kan.

Vóór den aanvang van ’t dessert worden de zoutvaatajes weggenomen, en de broodkruimels zorgvuldig met den tafelveger verwijderd.

Indien ge naast een weinig spraakzaam cavalier geplaatst zijt moogt ge hem niet den rug toewenden, om u geheel en al bezig te houden met den heer aan uw andere zijde. Ge doet uw best den heer aan den praat te krijgen, roert allerlei onderwerpen aan, die hem belang kunnen inboezemen, en als hij zich dán nog (zooals helaas wel eens gebeurt) van uwe vragen afmaakt met een kort ja of neen, om zich geheel aan het menu te kunnen wijden, dan is uw moeite aan zulk een verspild, en is ’t geoorloofd uw eigen genoegen op te zoeken.

Fluisteren aan tafel, evenals luid lachen, of op een rumoerige wijze aan zijn vroolijkheid toegeven, is volstrekt contrabande; ook make men nimmer een der gasten tot voorwerp van ’t discours, de bewuste persoon merkt al heel gauw, dat er over hem (of haar) gesproken wordt, en voelt zich hierdoor natuurlijk gegeneerd.

Als de koffie is gebruikt, staat de gastvrouw op, en brengt de links van u geplaatste heer u naar den salon, waarna de heeren, òf aan tafel nog wat blijven napraten, òfwel in de studeerkamer van den heer des huizes (fumoir of biljartzaal) een pousse en een sigaar gaan genieten. Een uurtje later komen de heeren in de salon terug, gebruiken met de dames een kop thee, en tegen 10 uur of 10½ komen gewoonlijk reeds de eerste rijtuigen. Jonge meisjes laten zich altijd halen en mogen er nimmer op rekenen om te worden thuisgebracht.

Binnen de 14 dagen of den eersten Zondag na ’t diner maakt men de digestievisite, die na te laten zou een groote onbeleefdheid zijn.

Het diner poudré, (waarop de gasten met gepoederd hoofd moeten verschijnen) of wel de diners rouge et noir, waarbij ’t toilet van heer zoowel als dame in genoemde kleuren is voorgeschreven, zijn uit ’t buitenland overgewaaid, en worden nog maar heel zelden gegeven, daar ze zoowel voor gast als gastheer uiterst kostbaar zijn.”

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: het diner

Filed under Vormen

De Jour

De lezeressen van De Hollandsche Lelie rond 1900 leren in een serie artikelen getiteld ‘Vormen’ van Sylvia Regina hoe ze zich in verschillende situaties behoren te gedragen. Op 31 oktober 1900 is ‘De Jour’ aan de beurt: de ontvangst op een vast tijdstip.

“Als ’t zomerseizoen, de uitgezochte tijd voor uitstapjes en reizen, voorbij is, komen de jours weer in vollen gang. Sommige dames ontvangen op den bepaalden dag het geheele jaar door, maar de meeste sluiten de jour met ’t begin van den zomer, (1 of 15 Juni) en openen haar weer, als de mooie, warme dagen voorbij zijn (1 of 15 Oct.).

Men kan de jour houden ééns in de week, of ééns in de veertien dagen, geheel naar eigen verkiezing. Om niet elke week gebonden te zijn, ontvangen zeer velen op den 1sten en 15den van de maand, op den eersten zondag (maandag of dinsdag enz.) en op den 3den, of op den 2den en 4den van de maand; men moet dit dan vooraf aan de kennissen bekend maken, of, wat in den laatsten tijd zeer veel wordt gedaan, men late het drukken op de visitekaartjes; bijv:

Visitekaartje

Jonge huisvrouwtjes kunnen, evenals ongetrouwde dames van middelbaren leeftijd, haar jour houden, maar jonge meisjes, mits zij niet staan aan ’t hoofd van een gezin, doen dit gewoonlijk niet anders dan voor kennnisjes van gelijken leeftijd.

Is de jour bepaald, dan is men verplicht dien dag altijd thuis te blijven. Is men echter ziek, of om de een of andere ernstige reden verhinderd te ontvangen, dan moeten de komende bezoekers hiervan wel degelijk op de hoogte worden gesteld. Ge laat uw knecht of gedienstige bijv. zeggen: ‘Mevrouw kan tot haar groote spijt niet ontvangen, daar ….’ (hier volgt dan de reden).

’t Is waar, de jour noodzaakt ons om twee of vier middagen van de maand thuis te blijven, al schijnt de zon ook nog zoo verleidelijk, en al lokt ’t mooie weer ons ook tot uitgaan, maar al de andere dagen zijn wij dan ook volkomen vrij om ‘niet thuis’ of ‘belet’ te geven.

Men zorge stipt op den aangegeven tijd gekleed, en in de salon aanwezig te zijn. Laat uw bezoeker nooit wachten, dit maakt een hoogst onaangenamen indruk en is strijdig met de etiquette; de bezoekster van haar kant zorgt natuurlijk niet vroeger te komen dan is aangewezen, opdat zij de gastvrouw niet noodeloos komt derangeren.

’t Toilet van de vrouw des huizes, evenals dat harer dochters, dient hoogst eenvoudig, maar met smaak gekozen te zijn. Zij mag niet boven de gasten uitblinken, en toch moet zij door haar toilet, evenals door hare manieren te kennen geven, dat zij ’t te geven bezoek op prijs stelt, en zich daarvoor geen moeite heeft ontzien.

De ontvangkamer moet in de puntjes in orde wezen, geen pluisjes op ’t vloerkleed of stof op de meubels, maar dat spreekt van zelf, orde en netheid boven al.

’t Maakt zoo’n aardigen indruk als de vazen hier en daar met losse bouquetten zijn gevuld, maar kies dan vooral geen sterk riekende bloemen, de scherpe parfum kan uw gasten hinderlijk zijn. Bestrooi uw zakdoek ook niet te overvloedig met odeur, niet iedereen kan die geuren verdragen, gebruik ’t liever heelemaal niet, noch als ge ontvangt, noch als ge bezoeken gaat afleggen, maar ik vrees, dat dit voor de meeste dames wel een te groote opoffering zal zijn.

Is men gewoon tegen vier uur thee te schenken, dan is de aangewezen plaats van de gastvrouw zoo dicht mogelijk bij de theetafel, anders kiest zij zich den fauteuil, die het dichtst bij de canapé is geplaatst. Ouderen of hooggeplaatsten dames geve men de eereplaats op de canapé, of desverlangd op den gemakkelijksten stoel.

Gewoonlijk zijn de gasten geplaatst in een halven cirkel om de gastvrouw, ouder personen ’t dichtst nevens haar. Is het jonge meisje bij ’t begin van haar bezoek een plaats op de canapé aangewezen, en ziet zij een oudere dame binnenkomen, dan doet zij wel onmiddellijk op te staan, en zich met een bescheidener plaatsje tevreden te stellen.

In Engeland is het gewoonte, dat de gastvrouw haar gast den fauteuil afstaat, dien zij vóor zijn komst heeft ingenomen; in Holland zijn de gebruiken echter weer heel anders, en zou het allicht vreemd worden opgenomen, als men plaats moest nemen op een pas gebruikten stoel.

De gastvrouw rijst van hare zitplaats op om de binnenkomende te begroeten, dameskennissen kan zij even te gemoet gaan, bij heeren is dit geen vereischte; jonge lieden laat men gewoonlijk zelf een plaats kiezen, maar bejaarde menschen, beroemde of hooggeplaatste personen begroet men reeds dadelijk bij hun intreden in de kamer, om duidelijk aan te toonen, dat men hun bezoek op hoogen prijs stelt.

Bij sommige families is het gewoonte de gasten te laten aandienen, noodig is dit volstrekt niet, meestal opent de bediende de deur zonder iets te zeggen.

Als de gastvrouw haar gast heeft begroet, dient zij hem (of haar) onmiddellijk aan de aanwezigen voor te stellen; de binnenkomende buigt dan met algemeenen groet. Men denke er echter wel aan de mindere aan de meerdere, de jongere aan de oudere, een heer aan een dame voor te stellen. Als bijv. dokter X binnentreedt, staat de gastvrouw op, en vraagt aan hare gast mevrouw B: ‘Mag ik u voorstellen meneer X,’ dan buigt mevrouw B, en vervolgt de gastvrouw met een losse handbeweging naar mevrouw B, ’t gelaat naar den bezoeker gekeerd: ‘mevrouw B,’ waarop dokter X met een buiging antwoordt. Gewoonlijk zijn de vaste jourbezoekers wel met elkaar bekend, en is ’t presenteeren dus overbodig.

Ge vraagt den pas binnengekomene naar zijn eigen welstand en naar die zijner familie, maakt nog een paar vriendelijke op- en aanmerkingen, en laat uw gast dan ongemerkt aan het algemeen gesprek deelnemen. Een uitnemende gastvrouw weet ’t discours wel zóó te leiden, dat iedereen beurtelings aan ’t woord komt, en zijn eigen meening ten beste kan geven.

De gastvrouw moet toonen overal belang in te stellen, even goed in huishoudelijke praatjes, als in geleerde onderwerpen, zij mag nooit laten merken, dat ’t haar onverschillig is, hoe de japonnen in Parijs gedragen worden, hoe duur de steenkolen dit jaar zijn, of welke artist waarschijnlijk opgang maken zal; zij moet naar alles luisteren met een beleefd, gewillig oor, en met een vriendelijke geduldige stem zal zij alles beantwoorden.

Minderen in rang late men nooit het verschil in stand voelen, men zij tegen hen even vriendelijk en voorkomend als tegen de andere gasten.

De preutsche ja- en neen-nufjes vindt men gelukkig nog maar heel weinig, de meeste jonge dames durven hun woord nu wel te doen, en dat is voor de gastvrouw een heele verlichting. ’t Behoeft natuurlijk geen betoog, dat het in den beginne verre van gemakkelijk is de juiste conversatietoon te treffen, maar zij, die wat algemeen ontwikkeld zijn, en over allerlei onderwerpen kunnen meepraten, zijn over den eersten schroom al heel gauw heen.

Als de kamer vol gasten is, is’t voor het jongemeisje een heel besluit om afscheid te gaan nemen; in hare verlegenheid begaat zij dan dikwijls onhandigheden, dei haar op ’t oogenblik zelf kleur op kleur naar de wangen dringen. De meeste jonge dames wachten dan ook tot een oudere dame opstaat, en sluiten zich dan bij haar aan; zijn zij echter genoodzaakt heen te gaan voor eene oudere ’t sein gegeven heeft, dan is ’t onnoodig door den drom van gasten heen te dringen om de gastvrouw een hand te geven. Men kan haar van uit de verte een groet toezenden, en met een algemeene buiging volstaan, of men verzoekt een der andere gasten de gastvrouw voor u te groeten.

Is de jour druk bezocht, dan is ’t voor de gastvrouw een onmogelijkheid hare gasten tot aan de deur te vergezellen; zij draagt dit dan ook meestal op aan haar echtgenoot, hare dochter, zuster of eenig ander familielid; de knecht of het dienstmeisje wachten de gasten gewoonlijk in de gang reeds op om hen verder uitgeleide te doen, of behulpzaam te zijn met het omslaan van regenmantels, ’t aanreiken van parapluies, stokken enz.

Indien de gastvrouw vooraf kennis heeft gegeven van den dag en het uur harer jour, dient men haar op geen anderen dag te bezoeken, dit zou niet beleefd zijn, en haar allicht doen vermoeden, dat men er weinig op gesteld is, haar thuis te treffen.

Avondrecepties zijn nog niet algemeen in zwang, maar komen toch al meer en meer in de mode. Men kan ze houden eens of tweemaal in de maand van 8 tot 11, of van 9 tot 12, in het laatste geval presenteert men geen thee meer.

De gasten kunnen komen en vertrekken, wanneer zij willen, mits zij den duur der receptie niet uit ’t oog verliezen, niet verschijnen vóor of blijven ná het aangegeven uur.”

 

Reacties uitgeschakeld voor De Jour

Filed under Vormen

De keuze van ons toilet

In de rubriek ‘Vormen’ geeft ‘Tante Jo’ op 22 november 1893 uitgebreid advies over welke kleding wel en niet mag worden gedragen.

“Wat tegenwoordig de hoofden van de meeste jonge meisjes bezighoudt, is de keuze van hun toilet. De modes wisselen dan ook zoo spoedig, de stoffen zijn zooveel minder degelijk dan vroeger, dat het ook zoo langzamerhand een groote kwestie is geworden zelfs voor hen, die nu niet zoo geneigd zijn zich slaafs te onderwerpen aan de heerschappij der grillige vorstin.

Maar evenals met zooveel, dient ook de keuze van ons toilet, onze geheele verschijning dat cachet te dragen, dat zelfs de meest oppervlakkige beschouwer ons eene beschaafde vrouw noemt. Slechte, ongekuischte smaak is meestal het kenmerk der minder beschaafde klasse. Een gedistingeerde vrouw draagt zorg haare kleeding in overeenstemming met de omstandigheden te kiezen en waakt er voor steeds keurig netjes te zijn. Het kostbaarste toilet zal de draagster tot schande zijn als het vuil of gekreukeld is. De kleeding van een dame, kostbaar of eenvoudig, behoort steeds zoo te zijn dat zij zich aan iederen bezoeker kan vertoonen.

Het gebeurt mij wel eens dat ik, ergens een bezoek afleggende, eenigen tijd moet wachten, tot men mij ontvangen kan; verschijnt dan eindelijk de huisvrouw of een harer dochters, zoo ontvangt men onmiddellijk den indruk dat zij zich even voor de gelegenheid heeft opgeknapt. Doe dat nooit, meisjes, het maakt een bezoekster verlegen, daar zij instinctmatig gevoelt niet bijzonder welkom te zijn. Voor goede vrienden behoeft men zich niet te schamen een ochtend- of huisjapon aan te hebben, mits deze schoon en netjes is.

Moeten wij dan noodzakelijk der wereld een ander beeld geven dan wij in werkelijkheid zijn? Mogen wij ons aan onze liefste betrekkingen vertoonen in een oud, morsig kleed, dikwijls hier en daar getornd, soms met rafeligen rok, ongekapte of zeer slordig gekapte haren, om op straat en partijtjes er als een modenufje uit te zien? Is dat het beeld eener beschaafde vrouw; zou eenig man zich ooit de vrouw, die koningin van zijn haard, zóó kunnen voorstellen? En toch ken ik helaas meisjes en jonge vrouwen, die op een dergelijke wijze handelen. Stel u voor dat de meid om een boodschap is, en zoo’n dame (?) moet zelf opendoen. Wat een beschamend gevoel moet het dunkt mij zijn, als men op het gelaat van den bezoeker verbazing of twijfel leest, als hij in die slordige vrouw niet dadelijk het elegante persoontje van gister herkent.

Hoe schamen zich zulke dames wel niet voor hunne dienstboden? Ik heb van zoo’n meisje wel eens bij wijze van verontschuldiging gehoord, dat zij met goede, nette kleeren geen huiselijken arbeid kon verrichten. En uw dienstboden dan, het vuilste, ruwste werk is voor hen, en gij eischt, dat hun japon steeds schoon, hun boezelaars hagelwit zijn, en muts en haren keurig netjes zitten. Neen, hoe lief en intelligent zoo’n meisje of jonge vrouw ook moge zijn, een dame in den rechten zin van het woord zal zij nooit zijn, en kan dat ook nooit worden.” […]

“Gedoogt uw beurs niet om in alles de grillen der mode te volgen, kies dan uw kleeding zóó dat zij een poosje mee kan, zonder dat gij er met een maand ouderwetsch of bespottelijk uitziet.” […]

“Gij gebruikt toch hoop ik nooit poudre de riz om den in de oogen van vele jonge meisjes hatelijken blos te bedekken, of wel om uw gezonde bruine teint, die zoo goed bij uwe donkere haren en oogen past, in een ziekelijk bleek te veranderen? Laat u daartoe onder geen enkel voorwendsel overhalen, het maakt u vóór uwen tijd oud en doet u verflensen. Over jeugd en gezondheid behoeft men zich niet te schamen. Gij benijdt in uw dwaasheid de kwijnende houding en het doorschijnend wit eener mondaine, die, al noemt zij u ook bakvischjes, u in haar hart benijdt om uw kostelijke jeugd en het frissche incarnaat op uw wangen. Er is ook ten opzichte van het toilet nog zooveel in aacht te nemen dat niemand u leeren kan. Gij moet dat zelf gevoelen. Hoe beschaafder gij zijt, hoe gemakkelijker het u in deze zal vallen te doen wat de étiquette van uw eischt.

Ten slotte wil ik nog wijzen op eene fout, waarin zeer veel menschen vervallen. Ik bedoel de op- en aanmerkingen, die zij zich veroorloven op het toilet van anderen. Men behoort mevrouw A. niet te toonen, dat men heeft opgemerkt dat zij een nieuwe japon aan heeft. Evenmin vertelt men Louise B. hoe men over haar nieuwen hoed denkt, en nog minder informeert men zich bij een derde naar den prijs van een of ander kleedingstuk, dat de eer heeft van in onzen smaak te valen. Dat wij geen afkeurend oordeel uitspreken over iets in de kleeding onzer vriendinnen of kennissen, dat verbiedt ons ieder begrip van welvoegelijkheid, als ten minste fijngevoeligheid en goedhartigheid in deze geen woordje meespreken.

Zelf iemand attent maken op iets nieuws of elegants in onze kleeding zou wel een zeer groot vergrijp zijn tegen den goeden toon.

Het Toilet, 22 november 1893

Het Toilet, 22 november 1893

Reacties uitgeschakeld voor De keuze van ons toilet

Filed under Kleding

Etiquette in de schouwburg: niet terug binocleeren

De lezeressen van De Hollandsche Lelie rond 1900 leren in een serie artikelen van Sylvia Regina hoe ze zich in verschillende situaties behoren te gedragen. Op 10 april 1901 zijn de ‘Vormen’ in schouwburg en concertzaal aan de beurt. Uit het artikel:

“De beste raad voor een volle schouwburg of concertzaal is wel deze: ‘Breng nooit stoornis teweeg,’ m.a.w. maak geen luide op- of aanmerkingen, spreek zacht, en bovenal treed de zaal niet binnen op in het oogloopende wijze, als de voorstelling reeds begonnen is.

Kes in ’t Concertgebouw placht nooit te beginnen vóor het geraas achter hem was verstomd, en zoo dit niet spoedig genoeg gebeurde, keerde hij zich om met een veelzeggend gebaar, dat de bezoekers tot stilzijn dwong, dán – als ’t in de zaal zoo stilgeworden was, dat men een speld kon hooren vallen, hief hij den dirigeerstok, en klonken de eerste tonen der muziek.

Concertgebouw 1902 (wikipedia)

Concertgebouw 1902 (wikipedia)

Als de menschen maar voor alles wilden begrijpen dat kunst aandacht eischt, en dat men op een plaats, waar kunst gegeven wordt, de kleine dingen des levens moet laten rusten. Voor huishoudelijke mededeelingen of praatjes over toilet enz. enz. is de schouwburgzaal de rechte plaats niet.

Ik neem aan, dat ’t aantal der werkelijke muziekliefhebbers maar zeer klein is, en dat het grootste deel der bezoekers (laten we zeggen bezoeksters) voornamelijk komt om het toilet van anderen te critiseeren, en om zelf bewonderd te worden, hoe ’t zij – de beleefdheid eischt, dat ge stil zijt, ter wille van die weinige echte, ware muziekliefhebbers, en dat ge u onthoudt van luide op- of aanmerkingen, want niets is zoo hinderlijk als door anderen te hooren afbreken, wat onszelf in hooge mate heeft geboeid. In de pauzen bestaat voldoende gelegenheid tot praten, bewonderen of critiseeren, maar wees stil en aandachtig onder voorstelling of muziek.” […]

“Gelukkig is het dragen van hoeden in den schouwburg meestal verboden en dus is deze stoornis grootendeels uit den weg geruimd. Ik voor mij vind een mooi gekapt dameshoofd in een zaal ook beter op zijn plaats, dan een zware met fluweel en veeren versierde hoed. In stalles en parquet kan men met een lichtkleurig hoog toiletje, of gekleede blouse met satijnen rok volstaan, maar in de loges maakt men veelal groot toilet, en ziet men de dames en decolleté, de heeren in rok, smoking of groot tenue. De baignoires daarentegen vragen een gekleed winterjaponnetje, meer niet. Ik geef hiervoor ten minste de gewoonten van Den Haag, maar ik geloof wel, dat deze overeenstemmen met de gebruiken der meeste andere groote steden.

Koninklijke Schouwburg Den Haag, 1910 (Geheugen van Nederland)

Koninklijke Schouwburg Den Haag, 1910 (Geheugen van Nederland)

In de groote pauze ontmoet men zijne kennissen in den foyer, men spreekt elkander aan, en lacht en schertst onder ’t nuttigen van een verversching, tot ’t waarschuwend belletje ’t sein tot opstaan geeft en de verlaten plaatsen weder worden ingenomen.” […]

“Woont H.M. de Koningin een concert of voorstelling bij, dan wachte men met applaudisseeren tot H.M. met een licht handgeklap ’t sein daartoe geeft. In Amsterdam met de groote galavoorstelling heeft men zich een enkele maal door zijn verrukking laten meesleepen, en geapplaudisseerd vóór H.M. daartoe vergunning had gegeven, men verlieze echter niet uit ’t oog dat dit inbreuk maken op de etiquette is.

Vroeger placht men bonbonnières of licht gekleurde zakjes gevuld met fijne bonbons mee naar den schouwburg te nemen, in de laatste jaren is dit echter meer en meer in onbruik geraakt, en ziet men nog maar heel zelden snoepende en kauwende mondjes.

Wordt een jongmeisje in stalles of loge door heeren gefixeerd, wat natuurlijk heel dikwijls gebeurt, want een mooi of geestig kopje trekt altijd de aandacht, dan moet zij trachten hier zoo min mogelijk notitie van te nemen, terug binocleeren wordt brutaal genoemd, en als zij zich achter haar waaier verschuilt, beschuldigt men haar van grove coquetterie.

Gaat een jonge dame, alleen vergezeld van een oudere vriendin per rijtuig naar den schouwburg, dan laat zij de oudere dame ’t eerst instappen, maar zij stapt ’t eerst uit, om de oudere dame met uitstijgen behulpzaam te kunnen zijn. Worden de dames door een jongmensch vergezeld, dan is dit natuurlijk de taak van den heer, en laat de jonge dame de oudere in alles voorgaan.

Uit angst om voor omnibus of tram te laat te komen, staan de meeste bezoekers vóór ’t eindigen der laatste akte op, niet beseffend, dat dit hinderlijk is voor zangers en acteurs. Ik geloof echter niet, dat hierin verandering is te brengen, of de tram- en omnibusmaatschappijen moesten na een voorstelling extra-wagens disponibel stellen.”

Vormen, 10 april 1901, deel 1

Vormen, 10 april 1901, deel 1

Vormen, 10 april 1901, deel 2

Vormen, 10 april 1901, deel 2

 

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette in de schouwburg: niet terug binocleeren

Filed under Vormen