Tag Archives: kleding

De Handschoen

[In De Hollandsche Lelie van 11 december 1901. ‘Uit het Duitsch door A.Z.’]

Handschoenen zijn een kostbaar toiletartikel. Daar men naar den handschoen de dame beoordeelt, en een vuile of gescheurde handschoen altijd zeer leelijk staat, moet men steeds zorg dragen dat dit onderdeel van het toilet onberispelijk is.

Wie zuinig wil zijn, moet, vóór alles, slechts de allerbeste, zij ’t dan ook de allerduurste, handschoenen dragen. Elke goedkoope handschoen wordt, door den korten tijd, dien men hem dragen kan, duur. Verder mag men goede handschoenen nooit zoo eens ‘eventjes aantrekken.’ Lichte, nette handschoenen, die men draagt, wanneer men bezoeken aflegt, zijn door het eventjes aantrekken bedorven.

Men moet den handschoen altijd langzaam en zorgvuldig aandoen, iederen vinger geheel gladstrijken, op ’t laatst de duimen er in steken, en den ondersten knoop langzaam dicht maken. Nieuwe handschoenen moet men vooral nooit haastig aantrekken.

Met lichte, fijne handschoenen vatte men geen deurknoppen aan, ga er niet mee op reis, enz. Balhandschoenen behooren altijd pas in de garderobe aangetrokken te worden, evenzoo handschoenen voor schouwburg of soirées.

Voor het dagelijksch gebruik des zomers zijn grijze of zandkleurige gemslederen handschoenen boven alle andere te verkiezen. Zij staan keurig, kunnen gemakkelijk met wat glycerine gewasschen worden en zijn zeer duurzaam. Nog beter zijn die van wit waschleder of glacé, welke echter ook van de beste qualiteit genomen moeten worden.

Voor morgenwandelingen, om boodschappen te doen, enz., is de garen handschoen, ook wel de mitaine zeer practisch.

In voor- en najaar is de roode hondsleeren handschoen beslist boven alle andere te verkiezen.

Men neme steeds handschoenen met drukknoopen, daar men dan van het aftrekken van knoopjes geen last heeft.

Ieder klein torntje van den naad moet dadelijk gerepareerd worden; heeft men het leer ingescheurd, dan legt men een klein stukje leer er onder en zoomt dat van den handschoen er netjes op.

Bij het uitdoen trekt men den handschoen zorgvuldig in het fatsoen, iederen vinger afzonderlijk en op ’t laatst den duim, welke men, zooveel mogelijk, evenzoo legt als bij den nieuwen handschoen. Dan legt men het paar plat in de doos. Is de handschoen van binnen misschien wat vochtig, dan moet hij opgeblazen worden en goed drogen.

Lichte handschoenen kan men heel goed schoonmaken, door ze met een stuk zachte gummi af te wrijven, nadat men ze aangetrokken heeft. Dan behoeft men ze slechts zelden in benzine te wasschen.

Goede handschoenen, waarvan de kleur leelijk geworden is, kan men in iedere chemische wasscherij zeer mooi, even licht of in iets donkerder kleur laten verven. Vooral gekleurde heerenhandschoenen, die door het schoonmaken allicht leelijk werden, krijgen daardoor nieuwe frischheid en geven volstrekt niet af.

Men wordt ernstig gewaarschuwd tegen het zelf verven der handschoenen, vooral tegen het zwart-verven. Zulke handschoenen geven altijd af en maken dan zeer leelijke vlekken.

Reacties uitgeschakeld voor De Handschoen

Filed under Dagelijksleven

Amerika rond 1900

[Uit De Hollandsche Lelie van 16 december 1903]

Cleveland, September 1903. Particuliere correspondentie aan de Holl: Lelie.

Sinds eenigen tijd in een der grootste en mooiste steden van Amerika wonende, wil ik trachten het een en ander over dit interessante land en volk mede te deelen, vermoedende, dat eenig Amerikaansch optimisme en idealisme uwen lezers en lezeressen welkom zal zijn.

Ik wil dan beginnen met te zeggen, dat de lucht zóó heerlijk en opwekkend is, dat de menschen daardoor echte behoefte gevoelen tot werken, ieder op eigen wijze. Daarom zou het voor zoovele Hollanders uitstekend zijn om hier een een tijd te zijn; niet alleen om eens iets heel anders in alle opzichten te zien en te ondervinden, maar ook om waar te nemen, wat werken is en hoeveel men vermag in een opwekkende lucht.

De Amerikanen over het algemeen leven luchtiger, het is of zij “zorgen voor den dag van morgen” niet kennen, evenmin of zij sparen voor den ouderdom of voor hunne kinderen; zij schijnen te leven bij den dag, steeds hoop hebbende vooruit te komen, en daardoor een gezegend optimisme koesterend in het dagelijksch leven, waarop dat slovend domme werken van de oude wereld maar weinig gelijkt. Bevalt hun eene betrekking niet, dan veranderen zij, snel handelend zonder overwegen; dit gaat hier veel gemakkelijker dan in Holland. In Amerika kan men altijd, en op zooveel verschillende manieren geld verdienen als men wil, terwijl dit in Holland helaas volstrekt niet het geval is. Zij zijn niet, wat wij onder “zuinig” verstaan. Hollandsche huismoeders zouden hun hoofd schudden over de manier, waarop de dames hier huishouden. Als ik aan Holland denk, zie ik een frisch, schoon land in mijne gedachten, omdat alles hier zoo vuil is. Dit is gedeeltelijk de schuld van de fabrieken, maar ook voor een groot gedeelte die der vrouwen. Ze kennen in het geheel niet de idee van netheid welke alles onderhoudt en stofvrij maakt. Ik weet, dat dit in Holland veel overdreven wordt en het zou goed zijn, als er in die peuterige netheid verandering kwam; wanneer Hollandsche huismoeders niet zoo vreeselijk in kleinigheden opgingen en zich daardoor zorgen op den hals haalden, waardoor zij grootere levenszorgen dikwijls over het hoofd zien, maar toch strijdt mijn Hollandsch netheidsgevoel er tegen, dat hoogstens twee keer per jaar het houtwerk van de kamers gedaan wordt, de dames ééns in de week vegen, de ramen een heelen zomer niet gereinigd worden etc. Een werkster die wij hadden zei “you are too particulr, you will change, when you are a few years here.” Nu, het kan zijn, maar ik hoop toch steeds mijn Hollandsche netheid hoog te houden. Het is verdrietig, dat er zoo weinig goede hulp voor ode huishouding hier is; de Amerikaansche meisjes schijnen nu eenmaal niet aangelegd te zijn voor huishoudster; zij die hun brood moeten verdienen zijn allen werkzaam in fabrieken, winkels enz., daarom nemen de dames die het betalen kunnen veel Europeesche hulp; zoo heeft een mijner kennissen een Zweedsch en een Finsch meisje in huis. Wat zal dat een Babylonische spraakverwarring geven!

Aan het verstellen van kleederen besteden ze niet veel tijd; dames dragen erg dun goed, dat ze weggooien, als het kapot is. Als ze eene Hollandsche dame zagen, die bezig was een stukje in het een of ander kledingstuk te zetten, zouden ze er zeker verwezen naar kijken en niet begrijpen waarvoor dát dient. De onderkleeren voor dames zijn over het algemeen goedkoop, maar men doet er niet zoolang mee als in Holland, bovenkleeren daarentegen zijn zeer duur. Amerikaansche dames moeten wel een kapitaal besteden aan hunne kleeren, als men ziet, welke keurige, smaakvolle, dure japonnen ze altijd dragen. Zomers hebben ze heel dunne doorschijnende, liefst witten japonnen aan, bijna voor Hollandsche oogen baljapons; maar ik moet er bijvoegen, dat ze deze veel zelf maken en daardoor veel geld besparen. Amerikaansche dames en heeren zien er altijd uit om door een ringetje te halen; dat is iets, waarover ik mij dikwijls verwonderd heb, wanneer men weet, hoe weinig hulp de meesten hebben en hoe vuil de huizen, straten etc. zijn door den rook en zwevende stof. Het wasschen en strijken van het goed is dan ook het punt van de huishouding. Ik moet zeggen, ze hebben er wel succes mee!

Aan het koken wordt veel minder zorg besteed, eene Amerikaansche dame, die ik gekend heb, vertelde mij, dat zij ééns in de week het een en ander kookte en dat zij en hare kinderen verder maar aten, wat er nog over was, of wat ze in de winkels halen kon. De Amerikanen eten minder dan de Hollanders; in hoever het goed is, weet ik niet; zeker is het dat men heel veel slecht uitziende vrouwen en kinderen ziet; doch waar is het ook, dat de Hollanders heel dikwijls meer eten dan zij noodig hebben. Ons lange tafelen of ons gezellig theeuurtje kennen ze niet; alles wordt in den kortst mogelijken tijd gebruikt en van naplakken is geen sprake. De gezelligheid is dan ook iets, wat de Hollanders hier erg missen. Toch zullen de Amerikanen zelden iets gebruiken buiten de vier muren van hunne binnenkamer, ik heb mij zoo dikwijls verwonderd, als ik ergens op visite was, dat mij niets gepresenteerd werd hoogsten een glas ijswater en wat Candy! De Candy wordt op elk uur van den dag en op elke plaats verorberd, het is ontzettend zóóveel suikergoed en bonbons van allerlei soort hier gegeten wordt.

Men kent hier geen café’s met in den zomer stoeltjes en tafeltjes buiten; men moet echter niet denken, dat er daarom minder sterke drank gebruikt wordt; integendeel, maar dan staande aan de toonbank van een salon, dat is een soort herberg.

De huizen maken over het algemeen een aardig effect, omdat elk op zichzelf staat, omgeven door een yard, dit is een stuk grond, meestal met weinig bloemen, maar veel gras. Het gras wordt bijzonder goed onderhouden; de Amerikaan stelt er een eer in het gras prachtig te hebben, zonder een enkel onkruidplantje. Eens of twee keer per week wordt het dan ook gemaaid en het onkruid er uit gehaald. Een yard is niet omgeven door een hek, zooals bij ons, waar vrees voor dieven en inbrekers heerscht, maar men kan integendeel van de ene yard naar de andere loopen en men kan er ook van den straatweg opkomen. Toch zal men nooit baldadigheid zien, ik zou zeggen, juist omdat er vrije toegang is en ook vooral, omdat er weinig sprake van jaloezie kan zijn, daar elke werkman een huisje apart heeft, soms heel klein, maar toch altijd met een stuk grond er bij.

Een belangrijk deel van het huis is de porch, dat is een overdekte stoep waardoor er een soort veranda gevormd wordt. Het is eene plaats, waar de Amerikanen veel huizen; des zomers in den middag zitten de dames er met hunne boeken en handwerken en ’s avonds, wanneer het werk van de heeren afgelopen is, zit er de hele familie hetgeen beslist een allergezelligst gezicht is. Zoo’n porch leidt tot keuvelen en heeft iets geheimzinnigs, doordat het er betrekkelijk donker is; een groot bezwaar er van is echter, dat het licht van de kamers wordt ontnomen.

Deze zijn over het algemeen niet zoo groot als in Holland, maar men heeft alleen de hoognoodige meubelen. De rockerchairs (schommelstoelen) zijn onmisbaar, men ziet ze overal en bij iedereen en zelfs kinderen hebben dikwijls kleine schommelstoeltjes. Lang niet iedereen woont echter in heele huizen, men heeft ook veel gebouwen, waarvan de verdiepingen (flats) verhuurd worden. Zoo’n gebouw heeft meestal vier vijf of zes verdiepingen, er is meestal een lift aanwezig, welke noodzakelijk is daar de huizen zooveel hooger zijn dan bij ons: een verdieping is dikwijls weder verdeeld in front (vóór) en back (achter) flats, waarvan de laatsten natuurlijk iets goedkooper in huurprijs zijn.

Het wonen in Amerika is overigens erg duur. Voor een eenvoudig flat, bestaande uit huiskamer, eetkamer, keuken, twee slaapkamers en een badkamer betaalt men omstreeks 25 dollars per maan, dat is in Hollandsch geld ƒ 750 per jaar. Daar echter hier alles veel duurder is en ook de loonen hooger zijn, kan men door een herleiding in Hollandsch geld geen goed denkbeeld krijgen van zulke prijzen. Dit verschil buiten rekening latende, zou men kunnen zeggen, dat alles hier anderhalf maar zoo duur is als in Holland. Onder de huur van bovengenoemd flat is gerekend ’s winters verwarming en het heele jaar door warm water.

Deze twee laatste dingen zijn bijzonder geriefelijk. De verwarming mag vooral niet vergeten worden als in de huur inbegrepen te zijn, daar de kolen hier enorm duur zijn. Voor menschen, die eenvoudig leven moeten, en het liever zonder hulp doen, is het bewonen van een flat zeer aan te raden; alleen heeft men dan geen yard, hetgeen in de zomers een groot gemis is.

Nu ik toch bezig ben met de huizen wil ik ook niet de zoogenaamde “skycrapers” vergeten. Dit zijn gebouwen, bestaande uit twaalf, vijftien, soms twintig verdiepingen; wanneer men voor het eerst zulke gebouwen ziet, (ik herinner mij, dat ik ze het eerst zag toen ik van Hoboken naar New-York met de boot ging) maken ze een grootschen indruk en onwillekeurig denkt men: wat moet daarin omgaan!

SKyline Manhattan 1900

Skyline Manhattan 1900, zie: bron en lijst gebouwen

Eenigen tijd geleden zag ik zoo’n gebouw van binnen; een breede ingang leidt naar een hall, geheel van marmer met randen van met de hand ingelegde steentjes, hetgeen een mooi effect maakt. Ik stapte in een lift en had tegen den elevatorboy (liftjongen) niets anders te zeggen dan 7.21, hetgeen beteekent: zevende verdieping, nummer een en twintig. Op de 7e verdieping uitgestapt zijnde, kwam ik in een breede gang, waarop alle kantoren uitkomen. Elke verdieping van dat gebouw heeft dertig kantoren en daar er dertien verdiepingen zijn, zijn er dus drie honderd negentig kantoren! Het gebouw bestaat geheel uit ijzer met een laag beton, ook is alles brandvrij gemaakt. Ieder kantoor heeft onder den houten vloer een ijzeren vloer, zoodat, wanneer er brand mocht komen, deze zich altijd beperkt tot één kantoor. Daarenboven is in elke gang een brandspuit aangebracht, die men zelf hanteeren kan, door hem van den standaard te nemen en de kraan open te zetten. Eigenaardig is, dat de bovenste verdieping het duurst is, omdat men er het meeste licht heeft.

De winkels zijn ontzettend diep en breed; onze grootste Hollandsche winkels beginnen een beetje op de kleinste hier te gelijken. De bediening is vlug, maar men wordt meer aan zichzelf overgelaten, de verkoopers prijzen hun waar niet zoo aan; men is daardoor vrijer in zijne handelingen en men ziet er niet tegen op uit den winkel te gaan, wanneer men niet vindt wat men zocht. De eetwaren, zoals vleesch, groenten, eieren, kaas, boter enz. worden keurig ingepakt; men kan zien dat de dames alles zelf koopen. Het vleesch is niet zoo goed als in Holland, uitgezonderd het varkensvleesch, hetgeen hier beter is, daar de varkens beter gevoed worden. Chicago is het centrum van de varkensteelt. De groenten zijn schaarsch en duur; men eet hier erg veel corn, een goedkoope en voedzame groente, die in Holland niet bestaat, terwijl onze snijboonen en peulen hier onbekend zijn. Vruchten zijn hier heerlijk en niet duur; vooral in Californië worden prachtige vruchten geteeld.

Men kan merken dat de Amerikanen veel van planten houden en over ’t algemeen veel aan plantkunde doen. Zondags om vier of vijf uur, kan men de trams vol menschen zien, die een dag buiten hebben doorgebracht en dan naar huis gaan met groote bouquetten veldbloemen, die hier schijnbaar meer op prijs gesteld worden dan in Holland, waar ik dikwijls den neus heb zien ophalen voor een bouquet dotterbloem, hondsdraf, enz.

In Amerika wordt ontzettend veel gebruik gemaakt van de trams, ten eerste, omdat de afstanden zoo groot zijn en ten tweede omdat die trams zoo prachtig ingericht zijn. Natuurlijk hebben zij electrische leiding, ’s zomers altijd open met aan weerskanten gordijnen, die men op en neer kan doen, al naar dat men dat verkiest. Een Clevelandsche tram heeft dertien banken, ieder voor personen, er zouden dus minstens 65 personen vervoerd kunnen worden, men kan echter altijd met een tram meegaan, wanneer men althans staan wil. Een rit kost vijf Amerikaansche centen en men kan alleen bij de zijstraten op laten houden. Amerikaansche straten zijn recht en breed; op gelijke afstanden heeft men zijwegen, de huizen tusschen twee zijstraten noemt men “blocks”.

Daar de straten zoo breed zijn, kan men altijd twee paar rails hebben en heeft men dus geen wissels noodig. ’s Morgens vroeg om half zeven zijn de trams al propvol, daar de fabrieken om half zeven, zeven uur of half acht beginnen, ’s avonds wordt niet gewerkt, de winkels sluiten om half zes. Daar men zoo vroeg opstaat, gaat men uit behoefte ook vroeger naar bed, hetgeen heel gezond is, en waaraan wij Hollanders weleens meer mochten denken.

Hoewel Amerika, Holland in veel dingen ver vooruit is, blijf ik toch altijd met eene lieve herinnering aan ons vaderland denken en in het diepst van mijn hart staat te lezen, dat ik Holland liefheb. Zou het nu niet kunnen zijn dat Holland van het vrije, breede, gezonde Amerika wat overnam? Hoe meer ik van Holland houd, hoe meer ik dat wens.

S.P.

[Op YouTube een mooi filmpje van het straatbeeld in San Francisco in 1900]

Reacties uitgeschakeld voor Amerika rond 1900

Filed under Wereld

Giftige mode

Eén van de interessantste stukken op de tentoonstelling ‘Romantische mode’ in het Gemeentemuseum Den Haag is een avondjapon die geverfd is met arseengroen. Dit is een verfstof (‘emerald groen’ of ‘Parijs groen’) die het dodelijke arsenicum bevat en die nog tot laat in de negentiende eeuw is gebruikt, onder meer voor baljaponnen. Het risico was in medische kringen al wel bekend en er werd langs alle mogelijke wegen gewaarschuwd voor de gevaren die de naaisters, fabrikanten, verkoopsters en natuurlijk de draagsters van de jurken liepen.

Avondjapon geverfd met arseengroen, ca. 1865-70, katoen, zijde (expo Romantische mode, foto GS)

Avondjapon geverfd met arseengroen, ca. 1865-70, katoen, zijde (expo Romantische mode, foto GS)

Ook in De Hollandsche Lelie van 14 oktober 1896 was een artikel opgenomen, getiteld ‘Vergiftige kleeding’:

“Als wij tevreden waren met de oorspronkelijke kleur van de gesponnen draden, zouden er geene japonstoffen zijn met vergiftige eigenschappen; maar wij eischen van de kleeding niet alleen, dat zij ons zal beschermen tegen de guurheid van het weer, maar zij moet ons ook tot een sieraad strekken. Nu zijn er wel is waar vele onschadelijke verfstoffen, maar onze zucht – moet men haar betreuren of toejuichen? – om een rijke keus te hebben, is oorzaak, dat de ververs in het gebruik van niet-onschadelijke stoffen een al te ruim geweten krijgen.

Het zijn juist dikwijls de mooiste kleuren, die het meeste gevaar opleveren. Zoo is b.v. het bijzonder frissche groen van vele stoffen voor baljaponnetjes een van de ergste vergiften, te weten het Schweinfurter groen, d.i. arsenicum-azijnzuur koper: dat bestaat dus uit een vermenging van de twee zwaarste vergiften: arsenicum en koper. Als een kleedingstuk, dat met dat groen geverfd is, in aanraking komt met de huid, ontstaan daarop dadelijk puistjes; ook geeft het dragen van zulk een kleedingstuk allicht aanleiding tot zweertjes op de lippen of ontsteking van de oogen.

Soms ziet men baljaponnen, die met goud of zilver bestrooid schijnen te zijn. ’t Is waar, dat het zeer mooi staat, maar die japonnen zijn zeer schadelijk voor de gezondheid. Wat men voor goud- en zilverpoeder aanziet is een vermenging van koper met zink en bestaat uit scherphoekige loovertjes, die slechts zeer los op het weefsel bevestigd zijn, bij de beweging van het dansen losgaan en opwaaien, dan al heel licht ingeademd worden en niet slechts aanleiding geven tot ontsteking van de gevoelige slijmvliezen van de keel en de longen en wat daarvan nog verder de gevolgen kunnen zijn, maar die bovendien het lichaam vergiftigen.

Sedert de uitvinding van de anilinekleuren kan men ook zeer goed figuren drukken op katoen en batist. De anilinekleuren zelve zijn niet vergiftig; maar om ze op den katoenen draad te kunnen bevestigen, wordt het weefsel dikwijls vooraf geweekt in een laag van arsenicum-zure pijpaarde. Stoffen met een paarse grondkleur en daarop gedrukte witte figuren, evenzoo katoentjes met bruingele of roodbruine figuren en ook stoffen, waarop met een grijze, zwarte of rose kleur gedrukt is, hebben allicht de kuur ondergaan van het weeken in arsenicum. De anilinekleuren zijn niet ‘waschecht’, en het is niet onmogelijk, dat zij ook tengevolge van de inwerking van de uitwaseming der huid arsenicum afgeven.

Kousen en omslagdoeken roodgeverfd met koralline hebben reeds dikwijls aanleiding gegeven tot puistjes op de huid, wat ook al een bewijs is, dat er arsenicum in zit.

Het zekerste middel om dierenhuiden tegen de mot te beveiligen is arsenicum; daarom worden die huiden vóór het opmaken aan de binnenzijde, dikwijls ook aan de buitenzijde bestreken met een oplossing van arsenicum. Daardoor kan nu niet zoo licht onheil ontstaan, maar wel, wanneer, zooals dikwijls gebeurt, bontwerkers en bontverkoopers arsenicum strooien op het bont, dat zij nog moeten verkoopen, of dat hun ter bewaring is gegeven; daar mag men wel om denken, voordat men het bont in gebruik neemt.

Het gebruik van koper en arsenicum is wel is waar verkeerd, maar heeft geene slechte bedoelingen, zooals dat bijna altijd het geval is bij het gebruik van lood. De fabrikant, die in de zwarte zijde voor japonnen zooveel lood tracht te brengen als maar eenigszins mogelijk is, of die de naaizijde – die helaas bij het gewicht verkocht wordt – zoozeer drenkt met loodsuiker, het gevaarlijkste van alle loodzouten, dat zij zoetachtig smaakt, wil niets anders dan het gewicht van zijne koopwaar zwaarder maken en den kooper bedriegen. Voordat men zijde koopt, moet men met een klein staaltje probeeren of er lood in is.

Daartoe moet men het staaltje zijde in azijn leggen, de vloeistof er eenige uren later afgieten in een helder glas en er een paar druppels zwavelzuur bijvoegen; dan mag er geen wit, vlokkig bezinksel komen. Men moet nooit een zijden draad in den mond nemen, voordat men hem in de naald steekt!

Hoewel kappen van kinderwagens  niet tot de kleedingstukken behooren, dient hier toch nog vermeld te worden, dat er een soort van wit (Amerikaansch) wasdoek is, dat vroeger heel dikwijls voor zulke kappen gebruikt werd, dat tot 46% van zijn gewicht uit loodwit bestaat. Als kindertjes, die dagelijks vele uren onder zulk een kap doorbrengen, vroeg sterven, behoeft men waarlijk niet verwonderd te zijn. Paardenhaar in de zittingen van stoelen, enz. bevatte bij een chemisch onderzoek ook veel lood (3%).”

Door Holda, ‘Uit het Duitsch van L.B.’

Reacties uitgeschakeld voor Giftige mode

Filed under Kleding

De keuze van ons toilet

In de rubriek ‘Vormen’ geeft ‘Tante Jo’ op 22 november 1893 uitgebreid advies over welke kleding wel en niet mag worden gedragen.

“Wat tegenwoordig de hoofden van de meeste jonge meisjes bezighoudt, is de keuze van hun toilet. De modes wisselen dan ook zoo spoedig, de stoffen zijn zooveel minder degelijk dan vroeger, dat het ook zoo langzamerhand een groote kwestie is geworden zelfs voor hen, die nu niet zoo geneigd zijn zich slaafs te onderwerpen aan de heerschappij der grillige vorstin.

Maar evenals met zooveel, dient ook de keuze van ons toilet, onze geheele verschijning dat cachet te dragen, dat zelfs de meest oppervlakkige beschouwer ons eene beschaafde vrouw noemt. Slechte, ongekuischte smaak is meestal het kenmerk der minder beschaafde klasse. Een gedistingeerde vrouw draagt zorg haare kleeding in overeenstemming met de omstandigheden te kiezen en waakt er voor steeds keurig netjes te zijn. Het kostbaarste toilet zal de draagster tot schande zijn als het vuil of gekreukeld is. De kleeding van een dame, kostbaar of eenvoudig, behoort steeds zoo te zijn dat zij zich aan iederen bezoeker kan vertoonen.

Het gebeurt mij wel eens dat ik, ergens een bezoek afleggende, eenigen tijd moet wachten, tot men mij ontvangen kan; verschijnt dan eindelijk de huisvrouw of een harer dochters, zoo ontvangt men onmiddellijk den indruk dat zij zich even voor de gelegenheid heeft opgeknapt. Doe dat nooit, meisjes, het maakt een bezoekster verlegen, daar zij instinctmatig gevoelt niet bijzonder welkom te zijn. Voor goede vrienden behoeft men zich niet te schamen een ochtend- of huisjapon aan te hebben, mits deze schoon en netjes is.

Moeten wij dan noodzakelijk der wereld een ander beeld geven dan wij in werkelijkheid zijn? Mogen wij ons aan onze liefste betrekkingen vertoonen in een oud, morsig kleed, dikwijls hier en daar getornd, soms met rafeligen rok, ongekapte of zeer slordig gekapte haren, om op straat en partijtjes er als een modenufje uit te zien? Is dat het beeld eener beschaafde vrouw; zou eenig man zich ooit de vrouw, die koningin van zijn haard, zóó kunnen voorstellen? En toch ken ik helaas meisjes en jonge vrouwen, die op een dergelijke wijze handelen. Stel u voor dat de meid om een boodschap is, en zoo’n dame (?) moet zelf opendoen. Wat een beschamend gevoel moet het dunkt mij zijn, als men op het gelaat van den bezoeker verbazing of twijfel leest, als hij in die slordige vrouw niet dadelijk het elegante persoontje van gister herkent.

Hoe schamen zich zulke dames wel niet voor hunne dienstboden? Ik heb van zoo’n meisje wel eens bij wijze van verontschuldiging gehoord, dat zij met goede, nette kleeren geen huiselijken arbeid kon verrichten. En uw dienstboden dan, het vuilste, ruwste werk is voor hen, en gij eischt, dat hun japon steeds schoon, hun boezelaars hagelwit zijn, en muts en haren keurig netjes zitten. Neen, hoe lief en intelligent zoo’n meisje of jonge vrouw ook moge zijn, een dame in den rechten zin van het woord zal zij nooit zijn, en kan dat ook nooit worden.” […]

“Gedoogt uw beurs niet om in alles de grillen der mode te volgen, kies dan uw kleeding zóó dat zij een poosje mee kan, zonder dat gij er met een maand ouderwetsch of bespottelijk uitziet.” […]

“Gij gebruikt toch hoop ik nooit poudre de riz om den in de oogen van vele jonge meisjes hatelijken blos te bedekken, of wel om uw gezonde bruine teint, die zoo goed bij uwe donkere haren en oogen past, in een ziekelijk bleek te veranderen? Laat u daartoe onder geen enkel voorwendsel overhalen, het maakt u vóór uwen tijd oud en doet u verflensen. Over jeugd en gezondheid behoeft men zich niet te schamen. Gij benijdt in uw dwaasheid de kwijnende houding en het doorschijnend wit eener mondaine, die, al noemt zij u ook bakvischjes, u in haar hart benijdt om uw kostelijke jeugd en het frissche incarnaat op uw wangen. Er is ook ten opzichte van het toilet nog zooveel in aacht te nemen dat niemand u leeren kan. Gij moet dat zelf gevoelen. Hoe beschaafder gij zijt, hoe gemakkelijker het u in deze zal vallen te doen wat de étiquette van uw eischt.

Ten slotte wil ik nog wijzen op eene fout, waarin zeer veel menschen vervallen. Ik bedoel de op- en aanmerkingen, die zij zich veroorloven op het toilet van anderen. Men behoort mevrouw A. niet te toonen, dat men heeft opgemerkt dat zij een nieuwe japon aan heeft. Evenmin vertelt men Louise B. hoe men over haar nieuwen hoed denkt, en nog minder informeert men zich bij een derde naar den prijs van een of ander kleedingstuk, dat de eer heeft van in onzen smaak te valen. Dat wij geen afkeurend oordeel uitspreken over iets in de kleeding onzer vriendinnen of kennissen, dat verbiedt ons ieder begrip van welvoegelijkheid, als ten minste fijngevoeligheid en goedhartigheid in deze geen woordje meespreken.

Zelf iemand attent maken op iets nieuws of elegants in onze kleeding zou wel een zeer groot vergrijp zijn tegen den goeden toon.

Het Toilet, 22 november 1893

Het Toilet, 22 november 1893

Reacties uitgeschakeld voor De keuze van ons toilet

Filed under Kleding