Tag Archives: man-vrouw

Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Onder de titel ‘Vorming van den toekomstigen echtgenoot’ geeft J.v.W. in het hoofdartikel van De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901 een genadeloze beschrijving van het mannelijk deel van de Nederlandse bevolking.

“In Amerika, waar men het vasteland in alles een vijf en twintig jaar vooruit is, wordt de vrouw gesteld boven den man, waarschijnlijk omdat zij in gedrag en waardigheid reeds jarenlang werkelijk stond boven den man. Dienstboden zijn er schaarsch en als de man thuiskomt, is het opdat zijn vrouw zal kunnen uitgaan. Hij zorgt tijdens hare afwezigheid voor de kleintjes en voor de pot, schuiert het kleed voor haar en spaart haar wat hij kan, en als de vrouw thuiskomst, verfrischt en opgefleurd door de beweging in open lucht en door de afleiding van geest verkregen bij gesprekken met menschen, is zij weer een opgewekt moedertje binnenshuis en een zonneschijntje voor man en kinderen.

Wat zijn we daar in Holland nog ver van af! Onze jongens worden door de meeste moeders als egoïsten opgevoed. Zij hebben hare zoons afgodisch lief, en gevoelen reeds vooruit een zekeren afkeer van een indringende schoondochter. Zeer natuurlijk; want de groote moederliefde gevoelt da men haar lieveling haar ontnemen gaat en dat zij wordt achtergesteld voor een vreemde. En mag zij nu al hare kinderen al tot goede zonen, tot brave menschen opvoeden, zij vergeet toch meestal één punt in die opvoeding – de vorming voor het huwelijk, welke hem juist ten zegen zou kunnen worden in zijn verder leven. En zij ziet geheel voorbij dat zij daardoor zelf de kans op zijn toekomstig geluk verkleint.

Het is niet genoeg een braaf en achtenswaardig man te zijn; – brave en achtenswaardige mannen zijn dikwerf zeer onaangename echtgenooten. En evenmin is een goede zoon altijd een goede echtgenoot, en dat is alleen de schuld der moeder, die door hare opvoeding verzuimd heeft de voor een gelukkig huwelijk onmisbare hoedanigheden in haar zoon te kweeken.

Hoe worden de meeste jongens opgevoed? Omdat zij jongens zijn, worden zij boven hunne zusters voorgetrokken en aan hunne vorming wordt veel meer ten koste gelegd dan aan die hunner zusters, ja, die zusters moeten meermalen veel ontberen, om den broer een schijn van welvaart te geven in de kringen, waar hij verkeert.

Spreekt hij van zijne zusters met vlegelachtige lompheid als van ‘maar meisjes’, dat wordt niet zelden nog aardig gevonden ook.

Studeert het jongmensch, dan ‘kost hij veel geld’, en hij vindt het heel natuurlijk dat moeder en zuster om zijnentwil ontberingen dragen. In families, waar volstrekt geen geld te veel is, verteren de zonen het leeuwenaandeel. Zij leggen zich geen beperkingen op, zij geven menigen avond aan amusementen, die ‘bij hun stand passen’meer geld uit dan waarover een hunner zusters een maandlang te beschikken heeft, en terwijl de zusters hunne goedkoope japonnetjes zelf moeten naaien, acht de heer broeder zich te goed om losse manchetten te dragen en draagt daarvoor in plaats manchethemden, wier geregelde wassching alleen veel meer kost dan de kleedprijs der zusters kan beloopen in een jaar.

Tehuis spreekt het vanzelf dat de zusters hunne broeders bedienen, hun alles aanbrengen, voor hen heen en weer loopen, hunne kasten schoonhouden, in één woord hunne slavinnen zijn. ‘Daar zijn de vrouwen nu eenmaal voor.’

En menige moeder ziet rustig toe hoe de zoon, als hij toilet maakt of iets op te zoeken heeft, alles in de kamer van de plaats rukt en alles ondersteboven keert. ‘Net zijn papa!’ zucht zij dan.

Maar het komt niet in haar op deze gewoonte des vaders, waardoor zij toch dagelijks verdriet heeft, in den zoon te onderdrukken.

Over orde en netheid heeft de broeder zoo zijn eigen meening. Overal ligt zijne asch, zijne potloodsnippers, enz. ‘Om ze weer op te ruimen – daar zijn de vrouwen voor.’

En zoo gaat het in alles; galanterie voor huisgenooten is hem ten eenenmale vreemd. Ja, als het nu op een concert is of in een theetuin, dan moet hij – vis-à-vis het publiek – wel de gewone beleefdheden bewijzen, maar thuis stelt hij zich weer schadeloos voor deze moeite.

Dat bij ongesteldheid der moeders of zusters de zoon de noodige zorgen in acht zal nemen om hen zoo mogelijk niet te hinderen – dat moet ge niet denken.

De moeder zelf, die in haar eindelooze liefde en zelfverloochening tracht haar pijn nog te verbergen, en de zusters zijn in zijn oog maar ‘kleinzeerige sukkels,’ die al jammeren als een vinger zeer doet. Hij zal geen frisch glas water voor hen halen, geen drankje aanroeren, noch zich op andere manier nuttig maken. Da is een man onwaardig.

Een zóó opgevoede of eigenlijk niet opgevoede jonge man mag nu deugden bezitten – voor echtgenoot deugt hij niet. Als de wittebroodsweken voorbij zijn en de eerste geluksroes is verflauwd, dan wil de heer gemaal in zijn huis ‘op zijn gemak’ komen. Dat zijn vrouwtje hem dat tracht te geven, vindt hij vanzelfsprekend. Thuis was dat ook zoo. Al de kleine opmerkzaamheden, waarmede een man het hart eener vrouw zoo geheel inpakt, dat zij daarvoor groote gebreken vergeeft, vindt hij thuis onnoodig. Hij valt in al zijne gewoonten van het ouderlijk huis terug. Zijn egoïsme, dat een weinig was ingesluimerd, ontwaakt met nieuwe kracht. En het jonge vrouwtje, dat thuis met teederheid omringd was, gaat zich diep ongelukkig voelen als voor al hare liefdedienstjes, al haar kleine en groote attenties geen woord van waardeering schijnt te kunnen overschieten.

Is zij eens ziek, dan denkt hij er niet aan haar verlichting te verschaffen, maar voelt haar ziek-zijn als een beleediging van zijn persoon. En zoo ontstaan de mannen, die maar voor hun genoegen leven en geld uitgeven, zonder te vragen of vrouw en kinderen daardoor ook tekortkomen, mannen, voor wie het beste uit keuken en kelder wordt opgedragen en die aan niemand denken dan aan hun eigen Ik…. omdat ze dat nu eenmaal van jongs af gewoon zijn.

Daarom moet een moeder hen zóó opvoeden dat zij niet alleen knap en fatsoenlijk worden, maar ook beminnenswaard; – dat zij niet alleen liefde ontvangen willen, maar die ook geven; – dat ze niet alleen zullen zeggen hun vrouw lief te hebben, maar haar die liefde ook te toonen in allerlei kleinigheden; die warme koesterende liefde, waaraan iedere vrouw behoefte heeft als een bloem aan de zon.

Zonder haar kan het huwelijk wel goed zijn, o ja, zelfs voorbeeldig, maar het zonnige geluk ontbreekt, dat toch het beste nog is in den grauwen levensdag. En alleen een moeder kan dat aan een kind leeren. Egoisten worden gekweekt, niet geboren.

De zonen moeten van jongsaf zich gewennen hunnen huisgenooten aangenaam te zijn en de offers, die hun gebracht worden, moeten zij hoog waardeeren; dan zullen zij innig met hunne familie medeleven.

Een zóó opgevoede zoon wordt later ook een lieve, zorgzame en – – gelukkige echtgenoot. Want de bewering dat gelukkig maken eigenlijk gelukkig zijn is, geldt niet alleen voor de vrouw, maar ook voor den man. En in zeker opzicht zelfs nog meer voor den man dan voor de vrouw. Want een vrouw weet het hoog te schatten, wanneer haar echtgenoot dit ‘gelukkkigmaken’ verstaat; – en zij is hem daarvoor zóó dankbaar, dat hun huwelijksgeluk daardoor alleen reeds verzekerd is.

En gelukkig willen wij toch allen zijn, in de korte spanne tijds, die wij hebben te leven!

J. v. W.

Reacties uitgeschakeld voor Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Filed under Hoofdartikel

Een onbeholpen wielrijder

[In De Hollandsche Lelie van 16 september 1903]

Ik vind deze week in “het Vaderland” het volgend bericht.

Op den Ouden Scheveningschen Weg kwam een onbeholpen wielrijder met een volle vaart tegen een heer aan, die viel, zijn kleederen erg havende, en ook zijn hand verwondde. Gelukkig grepen een paar voorbijgangers hem onmiddellijk, anders was hij ook nog onder een rijtuig gekomen. De wielrijder klom weer op zijn fiets, en reed dadelijk daarop weer een dame omver.

Een politieagent, wien men verzocht proces-verbaal op te maken, zeide dat dit niet noodig was, hij kende den man op de fiets wel. Doch toen men later naar het politiebureau ging, bleek dit niet het geval te zijn. Toen was echter de woeste fietser niet meer te vinden.”

Naar aanleiding van deze mededeeling veroorloof ik mij, – met al de nederigheid, die past aan eene niet-ééns-Edelachtbaren-mogende-méékiezen, echter wèl de door hen ingestelde belastingen moetende méé-offeren vrouw – het volgende voorstel te brengen onder de aandacht van het zoo vaderlijk en rechtvaardig Edelachtbaar bestuur onzer stad ‘s-Gravenhage:

Zou het geen aanbeveling verdienen, wanneer de dappere politie-agenten van ‘s-Gravenhage voortaan wat minder keken naar den grond, of zij ook hier of daar een weerloos straathondje kunnen opsporen, dat buiten-eigen-schuld, ongemuilkorfd rondloopt, en daarvoor moet sterven na wreede martel-opsluiting; en wat méér rondom zich, naar voor hun genoegen fietsende groote-oomes, die door eigen schuld, hun medemenschen verminken en ongelukkig maken, maar daarvoor, niet-alleen niet worden gedood, doch ook zelf geen enkele straf, hoe gering ook, ontvangen…

Of is de dapperheid der Haagsche politie alléén groot, waar het weerlooze hondjes geldt?…

En kijken zij opzettelijk liever een anderen kant uit, als een groote oome fietst zonder het te kunnen; en dáárdoor zijn medemenschen verminkt…?

Anna de Savornin Lohman

Reacties uitgeschakeld voor Een onbeholpen wielrijder

Filed under Dagelijksleven

Het noodlot van het genie

[Uit De Hollandsche Lelie van 1 januari 1902]

“Oppervlakkig beschouwd zou men kunnen beweren dat iemand met een middelmatige ontwikkeling en verstand al zeer weinig beteekent. Het gevleugelde woord van De Génestet ‘zoo’n middenman wat heb je er an,’ in dezen zin gebezigd, zou men op dit soort van menschen kunnen toepassen, en waar Multatuli beweert dat de som van vele middelmatigheden gelijk is aan één middelmatigheid, daar schijnt het waarlijk niet zeer wenschelijk tot deze categorie te behooren.

En toch is het standpunt te verdedigen, dat een middelmatig mensch, dus iemand die te laag staat om uit te blinken, en hoog genoeg om niet tot de allerlaagsten te worden gerekend, zich gelukkig kan gevoelen, ondanks dat hare eerzucht haar verwijt, dat zij het niet zoo ver heeft gebracht, als zij zich wel had voorgesteld, en zij in vergelijking met hen, die hooger staan, slechts een rustige plaats bekleedt in haar werken en streven.

Want laten wij niet vergeten dat het slechts aan weinig bevoorrechten is gegeven door hunne uitstekendheid eer en roem te oogsten. En dat bijna ieder, die zich verheft boven het peil van een gewoon menschenverstand, te kampen heeft met oneerlijke critiek, ja dikwijls met verdachtmaking, door hen die niet kunnen dulden dat ze hooger staan dan zij. Vooral op litterarisch gebied heeft de vrouw zich baan gebroken. Onze bekwame vrouwenartsen, onze doctoressen in talen en geschiedenis, wat een strijd om te worden gewaardeerd. Op welk gebied de vrouwelijke geest zich in de loop der tijden ook heeft verheven boven het gewone peil, overal vindt men de sporen dat de uitstekenden menigmaal werden aangewezen, om in ruil voor hunne groote talenten, te lijden naar lichaam en geest. Sla het oog op de baanbreeksters, de weldoensters der menschheid, die geleid door hun machtig brein of hun vasten wil ten zegen zijn en waren voor tijdgenoot en nageslacht. Hoe velen van die groote, sterke, moedige vrouwen, die nu worden geroemd en geëerd jaren na hun dood, hebben den strijd des levens moeten opgeven omdat ze door hare tijdgenooten niet werden begrepen.

De reizigster in verre landen heeft ze niet dikwijls ondank geoogst voor hare pogingen om meer licht te verspreiden over de donkere plekken der wereldkaart? En hoevele beoefenaarsters van de wetenschappen, welke thans onder het bereik van alle vrouwen zijn gebracht, hebben geleden en gestreden voor hunne heilige zaak. Wie  kent niet onze landgenoote Freule Tinne, die op haar onderzoekingstocht door Afrika, te midden van haar werk werd omgebracht?

Maar niet alleen de gevaarlijke tochten der ontdekkers en ontdeksters, ook de wetenschap heeft hare offers geëischt als wilde zij haar of hem straffen, welke door hun genie geleid, te diep in hare geheimen wilden doordringen.

Er was een tijd dat onze aarde werd beschouwd als het middelpunt van het wereldstelsel. Zij was het heelal waar omheen zich zon, maan en sterren bewogen. De hemel was het gewelf hetwelk dit grootsche mechanisme omsloot. De geheele godsdienst steunde op dit stelsel en, ongelukkig degene die durfde daaraan te twijfelen. Daar bracht Italië een Galileï voort en het geheele stelsel viel in duigen. Onze aarde was teruggebracht tot de kleine planeet, als een bijna onmerkbaar deel in de oneindige ruimte, maar de man, welke de vermaarde woorden sprak ‘En toch draait zij,’ was gedoemd zijn leven somber, gebogen, en met gebroken hart te eindigen. Zijn opvolger, den grooten Kepler, viel hetzelfde lot ten deel.

De stoutmoedige onderzoeker van wetten, volgens welke de hemellichten zich bewegen, verviel tot armoede en gebrek, omdat men hem niet wilde begrijpen.

Maar hoe ook gesmaad en verguisd, de voorvechters der wetenschap hadden de baan gebroken, voor hen die volgden en die gebruik makende van het licht door hunne voorgangers ontstoken, de duisternis niet meer in die mate behoefden te vreezen. Daar verschijnt Newton, de vertrouweling der Natuur, die zoovele van hare geheimen aan het licht bracht. De zeven kleuren van het licht brachten hem tot de ontdekking der spectraal analyse.

De wet op de vallende lichamen en die der aantrekkingskracht was zijn werk. De eerste telescoop werd door hem ontdekt, maar ook zijn genie moest den tol betalen – op 50jarigen leeftijd was hij de krankzinnigheid nabij. Wel herstelde hij van die gevreesde kwaal, maar ook aan hem blijkt dat het genie een gevaarlijk vriend is. Bijna op elk gebied van het menschelijk weten vinden wij de slachtoffers der uitstekendheid, en wel juist onder hen, die de eerste schreden zetten op een nieuw gebied van kennis. Is het niet alsof het genie, in ruil voor het hoogste wat de mensch kan bezitten, moet boeten voor de kostelijkste der gaven? Is het niet alsof de wet der noodzakelijkheid, waar ze iemand verheft verre boven het peil der middelmatigheid, het noodlot te hulp roept om een tegenwicht aan te brengen?

Het schijnt alsof de natuur er voor wil zorgen dat hare geheimen langzamerhand worden onthuld en dat er eeuwen moeten verloopen, voordat de mensch zich een afgerond begrip mag vormen over het ‘Wezen der Dingen’.

Archimedes, de groote wiskunstenaar, die 200 jaar voor Christus leefde, deelde alweder hetzelfde lot: niet begrepen te worden. In zijne wiskundige berekeningen werd hij door Romeinsche soldaten overvallen op het oogenblik dat hij eene nieuwe waarheid aan het licht zou brengen; en met den uitroep: ‘Wis mijne cirkels niet uit’ was de groote heldere geest niet meer. En als wij een greep doen in de rij der groote mannen en vrouwen op het gebied van muziek, die zijn te veel en te talrijk. Eén groot genie komt ons als onwikkeleurig voor den geest, het genie dat op het gebied der muziek, het gezang der engelen trachtte na te bootsen, Ludwig von Beethoven, die in zijne Symphonieën de taal der hemelen naar de aarde bracht, die de goddelijkste melodieën hoorde fluisteren in zijn oor, maar die door het noodlot werd aangewezen doof te worden. Was dat de straf voor het overschrijden der grens, waar het menschelijke eindigt en het goddelijke begint?

De kroon van het genie schittert en fonkelt in het zuiverste licht, zij is van het reinste goud en dekt het hoofd van de uitverkorenen der menschheid, maar zij drukt zwaar op het hoofd van hen, die zijn aangewezen haar te dragen, en te toonen met welk een oneindig groot vermogen de mensch kan worden uitgerust. Laten wij, die niet tot de uitverkorenen behooren, dus tevreden zijn met onze middelmatigheid, woekeren met de gaven in bescheiden vorm ons geschonken, en winst doen met de verheven denkbeelden en waarheden, die ons zijn nagelaten door hen, op wier hoofd het genie zijn stempel heeft gedrukt.

Veritas S.”

 

Reacties uitgeschakeld voor Het noodlot van het genie

Filed under Dagelijksleven

De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht

Oproep in De Hollandsche Lelie van 25 april 1894, getiteld: ‘Vrouwen van Nederland!’

“Velen onder U hebben gevoeld, dat de positie der vrouw niet is, zooals ze moet zijn.

Velen hebben geleden en lijden onder de onbillijke wijze, waarop de vrouw wordt behandeld door de wet; en velen, die er niet onder lijden gevoelen toch, dat ook zij zouden kunnen verkeeren in hetzelfde geval; terwijl het bovendien voor velen klaar begint te worden, dat ze niet tevreden mogen zijn, als ze zelf niet lijden, maar dat ze ook belang behooren te stellen in ’t lot van ’t algemeen.

Tot nu toe echter ontbrak U het vereenigingspunt, waarom ge U allen kondt scharen. Het is aan eenige ondernemende vrouwen te Amsterdam gelukt op te richten: De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Zij meenen, en met haar de vrouwen, die het bestuur der Vereeniging hebben op zich genomen, dat het eerste wat de vrouw moet vragen om te komen tot verbetering van hare positie is: Het kiesrecht.

Waarschijnlijk zullen velen onder U denken dat dit niet het noodigste is; voor de eene zal dit, voor de andere weer iets anders het belangrijkste schijnen. Stelt nu echter persoonlijke gevoelens ter zijde; bedenkt, dat deze Vereeniging naar haar beste weten wil werken voor alle vrouwen en dat het van belang is de krachten niet te versnipperen.

Wordt als het U mogelijk is lid van de genoemde Vereeniging. De contributie is gesteld op minstens 50 cts. per jaar, om allen zonder onderscheid in staat te stellen zich aan te sluiten. Bedenkt, dat slechts het groote aantal ons kan baten, opdat ons niet ten antwoord kan gegeven worden, als de tijd van handelen gekomen is: De vrouw verlangt het kiesrecht niet.

Wij roepen u allen toe: Vrouwen van Nederland! Zorgt voor uwe belangen! Vereenigt U!

A.W.L. Versluys-Polman, Pres.-Penningm. Amsterdam. 1e Parkstraat 398.

A. Th. A. v. Campen-Doesburg, Vice-Pres. Amsterdam Haarl. Houttuinen 44.

P.C. Meuleman-Van Ginkel, Secr. Nieuwer-Amstel. Amsteldijk 34.

M. Rutgers-Hoitsema. Rotterdam, Haringvliet, 52.

H. Cohen. Amsterdam, Utrechtschedwarsstraat 95.

Ieder, die lid wenscht te worden, kan zich aanmelden bij een der bestuursleden. Bij alle bestuursleden zijn ook de statuten te verkrijgen.”

Eén van de initiatiefnemers van De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht was Wilhelmina Drucker. De vereniging  had verschillende afdelingen; presidente van de afdeling Amsterdam was Aletta Jacobs. Zij zou in 1903 algemeen presidente worden.

De inspanningen van deze vrouwen werden beloond, al moesten ze wel heel wat jaren geduld hebben. Bij de grondwetswijziging van 1917 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd. Daarbij werd het passief kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen mogelijk gemaakt, maar het actief algemeen kiesrecht werd vooralsnog alleen opengesteld voor mannen. Met een grondwetswijziging in 1922 werd het algemeen kiesrecht voor vrouwen en mannen in de Grondwet opgenomen.

Voor meer informatie zie o.a. een dossier op www.atria.nl.

Vrouwen voeren propaganda voor vrouwenkiesrecht in Amsterdam, 15 februari 1914 (dossier Atria)

Vrouwen voeren propaganda voor vrouwenkiesrecht in Amsterdam, 15 februari 1914 (dossier Atria)

Affiche van de Vereeniging (dossier Atria)

Affiche van de Vereeniging (dossier Atria)

Reacties uitgeschakeld voor De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht

Filed under Vrouwen

De overwinning is behaald!

Het hoofdartikel van redactrice Johanna van Woude in De Hollandsche Lelie van 7 februari 1900 heeft als titel ‘De moderne vrouw’ en begint als volgt: “Neen, schrik niet van dien titel….. De tijd is gelukkig voorbij, toen de moderne vrouw een wanklank scheen in de onderworpen vrouwenwereld . De moderne vrouw is geen duivelin, zooals men eerst meende, evenmin een zottin, zooals anderen zeiden, noch een halve man, zooals men beweerde dat zij moest zijn, al trad wel hier of daar eens een enkele wat onvrouwelijk of dwaas of al te heftig op.

De moderne vrouw is een hoogst achtenswaardig wezen gebleken, dat, een vergeten rups gelijk, zich loswikkelend uit het rag van conventie, opsteeg als een schoone vlinder, hoog in het wijde luchtruim; en de moderne man kan zich niet meer over haar vroolijk maken, noch haar in couranten en tijdschriften ten toon stellen, zonder zijn eigen inferioriteit te verraden en zijn ten-achter-blijven bij zijn tijd.”

Verderop in het artikel schrijft zij: “De Hollandsche vrouw heeft een kennelijk gevoel van eigenwaarde, en de tijden zijn voorbij toen zij maar een man het jawoord gaf om ‘onder dak’ te zullen zijn bij het overlijden harer ouders. Wie heeft ze niet gekend, de arme teervoelende meisjes uit groote gezinnen, die al hare illusies offerend ter wille van vaders zorgen, hare hand reikten aan een bekenden losbol, die nu eindelijk maar trouwen zou, of aan drinkers en halve idioten uit het zich boven de vrouw voelende mannengeslacht! […]

Neen, te huwen om ‘onder dak’ te zijn, is voor de hedendaagsche vrouw onnoodig; dat was het noodlot der onbemiddelde vrouw van voor vijf en twintig jaren. Als de schooltijd was afgeloopen wachten op een man. Geen of weinig bezigheid, voor het venster zitten en in het spionnetje gluren, een doelloos handwerkje, veel uitgaan; maar geen levensdoel, geen prikkel om met lust uit bed te springen voor den komenden dag, geen reden om bij het slapen gaan te verlangen naar den komenden morgen. Geen fier bewustzijn van zich nuttig weten, maar, als de man niet kwam, in heerengezelschap gekkelijk opgewonden zich aanstellend, dan een spot voor jongeren en een doktersmelkkoetje, om het leven te eindigen in gezelschap van kanarievogels en poesen. […]

En nu zien wij ze gaan door de straten der steden en over de wegen der dorpen met rustigen tred en geheven hoofde, de moderne vrouwen. […] En ze gaan in grote drommen, de werkende en hervormende vrouwen, met gelukkigen glimlach en rijk gevoel van voldaanheid over het leven en zichzelf. Haar ingeschapen teederheid siert haar als doktores en ziekenverpleegster aan de bedden der kranken; – in verre landen zien wij hare scherpzinnigheid haar als rechtsgeleerde te stade komen. Wij zien hen optreden als leeraressen, ook aan Universiteiten, als bijenkweeksters en als hoofden van boerderijen; – zij jagen de machines in de telegraafkantoren en hunne stemmen roepen door de telefoonbuizen; – hunne teere vingers tikken op de schrijfmachines en voeren de stenografische pen; zij zijn achter de toonbanken en in de journalistiek; in de orchesten der concertzalen en in de rijen der componisten; in photografie, schilder- en beeldhouwkunst, zoowel als in letterkunde als op het tooneel. En toch zijn er nog altijd vrouwen in overvloed die potje koken en vloeren aanvegen, of waardig hare mooie plaats als huismoeder innemen, en het hart van de ‘moderne vrouw’ is niet kouder dan het hart van de kokende en vegende vrouw of der huismoeder. Waar is het woord ‘emancipatie’ gebleven, dat men spottend uitsprak? … Alweer in onbruik geraakt. Men spreekt nu nog alleen met zeker ontzag over ‘de moderne vrouw’.

Een vrouwenhart blijft een vrouwenhart voor het fornuis of achter den lessenaar, in de dokterskoets of gebogen over een te mazen kous. Geen wijze van broodverdienen zal ooit hare vrouwelijkheid benadeelen, of hare eigenaardige bekoorlijkheid schaden; en in alle omstandigheden kan zij kinderen aan haar warm hart drukken en tranen storten over den dwalenden man.”

Van Woude eindigt bepaald juichend: “Gij, moderne vrouwen, gij wegbaansters voor duizenden uwer jongere zusters, wij danken u voor uw moed en rustige volharding, en denkende aan den strijd door u gestreden, wordt ons oog vochtig, als wij u rustig zien gaan door den menschenwereld. Maar de overwinning is behaald!”

 

Reacties uitgeschakeld voor De overwinning is behaald!

Filed under Hoofdartikel

Duitse humoristen

Vanuit de 21ste eeuw is het moeilijk in te schatten hoe de man-vrouwverhoudingen rond 1900 precies waren. In De Hollandsche Lelie lijkt de toon voor ons op het ene moment zeer geëmancipeerd – zo niet feministisch, en op het andere moment erg traditioneel en ouderwets. Er zijn natuurlijk ook nogal wat ontwikkelingen op dit gebied in de periode van het tijdschrift (1887-1933). Hier zal  in komende blogposts regelmatig aandacht aan worden besteed.

In het nummer van 22 juni 1904 staan citaten over vrouwen van Duitse humoristen van rond 1800, wij kunnen alleen maar raden naar wat de lezeressen van De Hollandsche Lelie hiervan vonden…

Jean Paul Friedrich Richter (1763-1825)

Jean Paul Friedrich Richter (1763-1825)

Ludwig Börne (1786-1837)

Ludwig Börne (1786-1837)

 

Reacties uitgeschakeld voor Duitse humoristen

Filed under Uncategorized