Tag Archives: literatuur

Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Volgens www.literatuurgeschiedenis.nl wist geen enkele andere Nederlandse schrijfster de literaire wereld in de negentiende eeuw zo te domineren als ‘Truitje’ Toussaint. Bijna een halve eeuw is zij als auteur actief geweest en in die tijd heeft ze een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. In het deel over de negentiende eeuw van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur schrijven Willem van den Berg en Piet Couttenier: “De historische roman kreeg in A.L.G. Toussaint een vertegenwoordigster van allure. Truitje Toussaint, na haar huwelijk in 1851 met de schilder Bosboom bekend als Bosboom-Toussaint, werd in de negentiende eeuw en wordt ook nu nog beschouwd als de belangrijkste romancière van haar tijd, die met haar historische en andere romans haar mannelijke collega’s ver achter zich liet.”

Mag zij tegenwoordig vooral bekend zijn vanwege de straten en pleinen die er naar haar genoemd zijn, voor de lezeressen van De Hollandsche Lelie was zij nog een echte grootheid. Hiervan getuigt bijvoorbeeld het artikel dat in het nummer van 7 februari 1894, zo’n acht jaar na haar dood, is opgenomen:

Anna Louisa Geertruida Toussaint 1812 – 1886

Een onzer grootste schrijfsters is ontegenzeglijk Mevrouw Bosboom-Toussaint. Haar heengaan op den 13den April 1886, was voor de letterkundige wereld een groot verlies en haar plaats zal niet gemakkelijk ingenomen worden.

Geertruida Toussaint werd geboren te Alkmaar, den 16den September 1812. Haar ouders, Cornelia Roquette en Hendrik Toussaint, waren van alouden Hugenootschen oorsprong.

Hendrik Toussaint vestigde zich als apotheker te Alkmaar, alwaar hij, na de oprichting der Clinische school in 1826, lector in de Chemie, de Botanie en de Natuurlijke Historie werd. In de stad zijner inwoning genoot Toussaint de algemeene achting. Toen zijn huwelijk door de geboorte van een dochter gezegend werd, dacht de kleine hoofdstad van Kennemerland zeker niet, dat zij in haar eens haar meest begaafde vrouw begroeten zou.

Op achtjarigen leeftijd werd Geertruida toevertrouwd aan de zorgen van haar grootmoeder van vaderszijde, mejuffrouw Toussaint-Talma, te Harlingen. De ontwikkelde grootmoeder, die een zeer goeden smaak bezat op letterkundig gebied, gaf het vlugge meisje een uitstekende opvoeding.

Geertruida bleef tot 1830 in Harlingen, waarna zij voor goed in Alkmaar terugkeerde.

Een leven, dat bestond in bezoeken afleggen en ontvangen, in het najaren van allerlei genoegens, in het lijdelijk wachten op  een huwelijksaanzoek, in één woord een leven zonder doel, dat was voor haar werkzamen geest onmogelijk. Zij legde zich daarom met allen ijver toe op de studie voor het examen als onderwijzeres. Reeds van den beginne kenmerkte zij zich door groote wilskracht en volharding in een eens genomen besluit en met goed gevolg deed zij dan ook in 1833 te Haarlem examen in de Nederlandsche, Fransche en Duitsche talen en de overige destijds vereischte vakken. Haar streven naar onafhankelijkheid was bekroond en het “Help u zelf” vereeuwigde zij veertig jaar later in de vrouwelijke karaktervastheid van haar “Majoor Frans”.

Eenigen tijd na haar terugkomst in Alkmaar werd mejuffrouw Toussaint aangenomen bij den Hervormden predikant Vinke. Met den diepsten ernst legde zij haar belijdenis af, die een beslissende daad voor haar volgend leven was. Zij was godsdienstig in christelijk-hervormden zin; aan heuschheid en mildheid in het oordeelen over andersdenkenden heeft het haar nooit ontbroken; zij was een Christin in den waren zin des woords. Door haar deugdzaam leven heeft zij de woorden van den talentvollen redenaar en dichter Ten Kate tot een daad gemaakt:

Vergeet toch nooit dien dag der dagen / Vergeet toch nooit dien heil’gen stond, / Waarin g’uw Heiland hebt beleden, / Waarin gij Hem met hart en mond / Beloofd hebt, trouw te zullen volgen / Op ’t spoor, dat Hij u achterliet; / Laat in den maalstroom niet verzinken / Dien heil’gen dag, vergeet hem niet!

Na haar belijdenis en haar examen aanvaardde zij een betrekking als gouvernante in een deftig gezin te Hoorn. Na een tweejarig verblijf aldaar kreeg zij echter de overtuiging, dat haar roeping niet lag in het geven van onderwijs. In dien tusschentijd had zij zich steeds beziggehouden met letterkundigen arbeid en de vertaling van een buitenlandschen roman begonnen. In Alkmaar teruggekeerd, zette zij die vertaling voort, doch onaangenaamheden met den uitgever deden haar van het vertaalwerk afzien en zij besloot nu te beproeven, wat zij zelve zou kunnen voortbrengen.

Haar eerste novelle “Almagro” werd niet alleen door het lezend publiek gunstig opgenomen, maar trok ook de aandacht der letterkundige wereld. Van nu af wijdde zij zich geheel aan letterkundigen arbeid. Thans volgde er een geheele reeks van historische romans. De tijdperken, die zij behandelde en de historische personen, die zij schetste, had zij grondig bestudeerd. Haar Leycester-romans bewijzen hoe veelomvattend haar historische kennis was en hoe diep haar blik ging bij haar historische studiën. Haar “Huis Lauernesse” heeft zeer veel opgang gemaakt en is in het Duitsch en in het Engelsch vertaald.

Van haar romans uit den lateren tijd heeft vooral “Majoor Frans” een groot succes gehad en dit werk is dan ook in het Fransch, Duitsch, Engelsch en Zweedsch overgezet. Verscheidene eervolle onderscheidingen, zoowel van het binnen- als van het buitenland, zijn aan de talentvolle schrijfster ten deel gevallen.

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

In 1851 trad zij in het huwelijk met den heer Bosboom, een onzer beroemdste schilders.

De viering van haar 25jarig huwelijksfeest en van haar 70sten geboortedag hebben bewezen, hoe zeer haar tijdgenooten op haar gesteld waren.

Hoeveel achting zij genoot en hoe groot de invloed van haar talent was, kan het volgende bewijzen. Ten behoeve van een ongelukkigen koetsier schreef zij een feuilleton in het Dagblad van ‘s-Gravenhage, keurig van vorm en rijk van inhoud. De bijdragen voor den armen koetsier stroomden haar toe; dat was niet enkel uit meewarigheid met het lot van de ongelukkige, maar vooral ook uit achting voor de talentvolle vrouw.

Hoe groot haar bekwaamheid ook was, en hoe gevierd zij ook werd, zoo was mevrouw Bosboom toch een zeer eenvoudige vrouw. Zij heeft weinig of bijna niet gereisd, maar altijd heeft zij zich door nauwgezette studie op de hoogte gesteld van de tijden, plaatsen en personen, in verband staande met de stof, welke zij zich voor haar romans koos. Dat alles trad dan voor haar als het ware in het leven op; zij verplaatste zich gemakkelijk in de tijden, die zij behandelde en leefde met haar personen mee. In al haar werken heeft zij een geleidelijken gedachtenloop, een noodzakelijke opeenvolging van gebeurtenissen, een waarschijnlijke en natuurlijke, een door oorzaken gemotiveerde handeling neergelegd; zij heeft den historischen roman tot een zeden- en karakterroman verhoogd.

“Er is in Van Lennep de frischheid van een najaarsdag des Noordens; Mevrouw Bosboom-Toussaint bezit daarbij ook den rijksten gloed van het Zuiden, en zij stort dien onweerstaanbaar over in het gemoed van wie haar leest; zij adelt de stoffe, die zij bemeestert.” (Hofdijk)

De groote en langdurige inspanning, die zij zich bij haar studie en arbeid getroostte, had somtijds groote uitputting van haar physieke krachten ten gevolge, maar haar veerkrachtige geest en zenuwen hielpen haar er telkens weer bovenop, en telkens mochten nieuwe scheppingen weder getuigen van haar onafhankelijk oordeel en haar opgewekt geloof. De aanhoudende arbeid belette haar aan het maatschappelijk leven een werkzaam deel te nemen. Het gewoel der samenleving was haar te vermoeiend, maar in meer stille gezellige kringen bewoog zij zich gaarne en daar onderscheidde zij zich door levendig discours en tevens door een natuurlijken eenvoud. In die kringen werd haar bijzijn op hoogen prijs gesteld en ieder, die het voorrecht heeft gehad haar in huiselijken kring te leeren kennen, roemt haar niet enkel om de zeldzame eigenschappen van haar geest, maar ook om de echt vrouwelijke eigenschappen die de hoogbegaafde schrijfster sierden. Haar briefwisseling met letterkundigen en vrienden in binnen- en buitenland was voortdurend zeer uitgebreid. Als voorbeeld van haar groote verdraagzaamheid kan nog dienen, dat zij briefwisseling heeft gehouden met den beroemden Busken Huet en ofschoon velen zijner tijdgenooten zich van hem hadden afgekeerd, was een bezoek van hem háár altijd welkom.

 

Reacties uitgeschakeld voor Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Filed under Beroemdheden, Literatuur

Over meisjeslectuur

[Hoofdartikel in De Hollandsche Lelie van 4 juni 1902]

In onzen tijd van veelschrijverij is ook het veel lezen een algemeene gewoonte geworden, die zich in alle rangen verbreidt. Het geschreven woord is een macht, die invloed uitoefent op ieder gebied, en ook beteekenisvol in het private leven ingrijpt. Radeloos staat ook de ijverige lezer tegenover den vloed van nieuwe en nieuwste lectuur, waaruit hij het meest lezenswaardige lezen wil, maar dikwijls genoeg legt hij een boek teleurgesteld terzijde.

De bekwame lezer zoekt niet alleen naar dat in zijne lectuur, wat zijne sympathie heeft, zij moet hem ook den spiegel van de tijdstroomingen geven. De lectuur wordt voor den volwassen m ensch, zoo niet altijd een rein genot, toch schenkt zij de kennis van het leven, al beschrijft zij ook zelfs maar een interessant feit, waardoor boeken aantrekkelijk worden en goed verkocht worden, die op het effekt geschreven zijn.

Een in China zeer geacht wijsgeer leert in zijne verhandeling Dschi-Dschi (Hoe men tot kennis komt): “Als iemand lezen wil, moet hij vooraf zijn geest en zijn gemoed in eene bedaarde stemming brengen, en dan eerst het boek opslaan. Wacht u den zin op het papier te zoeken; keer tot u zelven in en onderzoek zorgvuldig. De regel bij het lezen bestaat daarin, dat men trapsgewijze vordert, en alles goed overdenkt. Versta elk woord duidelijk; doorgrond de beteekenis van elken volzin. Ga niet tot den volgenden over als gij den voorafgaanden niet recht begrepen hebt. Maak de gedachten van den schrijver tot de uwe. Zit, terwijl gij leest, ion een betamelijke, waardige houding, alsof gij tegenover een levend wezen waart gezeten. Lees nooit met overhaasting, of los er overheen loopend; dan kan het onderwerp onmogelijk langzaam maar zeker in uw geest dringen. Wie bij het lezen als is ’t maar eene passage mist, leest zonder er waar nut van te hebben. Lees minder en denk meer over het gelezene na dan zal het onmerkbaar in uw geest wortel schieten.”

De beschaafden van alle volken hebben gestreefd naar de vrijheid van drukpers en een onschatbaar bezit is het recht der vrije gedachtenuiting geworden. Nog op één gebied is wat censuur gewenscht, namelijk op het gebied der jeugd, en vooral op het gebied van “jonge meisjesboeken”. Onder dezen naam zijn in de laatste tientallen jaren een menigte boeken uitgegeven en verheugen de uitgevers door een uitgebreide lezeressenkring.

Een goed boek is altijd welkom. Maar dikwijls zijn er in meisjesboeken armzalige heldinnen; zij zijn altijd mooi, altijd aanvallig, verknoeien haar tijd op de oppervlakkigste wijze, zijn desniettegenstaande de bedorven lievelingen van hare omgeving, tot zij een gelukkig huwelijk denken te sluiten en haar bloemenleven zoo voort te zetten.

Van den ernst des levens weten deze boekenheldinnen niets af, en wanneer eindelijk een schaduw op haar levenspad komt, zoo dient alleen maar als middel, om den zonneschijn nog stralender te maken.

De omstandigheden der beschreven families zijn altijd de meest aangename; men woont in het beste kwartier van een groote stad, in een villa of op een dorp in een slot; men kleedt zich steeds rijk of uitgezocht, en de middelen daartoe zijn altijd voorhanden. Daar is van ontbering geen sprake, alles wat het karakter staalt en vormt, ontbreekt in haar leven.

Ziet men nu jonge meisjes met schitterende oogen en gloeiende wangen zulke boeken verslinden, dan denkt men al spoedig dat deze belangstelling aan een betere zaak gewijd mocht zijn. Zij vergeten alles om zich heen, bij deze lectuur, die geen aansporing tot ernstigen arbeid bevatten, maar weerzin wekken tegen wat de fantasie beleedigt en die geen waar af beeldsel geven van het leven.

Deze ongunstige werking is nog meer te betreuren, wanneer evengoed een boek gelezen kon worden dat rein genot en innerlijken wasdom kweekte. Er sluimert in vele jonge harten een oceaan van geestdrift voor al wat groot en edel, waar en goed is, een enthousiasme dat aangemoedigd moet worden door auteurs, die voor jonge meisjes schrijven.

Meisjes hebben hooge idealen, en geven zich moeite om die na te streven. Daarom genoot men nog van de verhalen over de geestelijke helden der menschheid en deze idealen werkten menigmaal beslissend op het geheele leven. Maar in de generatie van onze dagen schijnt veel van die geestdrift verloren te zijn geraakt. Gewis draagt de lectuur aan deze levensopvatting veel schuld, maar het lezen van goede boeken kan de materialistische tijdstroomingen een tegengif bieden en nog heden kan in een jong gemoed een overvloed van prikkels ten goede rijzen uit de lectuur van een goed boek geboren.

Eerste druk 'De kleine Johannes', via www.jenneken.nl

Eerste druk ‘De kleine Johannes’, via www.jenneken.nl

Goede boeken voor jonge meisjes! er zijn er genoeg, die wij haar in handen kunnen geven. De wijde, wijde wereld en De gouden ladder van E. Wetherell, Alleen op de wereld van Hector Malot, De kleine Johannes van Fred. Van Eeden, alle werken van Miss Mulock, Een dochter Heths, van William Black, enz., boeken die het leven beschrijven zooals het is, en die aantoonen dat niet het materieele genot levensgeluk schenkt, dat de ziel boven het alledagsleven verheft. De idealistische richting in de jeugd te kweeken, moet een hoofdeisch zijn in de lectuur, nu materialistische en naturalistische lectuur aan de orde van den dag is. Het echte idealisme kan slechts door echte idealisten getuigd worden, zooals wij in onze voornaamste auteurs bezitten. Deze werken behoeven niet juist voor meisjes geschreven te zijn; want de jonge meisjes zullen toch eenmaal volwassen vrouwen zijn, die op eigen beenen staan en den levensweg wel vinden. Zoo moet men haar den blik verhelderen voor het leven, dat zij ook zelf te leven heeft en niet met overgroote angst verbergen wat het omvat.

Johanna van Woude

Reacties uitgeschakeld voor Over meisjeslectuur

Filed under Hoofdartikel

De laatste jaren van Nietzsche

De onderwerpen die in De Hollandsche Lelie aan de orde komen, zijn zeer divers. In het nummer van 11 juni 1902 is een artikel opgenomen over de laatste jaren van Friedrich Nietzsche (1844-1900, hier geschreven als ‘Nietsche’). De auteur is ‘Snowa’.

“De dood van Friedrich Nietsche, den beroemden wijsgeer en dichter, kon geen verrassing voor ons zijn; immers reeds sedert tien jaren sukkelde hij en dus was men op de doodstijding voorbereid.

Deze wijsgeer en dichter heeft zich een menigte aanhangers verworven.

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Toen hij in 1889 ziek werd, kwam mevrouw Förster-Nietsche, zijn zuster, van Zuid-Amerika naar Zuid-Italië om haar broeder te verplegen. Zij zocht een rustige plek op, waar de zieke zijn laatste levensdagen kalm kon slijten.

In 1897 verhuisde zij met haar broeder naar Weimar, waar zij een kleine villa betrokken, ‘Silberblick’ genaamd. Dit huisje, omringd door een kleinen tuin en omgeven door een hek, was het eigendom van mevrouw Metta von Salles, die het te hunner beschikking stelde.

Ten einde dit huis te bezichtigen en inlichtingen te bekomen omtrent de laatste levensdagen van Friedrich Nietsche, begaf ik mij, toen ik van een Rijntocht huiswaarts keerde, naar Weimar.

‘Silberblick’ ligt buiten de stad aan het einde der Luisenstrasze en is geheel met klimplanten en bloemen begroeid, terwijl in het voorportaal de oorkonde van Nietsche hangt. Binnen is alles tentoongesteld wat op zijn leven betrekking heeft.

Na kennis gemaakt te hebben met de zuster van wijlen Nietsche, vertelde mijn vriendelijke gastvrouw mij, dat hij zijn gedachten en werken in stevig gebonden boeken schreef, die hij steeds bij zich droeg. Zij vestigde vooral de aandacht op zijn werk ‘Also sprach Zarathustra’.

‘Om de tien dagen schreef mijn broeder zaliger een deel,’ vertelde mevrouw Förster; ‘hij werkte van ’s morgens vroeg tot laat in den nacht en gebruikte dan om in slaap te komen een groote hoeveelheid chloralhydraat, hetgeen zijn toestand aanmerkelijk verergerd heeft.’

Op mijn vraag of dit middel hem door een dokter aangeraden was, antwoordde zij: ‘O neen, mijn broeder is zoo lang onder doktershanden geweest, dat hij de esculapen eindelijk niet meer vertrouwde en ten slotte zijn eigen arts werd.’

Toen gingen we in de volgende kamer, waar zich zijn archief bevindt. De wanden zijn er behangen met verschillende portretten en herinneringen uit zijn vroeger leven zooals o.a. een groep van den jongelingenbond: ‘Franconia’ in Bonn; aan den anderen wand hangt een sabel, gedachtenis aan den tijd, toen hij nog officier was; verder verscheidene portretten als van C. Stöving en een schilderij hemzelf voorstellende zittende in de warande van zijn huis in Naumburg. Op een étagère staat zijn bibliotheek, die hij op reis placht mee te nemen; deze bestaat hoofdzakelijk uit Duitsche bewerkingen van Daudet, Brunetière, voorts G. v. Hartmann enz. In den hoek staan twee glazen kasten, waarin zijn geschriften bewaard worden. Behalve de twaalf deelen, die reeds verschenen zijn, is er nog een groote voorraad,d ie langzamerhand ter perse kan gaan.

De gedichten zijn door mevrouw Förster-Nietsche zorgvuldig verzameld en eenigen tijd geleden uitgegeven onder den titel: ‘Gedichte und Sprüche’ (Leipzich, C.G. Naumann). Zij heeft dit gedaan om te bewijzen, dat haar broeder tegelijkertijd wijsgeer en dichter is geweest, hetgeen, zooals men weet, door vele letterkundigen bestreden is.

De driehonderd Aphorismen zijn door Nietsche zelf tot een werk vereenigd, genaamd: ‘Böse Weisheit’.

Ook heeft mevrouw Förster de eerste schets van ‘Omwertung’, die hij opgesteld had, voor uitgave bewerkt.

De sympathieke dame vertelde mij verder , dat haar nog heel wat werk te wachten stond, voordat zij den overigen nagelaten arbeid van Friedrich Nietsche op een wijze zijner waardig de wereld ingestuurd heeft.

Het gesprek ging toen over zijn levenswijze in den laatsten tijd. In de woning in Weimar gevoelde hij zich, dank zij den goeden zorgen van zijn zuster, zeer wel.

Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

De zieke Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

Gewoonlijk stond hij ’s morgens tegen zeven uur op, waarna hij zijn ontbijt gebruikte; dan ging hij op de sofa liggen, waarop hij òf insluimerde, òf ’s middags wakker bleef, dan las men hem de courant voor of eenige korte vertellingen en gedichten.

Het middagmaal bestond hoofdzakelijk uit plantaardig voedsel; vleesch werd slechts in zeer kleine hoeveelheden gebruikt.

Als het ’s middags mooi weder was, zat Nietsche in een gemakkelijken stoel in den tuin, of hij maakte met zijn zuster en zijn onvermoeide verpleegster, Alvine, een wandeling.

Over het algemeen was de toestand van Nietsche in den laatsten tijd bevredigend; hij sprak veel en goed en moet zelfs eens tegen zijn zuster gezegd hebben: ‘Nu zijn we volkomen gelukkig, niet waar?’

Er waren echter ook dagen, dat hij niet spreken on en tengevolge eener verlamming in zijn linkerzijde pijnlijk steunde. Als men hem dan vroeg of hij pijn had, ontkende hij dit steeds. Zijn geliefkoosd plaatsje was aan het venster, vanwaar hij onafgebroken tuurde naar een verlaten molen zonder wieken en een alleenstaand huis. Dit eentonig uitzicht ontlokte den wijsgeer van tijd tot tijd karakteristieke gezegden.

Nu heeft een beroerte een einde gemaakt aan het leven van Friedrich Nietsche; zijn aardsche overblijfselen zijn naar zijn geboorteplaats Röcken overgebracht.”

Reacties uitgeschakeld voor De laatste jaren van Nietzsche

Filed under Beroemdheden

Het dagelijks leven van Graaf Leo Tolstoj

In De Hollandsche Lelie van 2 december 1896 verscheen een artikel over de ook toen al zeer beroemde Russische schrijver en denker Leo Tolstoj (1828-1910). Het stuk is vertaald uit het Duits en geschreven door ene M. Bessmertny.

“Een der interessantste persoonlijkheden van onzen tijd is ongetwijfeld Graaf Leo Tolstoï. Tot zijn eigenaardigheden behoort ook een buitengewone gastvrijheid, die de reeds spreekwoordelijk geworden Russische gastvrijheid nog verre overtreft. Sedert jaren is Jasnoe Poljana – het tusschen Moskou en Tula liggende landgoed van Graaf Tolstoï – een bedevaartsoord voor buitenlandsche en Russische geleerden en kunstenaars en wie in deze kringen leeft, heeft dikwijls het voorrecht uit hun eigen mond bijzonderheden over het huis Tolstoï te vernemen.

Foto: Sergej Prokoedin-Gorski

Foto: Sergej Prokoedin-Gorski (via Wikipedia-pagina)

Het is karakteristiek om op te merken, hoe Tolstoï’s uiterlijke levenswijze steeds meer aan zijn karakter en persoonlijkheid gaat beantwoorden en aan eenvoud en oorspronkelijkheid toeneemt.

Ongeveer zes jaar geleden vroeg de juist uit Parijs teruggekeerde, talentvolle beeldhouwer Ginsbourg den Graaf, of hij tot hem komen mocht, om zijne buste te modelleeren. Omgaande ontving de kunstenaar de beleefde uitnoodiging om te komen en te blijven, zoolang het hem beviel.

In de eerste dagen hield de studie der omgeving den kunstenaar zoo bezig, dat de stemming om te werken hem ontbrak. Tolstoï onderhield zich dikwijls met hem, maar zelden over beeldhouwkunst. Toen de kunstenaar reeds aan de buste werkte, bood de Graaf op de beleefdste wijze aan, dikwijls te komen poseeren, en sprak daarbij zeer interessant over kunst en beeldhouwkunst in het bijzonder.

Toen ter tijde heerschte bij den meeste ongedwongenheid in den omgang, – de kunstenaar verdween dikwijls halve en heele dagen in het naburige dorp, zonder dat iemand in het slot er naar vroeg, – nog een volkomen aristocratische levenswijze in het huis van Tolstoï. Er waren verscheidenen bedienden en aan tafel werden vleeschspijzen en verschillende andere gerechten gediend, waarbij alleen de Graaf zelf zich aan zijn vegetariaansch menu hield.

Na een verblijf van drie weken verliet de kunstenaar Jasnoe Poljana, en bij zijne terugkomst in Petersburg vond hij in zijne woning een photographie van het talrijke gezelschap aan tafel in het huis van Tolstoï met een eigenhandig onderschrift van den dichter.

Op de photographie was ook de jongste zoon van den Graaf, toen een ongeveer vijfjarige knaap, op het oogenblik dat hij achter den rug van zijn buurman een lepel gelei aflikt, iets waarover zich de kunstenaar toen zoo vermaakt had.

Van anderen kant hoor ik, dat Tolstoï’s uiterlijk in de laatste jaren zeer veranderd is. Hij is zeer grijs geworden, de lippen hebben een minder energieken trek en het gelaat heeft vele rimpels. Maar voor zijn 67 jaar is Leo Nikolajewitsch nog zeer kras en in het volle bezit van zijne physieke en geestelijke vermogens. Alle gasten van Jasnoe Poljana zijn verwonderd over zijn jeugdigen gang, zijn zekere bewegingen, en de voor zijn jaren bewonderenswaardige onvermoeidheid. Den geheelen dag is Tolstoï bezig. De morgenuren brengt hij door met schrijven en lezen. Hoe snel en energiek hij werkt, bewijst wel, dat dadelijk na de voleindiging van zijn ‘Zondagen’, terwijl eene oude, in het huis van Tolstoï wonende dame begon met het overschrijven daarvan, de dichter reeds weer aan een nieuwe vertelling werkte.

Wie weet of de grijsaard nog niet met zijn jeugdige frischheid en zijne stormachtige ziel de stof vindt tot een meesterwerk!

Iederen dag maakt Tolstoï een groote wandeling in het bosch, dikwijls met de bijl in de hand.

In den laatsten tijd reed hij ook veel velocipède. De dichter van ‘Oorlog en Vrede’ heeft bijzonder veel liefhebberij voor deze sport, welke zijne beide dochters met hem deelen.

Dikwijls zien de bewoners in den omtrek van Jasnoe Poljana een vliegenden troep wielrijders waarin zij den Graaf en zijne dochters herkennen. Een tweede geliefkoosde bezigheid van Leo Nikolajewitsch is het hoepelspel, waarmee hij zich gewoonlijk na het eten in den salon bezig houdt.

Voor eenige weken reisden de bekende schilder Walz en de regisseur Tschernewsky naar den schrijver van de ‘Macht der Duisternis’ om zich nadere informatie te verschaffen, betreffende de eerste opvoering van dit drama in den schouwburg te Moskou. Hij vertelde mij, hoe het hem en zijn reisgenoot gegaan was in Jasnoe Poljana.

Wij vertrokken Vrijdagavond van Moskou en waren ’s morgens om 8 uur reeds voor het huis van den beroemden dichter. Een oude vrouw kwam ons te gemoet, die tegenwoordig de eenige bediende in de grafelijke woning is. Zij voerde ons naar de eerste verdieping in de bibliotheek, die tegenwoordig tegelijk ontvangkamer is. Tolstoï sliep nog, maar een half uur later kwam hij reeds binnen en begroette ons hartelijk.

Door Ilja Repin, 1901

Door Ilja Repin, 1901

In vergelijking van de bestaande portretten ziet de dichter er moede en oud uit. Hij had een langen kiel aan, die aan een misgewaad herinnerde. Hij was zeer voorkomend, en nadat hij het doel van ons bezoek vernomen had, verzocht hij ons naar de eetkamer te gaan, terwijl hij zich wilde verkleeden.

Aan de theetafel vonden wij een groot gezelschap, bestaande uit de dochter van den graaf en verscheiden kennissen der familie. Na weinige minuten verscheen Tolstoï weer, die nu een blouse droeg in plaats van den kiel. Er werd een levendig gesprek gevoerd, hetwelk ook kwam op de aanstaande opvoering van de ‘Macht der Duisternis’.

‘Nu, wat zeide de Graaf hiervan?’ vroeg ik later de Moskousche gasten.

‘O, Leo Nikolajewitsch wijdde er de grootste opmerkzaamheid aan,’ luidde het antwoord, ‘een belangstelling, zooals alleen de dichter voor zijn geesteskind heeft, dat hij in de grootst mogelijke volkomenheid voor het publiek wil opgevoerd zien. Zooals de meeste dramaschrijvers, verdiepte hij zich in de kleinste bijzonderheden en velde over alles, de opvoering betreffend, zijn weloverlegd oordeel. Hij verlangde b.v. dat het decoratief niet alleen waar, maar ethnographisch waar zou zijn, dat het niet alleen een dorp, maar een dorp in het gouvernement Tula, waar het stuk speelt, zou voorstellen!

Na de thee gingen wij wandelen, om teekeningen en schetsen te maken. Om 8 uur werden wij aan het diner verzocht. Er was veel karakteristieks in dit diner! Bedienden waren er niet. De talrijke gasten bedienden elkaar wederkeerig. Nu gaat de eene, dan de andere dochter van den Graaf naar de keuken om een anderen schotel te halen.

Tolstoï wordt een hoe langer hoe strengere vegetariër. In den laatsten tijd wordt er ook geen boter meer gebruikt. Champignonsoep, gortspijzen, vruchten, geroosterde aardappelen, gekookte rapen – uit deze gerechten bestaat het enu hetwelk steeds weder de verwondering der gasten opwekt.

Na het diner maakten wij met den Graaf en zijne dochters inkoopen van kostumes en huisraad bij de boeren in het Gouvernement Tula.

Wij toonden toen den dichter nog het ontwerp van het decoratief. Hij interesseerde zich zeer voor alle details, gaf aan waar iedere deur, ieder venster zijn moest, waar de tafel, de bank en de stoelen staan moesten, en zeide, den acteurs het stuk nog te zullen voorlezen.

Met veel nieuwe indrukken over den persoon van den dichter keerden de Moskousche reizigers huiswaarts.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Het dagelijks leven van Graaf Leo Tolstoj

Filed under Literatuur

Kerst-lichtjes

Else van Brabant (ps. van E.J. de Moulin-van Harlingen) schreef regelmatig gedichten voor De Hollandsche Lelie. Haar werk – ze schreef ook damesromans – werd ook toen al door recensenten nogal zoetig gevonden. In het nummer van 19 december 1900 verscheen van haar:

Kerst-lichtjes

De lichtjes branden stil,

Het kindje kijkt er naar.

Verwonderd-groot de oogjes,

Rond-groot en blij verrukt.

Het kindje zit heel stil,

Dàn – na het eerst verbazen

Breekt zijn begeeren uit,

Zijn handjes strekt het heen

Naar ’t wenkend witte licht,

En, plotseling, luid uit

Kraait het zijn blijde pret

En danst op moeders schoot

Naar voren naar het licht

En ’t groen en rood en wit,

Dat het graag grijpen wou,

– Als dat niet kan, heel stil

Kijkt het weer naar de kaarsjes

Met oogen groot en rond,

Tot langzaam één voor één

De vlammetjes gedoofd zijn.

Reacties uitgeschakeld voor Kerst-lichtjes

Filed under Uncategorized

Zoo medesleepend, zoo droomerig en liefelijk

In de rubriek ‘Leestafel’ van 15 november 1893 wordt een nieuwe bundel van Hélène Swarth besproken.

“Een nieuwe schat van die wonderschoone, kleine gedichten, zooals wij van Hélène Swarth gewoon zijn. Men kan er niet lang in lezen zonder zich door weemoed overweldigd te gevoelen, en wie het leed gekend heeft, waarvan zij zingt, zal wellicht in tranen uitbarsten. Zij zingt zoo medesleepend, zoo droomerig en liefelijk. Het drukke Alltagsleben, dat ons zoo hooge eischen stelt, wij vergeten het even, en nu rijzen ze voor ons op, die beelden uit het verleden, wij hooren weer een dierbare stem, wij drukken nog eens een lieve hand, wij droomen weer van een schoone toekomst… En dan denken wij aan het heden terug, als wij b.v. lezen:

DIE DAGEN.

Zij kruipen zoo langzaam over mij heen,

Die trage dagen.

O, ’t maakt mij zoo angstig, ik ben zoo alleen!

Wien zal ik het klagen?

Als duizendpooten kruipen ze voort

Met al hun uren…

Zij hebben de hoop van mijn hart al vermoord,

Hoe lang zal ’t duren?

Zij fluistren: – ‘Wat zoudt tegen ’t harde lot

Ge u nog verweren?

Gij moet in den wil van uw strengen God

Berusten leeren.

O, kwam nu maar eindelijk de laatste dag

Van al die dagen.

‘k Wou dat ik al veilig begraven lag!

Ik kan ’t niet dragen.

Zeg, is het u niet uit het hart genomen? Ge voeldet het ook zoo, niet waar? – welk vrouwenleven kent die dagen niet? – maar ge wist het zoo mooi niet te zeggen.

Zoo geeft Hélène Swarth woorden aan onze diepste en heiligste gevoelens, en met haar te verkeeren is genot. Toch – het dagelijksch leven heeft recht op u. Laat u niet te veel inpakken door deze toovenares. Wel moogt ge eens droomen op zijn tijd, maar – – ook werken op zijn tijd. De jeugd geeft zich zoo gaarne over aan dit smartelijk genot; daarom – vooral op de klok gelet, als ge met Hélène Swarth uwe binnenkamer intreedt om naar hare betooverende muziek te luisteren.”

Verzen door Hélène Swarth, uitgevers de firma P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam, één deel 300 blz.

Reacties uitgeschakeld voor Zoo medesleepend, zoo droomerig en liefelijk

Filed under Literatuur

De smerigste uitgebraakte woordentaal

Israël Querido (1872-1932) was een Amsterdamse romanschrijver en criticus. Op zijn veertiende ging hij van school af om in de praktijk het vak van horlogemaker te leren. Hij liep daarbij echter een oogbeschadiging op. Vervolgens werkte hij als leerjongen in de diamantindustrie, maar onder meer door zijn oogletsel bleef hij niet lang in dat vak. Daarna was hij nog een tijdje juwelier om vervolgens verslaggever te worden.

In 1893 maakte hij zijn debuut als schrijver met de bundel Verzen, onder het pseudoniem Theo Reeder; in 1893 verscheen zijn tweede dichtbundel. Hij was actief als literair criticus, werd in 1897 lid van de SDAP, publiceerde dankzij zijn connectie met Herman Heijermans in De Jonge Gids en raakte in de ban van het naturalisme. In 1901 schreef hij zijn eerste roman, LevensgangDit boek, waarin Querido op basis van persoonlijke herinneringen het leven in de Amsterdamse diamantwerkerswereld beschrijft, werd een bescheiden bestseller. Het was geïnspireerd door Germinal van Emile Zola, waarin deze de barre omstandigheden van het leven van de 19e-eeuwse mijnwerkers aan het licht bracht.

Op 23 oktober 1907 wordt het boek besproken in De Hollandsche Lelie. De auteur van het artikel, ‘Johan’, trekt stevig van leer. Onder de titel ‘Is Querido een kunstenaar?’ schrijft hij:

“Querido heeft veel boeken geschreven. En in korten tijd heeft deze man zich bij tamelijk veel menschen bekend weten te maken. Voor eenige jaren hoorde ik eens verschillende lui over hem spreken; ze noemden hem een kunstenaar; zijn werk was dus kunst. En daar ik er altijd veel van houd een kunstenaar aan te treffen in de letterkunde, hoopte ook ik dien kunstenaar in Querido te vinden. En ik begon met een boek van hem dat me zeer werd geprezen, het was Levensgang.

LevensgangNu zal ik niet beweren, dat de schrijver een slecht onderwerp koos, een allerminst dat, ik verwachtte zelfs veel van dit boek, toen ik het voor me zag. Ik las een paar bladzijden van da mooi-genoemde boek, dat me dadelijk reeds vreeselijk afstootte door de vuile toestanden, die hij schetste. En ik dacht bij me zelf, zou de schrijver nu inderdaad denken, dat hij, door het gaan neerschrijven van zulke woorden, de wereld beter maakt, denkt hij door het gebruiken van zulke banale en lage uitdrukkingen ‘kunst’ aan zijn werk te geven? Zou hij dát denken?

En van zoo’n boek wordt ‘genoten’, misschien tengevolge van de gemeenste beestachtigste woorden, die hij kiest? Had de schrijver werkelijk iets te vertellen of is hij om iets te willen meepraten een vuil kletspraatje begonnen om op zich de aandacht te doen vestigen.

Levensgang is een boek, waarvan ik beweer dat het geen kunst is niet alleen, maar vuile-aanelkaar praterij. Alles wat als echte kunst wordt beschouwd in dit boek, is geen kunst, het is de smerigste uitgebraakte woordentaal. Querido blijkt van artisticiteit niets te weten, hij zeurt bar en nergens blijkt ook maar eenige kunstzin in dit boek en ik walg van ’t vuile geklets. Zulk kunst genoemd gelamenteer, zoo’n chaos van beestachtige vuile en niets-beteekenende woorden, die hij zelf mogelijk niet begrijpt, is dat nu ‘kunst’.

Als zulk werk kunst genoemd wordt, dan kunnen de menschen, die zulk hol gepraat mooi vinden en hooge ideale kunst, nog veel mooiere en hoogere kunst aantreffen, als ze zelf gaan naar de achterbuurten van groote steden b.v. Dan kunnen ze nog eens hooren, hoe onbenullig wel het werk van Querido is, hoe vaag hij is in zijn uitdrukking.

Als de menschen dàt mooi noemen, dan kunnen ze wel eeuwig gaan naar die achterbuurten en als ze dan ook nog eens zoo ver komen een boek te schrijven, dan hoop ik, dat het niet zulk gescharrel is van verkeerd-gebruikte vuile woorden, maar al ze zulk werk mooi noemen, laat ze dan ook werkelijk eens aantoonen, wat voor moois, waarachtig hoogs er is in die achterbuurten, laat ze dan ook iets goeds en waars vertellen, laat ze dan ook ‘kunst’ geven in de ware beteekenis des woords. Waarom toch haalt Querido nooit aan het goede, dat er heerscht in de achterbuurten, in den lageren stand, in de volksklasse waarom haalt hij juist altijd dat smerig-beestachtige aan. Of wou hij zeggen, dat daar enkel en alleen vreeselijke toestanden heerschen en niets moois te vinden is’dan wil ik hem dadelijk wel zeggen, dat hij het totaal mis heeft, dat hij er niets van weet, hoe zeer hij door sommigen ook geroemd mag worden. Hij schijnt werkelijk genoegen te vinden om de toestanden op de vuilste manier te laten zien, altijd van de gemeenste kant. Nergens in zijn heele boek komt een mooi tafereeltje voor, nergens wordt iets mooi, en zóó geschetst als het inderdaad is.

Ik ben er van overtuigd (hoewel ik er niets moois en schoons in vond) dat een jongen uit de volksklasse, die dit boek las en had meegeleefd de toestanden, die Querido zoo onbeholpen tracht te beschrijven, het héél anders zou zeggen en veel meer naar waarheid. Zoo’n jongen zou ten minste volkomen vertellen, zóó als het was, het leelijke niet alleen, maar het ware. Dan achtte ik zoo’n jongen ten minste nog hooger dan Querido, want Querido schijnt alleen het verkeerde te zien en niet zóó als het is. Querido schijnt een groote pessimist. En hoe hij het heeft durven wagen van zulk vuil geklets een boek uit te geven, blijft me volkomen een raadsel.

En nog minder kan ik me voorstellen, dat zulk werk ‘kunst’ genoemd wordt, door niet alleen enkele onontwikkelde menschen, maar zelfs menschen, die beweren of liever denken veel kunstzin te bezitten. In geen geval kunnen zulke lui hoog staan op het gebied van reine, edele kunst (d.i. ware kunst), het zullen meest zijn onbeschaafde, ruwe, vuile menschen, of menschen die graag als apen mogen nadoen, wat hun wordt voorgedaan, dus menschen, die beweren dat Querido een kunstenaar is, omdat hij door sommige ongevoelige menschen zoo genoemd wordt.

Wat staan de menschen, die zulk gezanik en gelamenteer, mooi vinden, die zulk vuil gepraat aantrekt, toch no vreeselijk laag op het gebied van hooge en mooie kunst, waarvan ze blijken niet het minste verstand te hebben. Wat is Querido toch in Levensgang aan het knoeien geweest, Levensgang is geen kunst maar ware dronkemanspraat.”

Wie ondanks deze tirade nieuwsgierig is naar het boek: het is integraal te vinden op de DBNL-site. Voor meer informatie over Israël Querido (die trouwens een broer van de latere uitgever Emanuel Querido was), zie onder meer het Biografisch Woordenboek van Nederland en Ons Amsterdam (met name over zijn Jordaan-epos, dat in vier delen verscheen tussen 1912 en 1925).

Is Querido een kunstenaar?

Is Querido een kunstenaar?

Reacties uitgeschakeld voor De smerigste uitgebraakte woordentaal

Filed under Literatuur

Het echtpaar Couperus

Achter op De Hollandsche Lelie van 11 oktober 1893 staat een advertentie voor Een Lent van Vaerzen, van Louis Couperus, uitgever L.J. Veen. Daarboven lezen we dat bij dezelfde uitgever Het portret van Dorian Gray van Oscar Wilde is verschenen, vertaald door Mevrouw Louis Couperus.

Advertentiepagina 11 oktober 1893

Advertentiepagina 11 oktober 1893

Wie was deze Mevrouw Louis Couperus? Zij werd geboren als Elisabeth Baud en kwam als vijftienjarige na de dood van haar vader vanuit Indië naar Den Haag, waar ze bij haar grootouders ging wonen. In 1891 trouwde ze met Louis Couperus. Elsbeth Etty schrijft hierover: “Nog voordat er ook maar in de verste verte sprake was van het tegenwoordige homohuwelijk werd over Louis Couperus al de grap gemaakt dat hij getrouwd was `met een nicht’. Daar was geen woord aan gelogen. Elisabeth Baud, de echtgenote van Nederlands grootste romancier, was familie: haar beide grootmoeders waren zusters van Couperus’ vader. Ze trouwden in september 1891. Louis was 28 jaar oud en Betty – zoals ze genoemd werd – bijna 24. Het huwelijk baarde opzien, want als er iemand in Den Haag rondliep die overduidelijk homoseksueel was, dan was het de schrijver van Eline Vere.”

Haar leven lijkt volledig in dienst te hebben gestaan van haar beroemde echtgenoot. Ze reisde met hem door Europa en de wereld, verzorgde zijn correspondentie en werkte zijn handschriften uit. Haar wens om zelf schrijfster te worden zette ze al snel in de ijskast, wel maakte ze veel vertalingen (ze beheerste het Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans) en later ook toneelbewerkingen van het werk van haar man.

Al op 25-jarige leeftijd maakte ze haar vertaaldebuut met Dorian Gray, meteen een geruchtmakend boek. Louis Couperus had het rechtstreeks van Oscar Wilde ontvangen en Elisabeth was er erg van onder de indruk. Binnen korte tijd verschenen van haar vertaling meerdere drukken.

Ondanks haar wat zwakke gezondheid overleefde ze haar man 37 jaar. Ze was erevoorzitter van het Louis Couperus Genootschap en nam in 1952 het eerste deel van de Verzamelde Werken van Louis Couperus in ontvangst. Over de laatste jaren van haar leven schrijft Elsbeth Etty: “In 1904 had Couperus alle rechten op zijn boeken aan Veen verkocht, met als gevolg dat Elisabeth daar als weduwe geen royalties over kreeg. Albert Vogel heeft beschreven hoe zij eind jaren vijftig als stokoude vrouw op de première van een van zijn Couperusvoordrachten arriveerde: in een bontje `dat heel erg naar mottenballen stonk’. Duidelijk een geval van `grandeur dechue’ en hoe vaak had Couperus niet over vergane glorie geschreven.” In 1960 overleed ze, 92 jaar oud.

In 2001 was in het Louis Couperus Museum de tentoonstelling ‘Elisabeth Couperus-Baud, de vrouw achter de schrijver’ te zien, zie o.a. dit artikel. Zij heeft ook een eigen Wikipedia-pagina, waarop naast de opmerking “Elisabeth Baud was volgens beschrijvingen van tijdgenoten opvallend lelijk en heel erg scheel” ook nog wat meer inhoudelijke informatie te vinden is. 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Het echtpaar Couperus

Filed under Literatuur

Portretten

In de jaargang 1903-1904 wordt maandelijks een auteursportret meegezonden met De Hollandsche Lelie. In het hoofdartikel van het betreffende nummer gaat een letterkundige dieper in op het leven en werk van de betreffende persoon.

Frans Netscher schrijft dat Top Naeff meteen met haar eerste boek ‘Schoolidillen’ veel succes heeft. Dat komt onder meer door ‘de eenvoud, de zuiverheid van sentiment en het realisme in personen en situaties. Die eigenschappen gelden ook voor haar volgende boeken, volgens  Netscher ‘eerlijk werk, gaaf werk’. Hij waarschuwt haar wel dat ze niet moet gaan proberen haar zinsbouw ‘mooi’ en ‘modern’ te maken, want voor woordkunstenares is ze volgens hem niet in de wieg gelegd. “Deze pogingen détoneeren in haar werk, waarvan de groote bekoorlijkheid juist ligt in de eenvoud, de zuiverheid en het realisme. En wanneer zij haar verdere werk zóó in die eigenschappen houdt, dan is dat reeds meer dan voldoende om haar een toekomst te verzekeren. Laat ze dáár tevreden mee wezen. En dat kàn ze.”

Top Naeff

Top Naeff (5 augustus 1903)

In 1904 is Ina Boudier-Bakker nog een jonge, veelbelovende schrijfster. In een paar jaar heeft zij haar naam al gevestigd en ze wordt door J.H. Rössing dan ook zeer positief besproken. “Mevrouw Boudier-Bakker staat met haar drama, met haar novellen en met haar romans in het leven, in de waarheid van het leven, en… er boven. Zij hoort en ziet scherp; zij neemt waar wat anderen verborgen blijft.” Pas in 1930 zou haar beroemdste roman, ‘De klop op de deur’, verschijnen.

Ina Boudier-Bakker

Ina Boudier-Bakker (3 februari 1904)

Ook komt de hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie van dat moment, Anna de Savornin Lohman, zelf aan bod. Zij meent echter dat het niet gepast is dat er over haar ook een uitgebreid artikel verschijnt:

“Zooals de lezers weten, plegen de portretten van auteurs, welke sinds den nieuwen Jaargang elke maand geregeld in de Lelie worden opgenomen, vergezeld te gaan van bijschriften over hen, van de hand van andere letterkundigen. Ik heb gemeend aan het verlangen van den uitgever, dat ook mijn portret zou worden opgenomen, te moeten gevolg geven, waar dit verlangen strookte met den wensch die zoovelen mijner correspondenten mij hunnerzijds te kennen gaven.

Daarentegen vind ik het beslist-onkiesch in een Blad dat onder mijn eigen-redactie staat een bijschrift over mij-zelve te doen plaatsen, van welke hand ook, dat onder deze omstandigheden, in dit bijzonder geval, uit den aard der zaak, min of meer een loftuiting zou worden op mijn werk of persoon. – Om die reden ontbreekt, op mijn beslist verlangen, het gebruikelijke bijschrift.”

Anna de Savornin Lohman

Anna de Savornin Lohman (2 december 1903)

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Portretten

Filed under Illustraties

Correspondentie over zedelijkheid

Een vaste rubriek in De Hollandsche Lelie is ‘Correspondentie van de redactie met de abonnés’.

Rubriek 'Correspondentie'

Rubriek ‘Correspondentie’

Wekelijks beantwoordt de redactrice de meest uiteenlopende vragen. Alleen de antwoorden worden afgedrukt; naar de gestelde vragen moet je als lezer dus maar raden.

In het nummer van 28 september 1904 behandelt Anna de Savornin Lohman een vraag over zedelijkheid: “Wanneer men een boek leest om de kunst, kan de inhoud onzedelijk zijn, en toch de lezeres-zelve reine bedoelingen hebben. En óók kan een boek onzedelijk heeten, en het niet-zijn. Dit laatste is het geval wanneer de auteur een of andere gegeven moest behandelen, en daarbij toestanden en gebeurtenissen moest schilderen die nu eenmaal zoo zijn. Ik denk b.v. aan Zola’s werken: GerminalPot Bouille en anderen. Onzedelijk noem ik die boeken die met zeker genot rondwoelen in vuiligheden, opzoeken ruwe, prikkelende bijzonderheden van dubbelzinnigen aard, daarbij stilstaan, ze uitpluizen op onnoodige wijze.

Wil de auteur ons een droeve werkelijkheid laten zien, dan kan het gebeuren dat hij daarbij zeer treurige en onzedelijke daadzaken moet onthullen, maar of hijzelf daarbij een reine of wel een onkuische bijbedoeling heeft, verraadt zijn wijze van schrijven, zijn manier van onthullen. Boeken als Anna Karenine, van Tolstoï noem ik zéér rein. En toch zijn zij voor sommige overprikkelde vrouwen gevaarlijk. Hetzelfde zou ik willen zeggen van Fred: van Eedens werken. De reine bedoeling is zeer voelbaar. Maar niet ieder lezeres is zelve rein-genoeg om dat te begrijpen. –

Wat Uw vraag betreft, kan ik slechts herhalen dat gij zeer zeker niets onzedelijks doet als gij leest wezenlijk alleen ‘om de kunst’. – Evenmin als het onzedelijk is om ‘om de kunst’ een naakte vrouw te bekijken. Dezen zomer zag ik op de Tentoonstelling in Dusseldorf een troep half volwassen jongens, die met een leeraar de zalen dóórliepen van de Kunst-Ausstellung. Een wand in een der zalen werd geheel alleen ingenomen door een vrouwenfiguur, geheel náákt, een zeer realistische schilderij. De verstolen blikken dier jongelui waren niet-rein, en zéér zeker had de leeraar groot gelijk, dat hij niet bleef staan ‘om de kunst’ maar dóórliep naar een andere zaal, en de jongelui daardoor dwong hem te volgen-: Zij zouden naar zijn uitleggingen ‘over de kunst’ quasi-geluisterd, maar zich zeer zeker daarbij leelijke gedachten gemaakt hebben. Toch was dat schilderij an und für sich een prachtig kunstwerk.”

28 september 1904

28 september 1904

Reacties uitgeschakeld voor Correspondentie over zedelijkheid

Filed under Correspondentie