Tag Archives: geschiedenis

De ramp van de Titanic

In de nacht van 14 op 15 april 1912 kwam de RMS Titanic in aanvaring met een ijsberg. De gevolgen zijn bekend: binnen enkele uren zonk het schip en 1522 opvarenden kwamen om het leven. Een belangrijke oorzaak voor dat hoge aantal doden was de beperkte capaciteit van de reddingssloepen: er was maar plaats voor de helft van de passagiers en in de chaos zijn ze ook nog eens niet optimaal benut.

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Destijds was de ramp uiteraard wereldnieuws, de schok was groot. In De Hollandsche Lelie van 24 april 1912 is al een reactie te vinden van hoofdredactrice Anna de Savornin Lohman, onder de kop ‘Aan wie de schuld?’

“Dat de ramp van de Titanic vreeselijk is, en ons allen met ontzetting vervult, dat is zoo’n waarheid als ’n koe dat ik er niet bij behoef stil te staan.

Wat echter, bij al het geschrijf er over, pijnlijk-ergernis-opwekkend aandoet, dat is het geleuter en gejeremieer voortdurend, of Astor en Guggenheim en Strauss, en dito rijkaards, al of niet gered zijn, en hoeveel waarde geld deze vertegenwoordigen, terwijl men ondertusschen niets zegt van de honderden en nog eens honderden niet-rijkaards, die in dit geval om ’t leven zijn gekomen, in de eerste plaats van de ongelukkige bemanning.

Deze rijkaards immers, (die tenslotte nog wel gered zullen zijn óók, pas eens op, Ismay Bruce, die ellendeling, is er al), zijn de oorzaak van ’t heele ongeluk. Als zij niet, in hun onzinnige snelheid-woede, aandrongen op record-reizen, als zij niet, in hunne geblaseerdheid, eischten de meest onzinnige, ten hemel schreiende weelde, dan zouden de maatschappijen er niet aan denken zulke dwaze, veel te groote luxe-booten te bouwen, noch van hare ondergeschikten durven eischen, dat zij een gevaarlijken weg kiezen door de ijsbergen heen, alleen om nog iets gauwer dan anderen aan te komen – aan welke schandelijke record-woede de overige nietsvermoedende passagiers en de tot gehoorzamen verplichte bemanning zijn opgeofferd. Lees maar eens wat de scheeps-eigenaars zelf hieromtrent getuigen:

Werp den schuld van deze ramp niet op ons!” riep een beambte van een der grootste transatlantische stoomvaartmaatschappijen te New-York uit. “Werp de schuld op uzelven, en op al degenen, die snelle reizen vragen, tennisbanen, Romeinsche baden, gymnastieklokalen, wintertuinen aan boord; wij zouden niet aarzelen onze dekken vol te zetten met reddingbooten, maar deze zouden aan de weelderige inrichting schade doen – en die schijnt op hooger prijs te worden gesteld dan veiligheid”. (Telegraaf.)

De fitnessruimte in de eerste klas

De fitnessruimte in de eerste klas

Zoo is het. De macht van het geld, van het meestal langs vuile en onnoembare wijze verkregen geld van woekeraars en afpersers regeert de gansche wereld. En alles buigt en kromt zich ervoor. Vóór de revolutie was de adel oppermachtig, tegenwoordig zijn het de Amerikaansche varkenhandelaars en worstmakers en blikjesverkoopers, die hunne dochters uithuwelijken aan ’t verloopen, verarmde Europeesche high-life. Met hunne auto-woestheid maken zij op alle groote wegen van Europa talrijke slachtoffers, en, niet daarmede tevreden, willen zij nu ook nog, op hunne reizen heen en weer naar Europa, alle comfort en luxe genieten van ’t meest verfijnde hôtel, en tegelijk de maatschappijen dwingen hen in een onzinnig korten tijd over te brengen. Geld komkt er immers voor hen niet op aan. Dat hebben ze. Daarvoor moet alles wijken.

Maar, van tijd tot tijd gaat het zoo als ditmaal met de Titanic, een onbekende macht, sterker dan die van ’t geld, treedt tusschen beiden, en spot met alle aardsche menschengrootheid.

De regels van Da Costa komen mij daarbij in den zin:

Maar het Godsuur had geslagen,

En de menschenschepping viel.

’t Zij gij roem of rouw moogt dragen,

Menschheid schouw het aan en kniel.

God is Rechter. De aarde wacht.

De aarde ontroert, en staat verwonderd,

Als de God der eere dondert

En den dag verkeert in nacht.

Over de opgedreven waatren

Wandelt Zijne Konings-stem!

Zeeën schuimen, scharen schâtren –

En de storm verheerlijkt Hem.

O, ik wou, ik wou dat het God wezenlijk is geweest, die, door dezen ijsberg, al die menschelijke pralerij heeft willen in den grond boren. Ik wou, dat Hij al die schunnige ellendige rijkaards, over wier lot de gehele europeesche pers zich zoo aandoenlijk ongerust maakt (terwijl zij voor de rest geen woord bijna over heeft) liet verzwelgen in de schuimende zee. En ik wou dat Hij de anderen, zij, die de slachtoffers zijn, de weduwen en weezen in Southampton, der bemanning, en zoovele andere passagiers wier namen onbekend blijven, wreekte om wat hun is aangedaan.!

Het vers van Da Costa, dat ik zooeven aanhaalde, eindigt:

Plast het tranen, ruischt het bloed,

Dondren woede en lasterkreten,

God als Koning is gezeten,

Over d’opgezetten vloed.

Wederkaatst door hemelpsalmen,

Antwoordt uiit het heiligdom,

Midden onder de onweersgalmen,

’t Jongste woord Zijns Woords: Ik Kom.

Ziet gij, lieve lezers, in dat geloof, dat van Da Costa, ben ik opgevoed. En soms komt het over mij met volle kracht: Mocht het zóó zijn. Want, dan immers, dunkt mij, kan het niet lang meer duren, of Hij komt werkelijk. Hij kan dan al deze vuilheid, al deze pralerij met geld, al dit gehuichel, al deze ten hemelschreiende onrechtvaardigheid niet lang meer aanzien – als Hij er is. Het is een te onzuivere, te smerige boel tegenwoordig. Als er een God is, dan moet Hij wel spoedig komen, en deze aarde vertrappen, – met hare zóógenaamde ‘christelijke’ regeeringen incluis!

'Untergang der Titanic' door Willy Stöwer

‘Untergang der Titanic’ door Willy Stöwer

[De afbeeldingen zijn afkomstig van Wikipedia, waar ook uitgebreide informatie over de Titanic te vinden is]

Reacties uitgeschakeld voor De ramp van de Titanic

Filed under Geschiedenis

De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

De Noor Roald Amundsen (1872-1928) had als jongen al een droom: ontdekkingsreiziger worden en als eerste de Noordpool bereiken. Na twee expedities (de Belgische Antarctische expeditie en de Noordwestelijke Doorvaart) was het zo ver: hij richtte zijn vizier op de Noordpool. Tijdens de voorbereidingen kwam hij er echter achter dat anderen hem voor waren geweest: zowel Frederick Cook als Robert Peary beweerde de Noordpool te hebben bereikt.

In het diepste geheim paste hij zijn plan aan: hij ging nu richting Zuidpool, in de hoop daar als eerste te arriveren. Zelfs een deel van zijn expeditieleden hoorde pas onderweg van het uiteindelijke doel van deze tocht zuidwaarts. Zijn broer Leon maakte het nieuws bekend tijdens een persconferentie in Oslo op 1 oktober 1910 en via een telegram werd ook Robert Falcon Scott geïnformeerd. Die was met zijn schip de Terra Nova ook onderweg naar de Zuidpool. Scott was aanvankelijk van plan het kalm aan te doen en veel tijd te besteden aan wetenschappelijk onderzoek, maar toen hij hoorde over de koerswijziging van Amundsen zette hij de sokken erin. En zo startte er een historische race naar de Zuidpool, die door Amundsen werd gewonnen: na een barre tocht zagen Scott en zijn reisgenoten tot hun ontzetting de Noorse vlag al op de Zuidpool staan.

Ook de terugtocht verliep voor Scott en zijn mannen rampzalig. Eén van hen, Lawrence Oates, kon als gevolg van gangreen nauwelijks meer lopen. In het besef dat hij de anderen ophield verzocht hij één van hen zijn dagboek aan zijn moeder te geven en met de woorden “I am just going outside and may be some time” verliet hij de tent – om nooit meer terug te keren. Uiteindelijk zouden ook de overgebleven expeditieleden, waaronder Scott zelf, de reis niet overleven. Maanden later werden ze gevonden, en uit het nagelaten dagboek van Scott bleek hoe hun tocht was verlopen. Naar Oates is daarna nog tevergeefs gezocht, maar alleen zijn slaapzak is terug gevonden.

Juist doordat ze de expeditie niet overleefden, kreeg de reis van Scott veel meer aandacht dan de succesvolle tocht van Amundsen, die wel terugkeerde. Scott zelf kreeg een heldenstatus, die pas bij publicatie van het boek Scott & Amundsen van Roland Huntfort in 1979 wat verbleekte: de expeditie was achteraf niet bepaald goed georganiseerd en Scott had een aantal ondoordachte beslissingen genomen.

Opvallend genoeg had Anna de Savornin Lohman, de eigenzinnige freule die vanaf 1902 hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie was, in die tijd al een zeer kritische kijk op de expeditie van Scott. Onder de titel ‘Heldhaftigheid’ schreef zij op 26 maart 1913:

“Alle bladen, couranten, tijdschriften, enz., zijn vol van den noodlottigen afloop der Zuidpool-expeditie van Captain Scott. En bovenal deze laatste wordt daarbij steeds verheerlijkt als ‘de’ held bij uitnemendheid. Heeft hij niet tot het laatste toe zijn dagboek bijgehouden? Heeft hij niet, nog stervend, een beroep gedaan op de Engelsche natie, ten behoeve der weduwen en weezen van hem en zijn lotgenooten, en daarmede getoond hoe ook in den dood zijne gedachten niet zichzelf maar anderen golden?

Zeker, dit alles dwingt eerbied af en bewondering. Mannen als Captain Scott en zijn makkers, die de volharding en de wilskracht zóó ver drijven, dat zij geen gevaar, geen ontbering te groot achten om hun doel te bereiken, steken uit als reuzen boven ’t gros van ’t kleinzielige menschdom. Daar gaat niets van af. Toch is er m.i. nog een andere zijde van de quaestie ook! Ten eerste rijst de vraag: welk nut, welk practisch doel, hebben deze expedities eigenlijk? Bewijst niet het feit-zelf, dat iedereen Captain Scott ten diepste beklaagt, omdat Amundsen hem tenslotte bleek vóór te zijn geweest aan de Pool hoe niet zoozeer een wetenschappelijke ijver maar wel een persoonlijke eerzucht vóórzit, waar het dergelijke ondernemingen geldt? Maar, in de tweede plaats – en daarop voornamelijk wil ik wijzen – wordt – terwille van den leider der expeditie, – niet vergeten al te veel de m.i. véél grootere ware heldhaftigheid aan den dag gelegd door zijn metgezel Oates? Van dezen laatsten schrijft Captain Scott, met Engelsche pedanterie van uitdrukking, ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’ Als men echter verneemt waarin die gentleman-dood bestaan heeft, dan is men geneigd zich af te vragen, of Captain Scott en de twee andere overblijvenden wel even gentleman-like handelden ten zijnen opzichte als Oates het deed wat hen betreft. Immers Oates heeft feitelijk zichzelf van het leven beroofd, om daardoor Scott en de beide anderen een sneller voorwaarts komen mogelijk te maken. In hevige mate lijdend, met half bevroren voeten, was hij een struikelblok geworden op den toch reeds zoo moeilijken tocht, omdat men hem moest meesleepen. Toen bezat hij den zelfverloochening van geheel alléén de tent, die hen in een storm tot verblijf diende, te verlaten, zeggende, ‘Ik zal lang wegblijven.’ Zoo ging hij den ‘blizzard’ in, den vrijwilligen dood in sneeuw en ijs accepteerend, ten behoeve zijner makkers.

Iets meer subliems is niet denkbaar! En klein – schoon in die omstandigheden vergefelijk klein – staat hier tegenover de houding van Captain Scott, die volkomen begreep wat Oates doen ging, en die hem liet gaan, en koelbloedig schreef in zijn dagboek: ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’

Dat feit, van hem, den stervende, te hebben laten heengaan in dien sneeuw-dood, dat blijft een vlek op de nagedachtenis van Captain Scott. O, ik herhaal het, in zulke verschrikkelijke ellende is het een alleszins denkbare zwakheid, dat de drie nog op uitkomst hopenden hun eigen leven trachtten te sparen ten kost van hunnen reeds zoo-zwaar-zieken vriend. Maar het is met dat al weer een zooveelste bewijs van de menschelijke onrechtvaardigheid en onnadenkendheid, dat iedereen nu achterna veel meer geïmponeerd wordt door het eenigszins bravoure-achtig dagboekverhaal van den stervenden Captain Scott, dan door dat zwijgend, zonder een enkel woord van zelf-beklag uiten, stoïcijns zich-zelf-offeren van Oates. ’t Lijk van Captain Scott is gevonden! Dat van Oates niet. Wie zal zeggen welk een naamloos wreeden kamp met den dood deze reeds toen hij de tent verliet stervende ongelukkige heeft moeten voeren, temidden van sneeuw, ijs, storm, en omringd door de gruwelijke eenzaamheid dezer poolstreek, alvorens eindelijk de dood hem verloste!”

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem Oates), via Wikpedia

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem staat Oates), via Wikipedia

Voor wie meer wil weten over de Terra Nova Expeditie van Robert Falcon Scott: zie o.a. de documentaire ‘Race to the South Pole’ op Youtube.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

Filed under Wereld

Over Poppen

[In De Hollandsche Lelie van 16 september 1896]

De pop, in ’t Latijn “pupata” of “pupa”, is het voorwerp dat hetzij van hout, leer, karton, was of porcelein vervaardigd, als kinderspeelgoed dient en somtijds zelfs de bode van onzen smaak en onze nijverheid is geweest. De Egyptenaren hadden evenals de Hebreërs reeds poppen. Laatstgenoemden maken in hunne oudste geschriften melding van ivoren poppen.

In Griekenland werd dit speelgoed op de markten verkocht; men maakte poppen met houten gezichten; wanneer de Romeinsche meisjes volwassen waren offerden ze hare poppen aan Venus.

In de middeleeuwen eigende het volks-bijgeloof aan deze nabootsing van het lichaam allerlei deugden toe. Men meende er spoken, kwelgeesten en feeën in te zien, die geluk of ongeluk aanbrachten.

De poppen werden van alruin-wortel gemaakt en op vreemde wijze gebeeldhouwd. Men kleedde ze in zijde of fluweel en ze waren vooral van veel waarde om verborgen schatten te helpen ontdekken.

Later maakte men wassen poppen, gelijkend op den een of anderen vijand. Door dit stuk was te pijnigen, meenden men dezelfde straf op te leggen aan hem of haar, die het moest voorstellen.

In 1730 droeg elkeen in de salons bordpapieren poppen bij zich, die men door middel van touwtjes in beweging bracht. In dien tijd, toen men zich zoo vreeselijk verveelde, was dit speelgoed een ware afleiding.

De model-poppen dienden langen tijd tot voorbeeld der vrouwenkleeding in verschillende landen.

Isabeau van Beieren, de vrouw van Karel VI, gaf in 1391 aan de koningin van Engeland poppen ten geschenke, geheel naar de mode van die dagen gekleed en ook wordt vermeld dat Anna van Bretagne in 1496 aan Isabella, koningin van Spanje, poppen zond die door de beroemdste kleedermaakster van het gansche hof waren aangekleed. Men hechtte er toenmaals zulk een groote waarde aan, dat gedurende den Spaanschen successie-oorlog de kabinetten van Versailles en van St. James eenen vrijbrief toestonden aan eene albasten pop, gekleed en gekapt naar de laatste mode.

Venetië ontving ook elk jaar eene gekleede pop uit Parijs, die men op Hemelvaartsdag op het Sint-Markus-plein ten toon stelde om door den Venetiaanschen adel de nieuwste Fransche mode te laten bewonderen. De negers van Midden-Afrika maken poppen met haar van banaanbladeren. Zij hijschen ze op den steel van een houweel en gebruiken ze bij de belezingen om ziekten te bezweren.

De kerstkrib (in sommige katholieke landen nog heden ten dage in zwang) is omringd door poppen als herders en priesters gekleed; men laat ze ter bezichtiging tot na Driekoningen.

In de laatste vijftig jaar zijn er groote verbeteringen op het gebied van poppen gekomen en niet gaarne zouden we nu aan kinderen die ouderwetsche poppen geven waarvan het houten, kartonnen of lederen lichaam was opgevuld met hooi, zemelen of zand.

Toen er de laatste jaren poppententoonstellingen in Nederland werden gehouden, waren de meeste poppen in nationaal kostuum.

Sommige menschen beweren dat men met dergelijke poppen het schoonheidsgevoel bij de kinderen ontwikkelt. Ik betwijfel het. De practische zijde van het spelen met de pop is deze; men kan kleine meisjes reeds vroeg gewennen om zich in het knippen en naaien te oefenen.

Gewoonlijk geven de mama’s aan haar dochtertjes lappen om poppen-jurkjes te maken.In dergelijke jurkjes (iedereen kent ze) worden drie gaten geknipt, een voor het hoofd en twee voor de armen. Eén haak en oog dienen voor de geheele sluiting. Natuurlijk is dit ’t werk der eerstbeginnenden. Zijn ze wat ouder geworden dan is het verstandig de kinderen langzamerhand te gewennen om poppejurkjes te maken die eenigszins toonbaar zijn. Ze zullen hierdoor handig worden en er dan vooral plezier in krijgen wanneer ge tact hebt hen aan te moedigen door af en toe wat kant, fluweel of zijde tot belooning te geven.

Maastricht. Naar het Fransch door M.S.

cabinet card gallery 1 cabinet card gallery 2 chicagokid girl-and-doll-dover_0012 girl-and-doll-ohio_0001 hamburg-girl_0002 idahospringsgirlkid-and-stroller_0006 phillie-garage_0006 poughkeepsiegirldoll

[Afbeeldingen via https://cabinetcardgallery.wordpress.com/tag/doll/]

Reacties uitgeschakeld voor Over Poppen

Filed under Dagelijksleven

Ooggetuigenverslag uitbarsting vulkaan Kloet

In De Hollandsche Lelie van 17 juli 1901: ‘De uitbarsting van den Kloet – door een abonnée en ooggetuige’.

‘Een aardig plaatsje is Pasoeroean, de hoofdplaats der residentie van dien naam; dus stelde ik er mij heel wat van voor er te gaan logeeren. Tante is altijd mijne lievelingstante geweest en bovendien…. twee aardige, vroolijke nichtjes van mijn leeftijd!

Eindelijk, eindelijk mocht ik gaan en aanvaardde ik met een hart vol blijdschap en verwachting die korte zeereis, want, niettegenstaande men tegenwoordig Pasoeroean ook met den trein kan bereiken, ging ik toch liever met een der booten van de Paketvaart. Het is ook niet alles, om in den Oostmoesson twee dagen lang in zoo’n bedompten stoffigen trein te zitten!

Na een verrukkelijk zeereisje van drie dagen, kwam ik gezond en wel te Pasoeroean aan en werd met een hartelijk welkom door Tante en de nichtjes ontvangen.

“Nu kind, blij je te zien, hoor,” zei Tante; “nu zullen wij eens pret maken, dat verzeker ik je! Pasoeroean is wel niet zoo groot en chic als Batavia, maar toch! binnenlandsch plezier is voor een tijdje ook wel aardig!”

Nu, daar was ik dan ook niet bang voor, maar ach! wat viel alles anders uit, dan ik verwachtte! Ja, toen ik nauwelijks twee dagen daar was, gebeurde het verschrikkelijke, had de ramp plaats, waarbij zoovele menschen omkwamen en anderen weer, wel gered werden, maar helaas! hun huis en goed verloren, ja, alles wat zij bezaten! –

Het was ons opgevallen, dat het overdag zoo donker was, zoo net, alsof er regen zou komen; een heel vreemd verschijnsel in den Oostmoesson. Af en toe hoorden wij ook donderslagen, maar heel, heel dof. Doch den tweeden dag werd de duisternis hoe langer hoe grooter, zóó zelfs, dat wij ’s middags bij de rijsttafel de lampen moesten opsteken en jawel….

“Njonja! njonja, ada oedjan aboe, oedjan aboe! Semoea soeda poetih!”(mevrouw, mevrouw, er is een aschregen! Alles is wit) – riep Minyoe, de huisjongen op eens.

Wij sprongen natuurlijk allen verschrikt op en vlogen naar buiten den tuin in. Het schouwspel, dat wij aanschouwden, zal ik niet licht vergeten. Minyoe had maar al te zeer gelijk. Een dichte aschregen viel neer en maakte alles wit, de boomen, de daken, het gras, de planten. Het was net een winterlandschap, als alles bedekt is met een laag sneeuw. – Nooit zal ik dien treurigen, zwaarmoedigen blik van Tante vergeten, toen zij zei: “Er is zeker eene uitbarsting van een der bergen, kind, het loopt nooit goed af!”

Wij meisjes (welke onnadenkende wezens bestaan er?) vonden het voorval nog al leuk, hoogst interessant, maar o! eenige dagen later…

“Ja, zie je kind, met de uitbarsting van den Krakatau (je weet, toen was oom assistent-resident te Garoet) viel er ook een aschregen; als het nu ook m aar niet tot iets ergs komt!” –

En o! nu ik deze regelen schrijf, wat is er in dien tijd tusschen nu en toen veel gebeurd, veel naars en treurigs, aangrijpend treurigs!

Reeds den volgenden morgen hoorden wij, dat er inderdaad eene uitbarsting was en nog steeds voortduurde, eene uitbarsting van den Kloet, een berg op de grens van de residentiën Kedirie en Pasoeroean. –

Blitar, in het Kedirische, is een der plaatsen, die het meest de gevolgen van de uitbarsting hebben gevoeld, ook in Klingi, dicht bij Blitar waren ongeveer vijftig menschen omgekomen, waaronder vele Europeanen. In de afdeeling Blitar moest dit aantal nog grooter zijn. Reeds de twee eerste dagen werden tweehonderd lijken gevonden. Stelt u voor, tweehonderd lichamen verbrand, op de gruwelijkste wijze gepijnigd. Het schouwspel, dat dien dag, het was Donderdag, werd waargenomen, was in hooge maate angstwekkend. Geluiden als kanonschoten, gevolgd door een schrikbarend gerommel en vervolgens door een modder-, asch- en steenenregen, brachten een paniek teweeg onder de bevolking. Toen het ongeveer zes uur was en de zon moest opkomen, zag men een dichte aschwolk met een rossigen gloed overtogen.

Vol ontsteltenis, met ontzetting geslagen, wierpen de Inlanders zich op den grond, prevelden gebeden of riepen in wanhoop: “Allah! bintang boentoet, la i-lah, bintang boentoet!”(God, o God de staartster, de staartster!) –

Gij moet weten, dat wij een week of wat geleden hier een komeet zagen en nu is het een bijgeloof bij den Inlander, dat zoo’n komeet altijd de voorbode is van het een of ander onheil, meestal eene aardbeving. Zoo zag men vóór de uitbarsting van de Krakatau ook een staartster. – Vandaar hun angst en ontsteltenis. Allah zond immers altijd een “bintang boentoet” als zijne kinderen slecht waren geweest en gestraft moesten worden! En nu, ziedaar, nu kwam de straf; daar, achter die geheimzinnige zandbank, was daar Setan niet gezeten en wierp hij niet met gloeiende steenen en gloeiende modder om zich heen? Bracht hij geen verderf en rampspoed en armoede en ontbering? Zoo zij maar goed en braaf waren geweest, ja, dan zou Allah Setan wel verdreven hebben, maar nu! ….?  “Allah, Allah, la i lah, la i la lah, amin! amin!” prevelden zij in wanhoop.

Verscheidene Europeanen begaven zich naar het station, waar, dank zij de flinkheid van den stationschef, een trein in gereedheid werd gebracht, die in anderhalf uur tijds, langzaam voortstoomende, de overzijde van de rivier de Brantas, bij Retjotangan, bereikt. Ook de Inlanders, langzamerhand gekalmeerd, zochten een goed heenkomen, hetzij naar het station om met den trein te vertrekken, hetzij naar een of ander hoog punt van Blitar. Honderden Inlanders waren o.a. verzameld bij het hoogste punt, waar een der hoofdagenten van de Koloniale bank woont. Ook bij vroegere uitbarstingen werd deze plek gespaard. – Zij waren met lichtjes en flambouwen gewapend,w at een fantastisch schouwspel gaf. Nu, in tegenstelling met een paar uur geleden, waren zij kalm en rustig en wachtten gelaten af, wat komen zou. Immers, zij hadden Allah ampoen verzocht? En Allah was goed en vergevensgezind! –

Gedurende die volslagen duisternis hield de aschregen steeds aan. Doodstil was de natuur, geen vogel sjilpte, geen hond blafte. Die stilte werkte beangstigend; men verdiepte zich in allerlei veronderstellingen. Zou het nog lang aanhouden? Bij Tante thuis was het ook allesbehalve rustig. Den volgenden dag vernamen wij meer bijzonderheden van eene familie, die gevlucht was van hunne onderneming nabij Klingi en bij Tante haar toevlucht zocht.

Gij kunt u hun smart voorstellen, den zenuwachtigen toestand waarin zij verkeerden; mijn pen is onmachtig dien te beschrijven. Arme schepsels, beroofd van huis en goed, maar ach! toch ook rijk, in vergelijking van degenen, die niet alleen aardsche schatten, maar ook hun eigen vleesch en bloed te betreuren hebben. En hoevelen zijn er niet….?

Batavia, 31 mei 1901 – Tandjong-Hatti.’

Arbeiders van een koffiefabriek tijdens het opruimen van de asregen na een uitbarsting van de vulkaan Gunung Kelud (1907-1931). Collectie Tropenmuseum

Arbeiders van een koffiefabriek tijdens het opruimen van de asregen na een uitbarsting van de vulkaan Gunung Kelud (1907-1931). Collectie Tropenmuseum

Kelud/Kloet met kratermeer (Wikipedia)

Kelud/Kloet met kratermeer (Wikipedia)

De Kloet (Kelud) is een vulkaan op Oost-Java.Op Wikipedia: “In de krater bevindt zich een kratermeer. De Kelud is berucht door de bij een uitbarsting gepaard gaande overstromingen van dit warme kratermeer, die verwoestende modderstromen (die een mix zijn van water en vulkanoclastisch materiaal) tot gevolg hebben.” Sinds 1500 zijn er zo’n 30 uitbarstingen geweest; de laatste in februari 2014. Hierbij vielen drie doden. Ruim 100.000 mensen werden geëvacueerd.

De plaats Pasoeroean zal liefhebbers van het werk van Louis Couperus bekend voorkomen. Hier schreef hij in 1900 zijn meesterwerk De stille kracht, toen hij met zijn vrouw logeerde bij zijn zus Trudy en haar man  Gerard Valette, die daar zojuist was geplaatst als resident.

 

Reacties uitgeschakeld voor Ooggetuigenverslag uitbarsting vulkaan Kloet

Filed under Geschiedenis