Tag Archives: uitvinding

Het noodlot van het genie

[Uit De Hollandsche Lelie van 1 januari 1902]

“Oppervlakkig beschouwd zou men kunnen beweren dat iemand met een middelmatige ontwikkeling en verstand al zeer weinig beteekent. Het gevleugelde woord van De Génestet ‘zoo’n middenman wat heb je er an,’ in dezen zin gebezigd, zou men op dit soort van menschen kunnen toepassen, en waar Multatuli beweert dat de som van vele middelmatigheden gelijk is aan één middelmatigheid, daar schijnt het waarlijk niet zeer wenschelijk tot deze categorie te behooren.

En toch is het standpunt te verdedigen, dat een middelmatig mensch, dus iemand die te laag staat om uit te blinken, en hoog genoeg om niet tot de allerlaagsten te worden gerekend, zich gelukkig kan gevoelen, ondanks dat hare eerzucht haar verwijt, dat zij het niet zoo ver heeft gebracht, als zij zich wel had voorgesteld, en zij in vergelijking met hen, die hooger staan, slechts een rustige plaats bekleedt in haar werken en streven.

Want laten wij niet vergeten dat het slechts aan weinig bevoorrechten is gegeven door hunne uitstekendheid eer en roem te oogsten. En dat bijna ieder, die zich verheft boven het peil van een gewoon menschenverstand, te kampen heeft met oneerlijke critiek, ja dikwijls met verdachtmaking, door hen die niet kunnen dulden dat ze hooger staan dan zij. Vooral op litterarisch gebied heeft de vrouw zich baan gebroken. Onze bekwame vrouwenartsen, onze doctoressen in talen en geschiedenis, wat een strijd om te worden gewaardeerd. Op welk gebied de vrouwelijke geest zich in de loop der tijden ook heeft verheven boven het gewone peil, overal vindt men de sporen dat de uitstekenden menigmaal werden aangewezen, om in ruil voor hunne groote talenten, te lijden naar lichaam en geest. Sla het oog op de baanbreeksters, de weldoensters der menschheid, die geleid door hun machtig brein of hun vasten wil ten zegen zijn en waren voor tijdgenoot en nageslacht. Hoe velen van die groote, sterke, moedige vrouwen, die nu worden geroemd en geëerd jaren na hun dood, hebben den strijd des levens moeten opgeven omdat ze door hare tijdgenooten niet werden begrepen.

De reizigster in verre landen heeft ze niet dikwijls ondank geoogst voor hare pogingen om meer licht te verspreiden over de donkere plekken der wereldkaart? En hoevele beoefenaarsters van de wetenschappen, welke thans onder het bereik van alle vrouwen zijn gebracht, hebben geleden en gestreden voor hunne heilige zaak. Wie  kent niet onze landgenoote Freule Tinne, die op haar onderzoekingstocht door Afrika, te midden van haar werk werd omgebracht?

Maar niet alleen de gevaarlijke tochten der ontdekkers en ontdeksters, ook de wetenschap heeft hare offers geëischt als wilde zij haar of hem straffen, welke door hun genie geleid, te diep in hare geheimen wilden doordringen.

Er was een tijd dat onze aarde werd beschouwd als het middelpunt van het wereldstelsel. Zij was het heelal waar omheen zich zon, maan en sterren bewogen. De hemel was het gewelf hetwelk dit grootsche mechanisme omsloot. De geheele godsdienst steunde op dit stelsel en, ongelukkig degene die durfde daaraan te twijfelen. Daar bracht Italië een Galileï voort en het geheele stelsel viel in duigen. Onze aarde was teruggebracht tot de kleine planeet, als een bijna onmerkbaar deel in de oneindige ruimte, maar de man, welke de vermaarde woorden sprak ‘En toch draait zij,’ was gedoemd zijn leven somber, gebogen, en met gebroken hart te eindigen. Zijn opvolger, den grooten Kepler, viel hetzelfde lot ten deel.

De stoutmoedige onderzoeker van wetten, volgens welke de hemellichten zich bewegen, verviel tot armoede en gebrek, omdat men hem niet wilde begrijpen.

Maar hoe ook gesmaad en verguisd, de voorvechters der wetenschap hadden de baan gebroken, voor hen die volgden en die gebruik makende van het licht door hunne voorgangers ontstoken, de duisternis niet meer in die mate behoefden te vreezen. Daar verschijnt Newton, de vertrouweling der Natuur, die zoovele van hare geheimen aan het licht bracht. De zeven kleuren van het licht brachten hem tot de ontdekking der spectraal analyse.

De wet op de vallende lichamen en die der aantrekkingskracht was zijn werk. De eerste telescoop werd door hem ontdekt, maar ook zijn genie moest den tol betalen – op 50jarigen leeftijd was hij de krankzinnigheid nabij. Wel herstelde hij van die gevreesde kwaal, maar ook aan hem blijkt dat het genie een gevaarlijk vriend is. Bijna op elk gebied van het menschelijk weten vinden wij de slachtoffers der uitstekendheid, en wel juist onder hen, die de eerste schreden zetten op een nieuw gebied van kennis. Is het niet alsof het genie, in ruil voor het hoogste wat de mensch kan bezitten, moet boeten voor de kostelijkste der gaven? Is het niet alsof de wet der noodzakelijkheid, waar ze iemand verheft verre boven het peil der middelmatigheid, het noodlot te hulp roept om een tegenwicht aan te brengen?

Het schijnt alsof de natuur er voor wil zorgen dat hare geheimen langzamerhand worden onthuld en dat er eeuwen moeten verloopen, voordat de mensch zich een afgerond begrip mag vormen over het ‘Wezen der Dingen’.

Archimedes, de groote wiskunstenaar, die 200 jaar voor Christus leefde, deelde alweder hetzelfde lot: niet begrepen te worden. In zijne wiskundige berekeningen werd hij door Romeinsche soldaten overvallen op het oogenblik dat hij eene nieuwe waarheid aan het licht zou brengen; en met den uitroep: ‘Wis mijne cirkels niet uit’ was de groote heldere geest niet meer. En als wij een greep doen in de rij der groote mannen en vrouwen op het gebied van muziek, die zijn te veel en te talrijk. Eén groot genie komt ons als onwikkeleurig voor den geest, het genie dat op het gebied der muziek, het gezang der engelen trachtte na te bootsen, Ludwig von Beethoven, die in zijne Symphonieën de taal der hemelen naar de aarde bracht, die de goddelijkste melodieën hoorde fluisteren in zijn oor, maar die door het noodlot werd aangewezen doof te worden. Was dat de straf voor het overschrijden der grens, waar het menschelijke eindigt en het goddelijke begint?

De kroon van het genie schittert en fonkelt in het zuiverste licht, zij is van het reinste goud en dekt het hoofd van de uitverkorenen der menschheid, maar zij drukt zwaar op het hoofd van hen, die zijn aangewezen haar te dragen, en te toonen met welk een oneindig groot vermogen de mensch kan worden uitgerust. Laten wij, die niet tot de uitverkorenen behooren, dus tevreden zijn met onze middelmatigheid, woekeren met de gaven in bescheiden vorm ons geschonken, en winst doen met de verheven denkbeelden en waarheden, die ons zijn nagelaten door hen, op wier hoofd het genie zijn stempel heeft gedrukt.

Veritas S.”

 

Reacties uitgeschakeld voor Het noodlot van het genie

Filed under Dagelijksleven

Wereldtentoonstelling 1900

De Exposition Universelle van 1900 was een wereldtentoonstelling die werd gehouden in Parijs, ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Ook werden de nieuwe ontwikkelingen van de volgende eeuw gepromoot.

Overzicht van de Exposition  Universelle

Overzicht van de Exposition Universelle

De tentoonstelling duurde van 15 april tot 12 november 1900 en maar liefst vijftig miljoen mensen bezochten het evenement. Enkele van Parijs bekendste gebouwen werden speciaal hiervoor gebouwd, waaronder treinstations, le grand Palais en de Pont Alexandre III (net als de Eiffeltoren 11 jaar eerder tijdens een vorige wereldtentoonstelling). De Parijse metro werd tijdens de tentoonstelling in gebruik genomen: op 19 juli 1900 werd lijn 1 geopend tussen Porte Maillot en Porte de Vincennes. Deel van de tentoonstelling waren de Olympische Zomerspelen 1900, die over een periode van vijf maanden plaatsvonden. Hier namen voor de eerste keer vrouwen aan deel.

Tijdens de expo werden voor het eerst films met geluid gepresenteerd (opnames van opera en ballet). Ook de roltrap beleefde er zijn première. Art nouveau was de alom aanwezige stijl.Het is mogelijk om bewegende beelden van deze wereldtentoonstelling te bekijken: Thomas Edison inc. maakte een serie filmpjes, waarvan een compilatie te vinden is op Youtube.

wereldtentoonstelling parijs 1900De Hollandsche Lelie besteedde ruim aandacht aan deze wereldtentoonstelling. In een serie van drie artikelen ‘Een praatje over de Parijsche Wereldtentoonstelling’ (‘Uit het Duitsch van Clara von Studnitz door A.Z. – Gezien met het oog van een Duitsche dame’; 29 augustus, 5 en 12 september) wordt gedetailleerd verslag gedaan van een veertiendaagse reis, georganiseerd door een Berlijns reisbureau. De auteur schrijft vooral over praktische zaken: “Aangezien alle couranten sedert maanden berichten over de Parijsche wereldtentoonstelling bevatten, komt ’t mij natuurlijk niet in den zin, hier een beschrijving daarvan te geven. Zooeven van Parijs teruggekeerd, zou ik echter gaarne mijn geachten lezeressen eenige praktische wenken geven, waartoe ik door eigen ervaring in staat ben, en tevens de indrukken schilderen, die ik in de afgeloopen weken ontving.” Een aantal fragmenten:

“Daar bij deze veertiendaagsche rondreis slechts handbagage veroorloofd is, komt het er, vooral voor ons dames, bijzonder op aan rijpelijk te overwegen, wat er meegenomen moet worden. Te veel kleeren is lastig, te weinig toiletten heeft ook zijn schaduwzijden. Het is daarom het verstandigst, een donker kostuum van fijne wollen stof te nemen, bestaande uit rok, figaro, jaquet (’t welk ingepakt wordt) en katoenen blouwe, benevens een stofmantel. Bovendien zijn nu in den zomer in het warme Parijs een katoenen japon, zoowel als een elegant licht toiletje en eenige zijden blouses zeer aangenaam. Ook doet men goed, op reis een zach vilten hoed op te zetten en een gekleeden mede te nemen, die men echter niet in een lastige doos, maar in een grooten papieren- of gummizak in ’t net moet bewaren. Een gullen of foulard zijden japon is voor het bezoeken der Groote Opera bijzonder aan te bevelen, wijl het daar zeer warm is.”

“Minder gekleed dan in de Opera, kan men in de andere theaters verschijnen, b.v. in het theater, dat aan de beroemde Sara Bernhardt behoort, en waarin zij reeds gedurende de geheele tentoonstelling dagelijks in het stuk ‘l’Aiglon’ optreedt.”

“In het kleine theater van Sarah Bernhardt is ’t echter zeer warm, zoodat men verstandig doet zich daarvoor zoo dun mogelijk te kleeden. Men wachte er zich echter voor, aan een zich in de nabijheid der loges bevindend buffet, in dit of in een ander Parijsch theater, een verversching te nemen. Wij moesten n.l. de in wit atlas en valsche edelstenden prijkende Hebe, twee francs voor een flesch Selzerwater betalen! Zooals wij later hoorden, moeten deze ‘dames’ zelf groote sommen voor de door haar geleverde dranken geven; het hangt echter geheel van haar af, hoeveel zij den niets kwaads vermoedenden vreemdeling daarvoor willen afzetten.

Ook lette men bij ’t wisselen van geld nauwkeurig op de munten, welke men ontvangt. Er wordt n.l. gedurende de tentoonstelling op groote schaal handel gedreven in looden francstukken, zoowel als in Belgische en Zwitsersche pasmunt, welke in Frankrijk geen waarde heeft. Men wachte er zich daarom voor, francstukken aan te nemen, waarop een zittende Helvetia is afgebeeld.”

paris 1900Na opmerkingen over prijzen van hotels, kosten van consumpties in café’s, de drukte van het verkeer en de veiligheid op straat: “Met minder lof kan ik spreken over de reinheid der straten in Parijs, terwijl die in Brussel mij zeer aangenaam aandeed.” […] “Ja, de reinheid! Nergens zal de Duitsche huisvrouw die met meer smart missen, dan in de Parijsche marktlokalen. Wel is ’t geen wonder, dat onze lokalen, die veel later ontstaan zijn dan de Parijsche, ook veel mooier en ruimer gebouwd werden, maar waarom een overigens zeer prijzenswaardige politie er niet voor zorgt, dat de voorbijganger b.v. Zondags om twaalf uur, niet over stroo, ja zelfs over visschenkoppen struikelen moet, zooals dat ons gebeurd is, is mij onbegrijpelijk!”

“Met even weinig lof kan ik over de Fransche wagons spreken. Wij spoorden in den nacht van Brussel naar Parijs. Zoo’n nachtreis 2e klasse echter doet iemand, ronduit gezegd, de haren te berge reizen! Stoffige afdeelingen, die slecht van kussens voorzien zijn, rondvliegende motten, achter personen, en daarbij geen ‘geriefelijkheid’- hu! Men reize daarom, wanneer men ’t zich, wat zijn middelen betreft, eenigszins veroorloven kan, dit eind 1e klasse, die niet zoo overvol en vrijwel even goed als onze 2e klasse is.”

“Nergens kan men de rijkunst der koetsiers beter opmerken, dan in de Champs Elysées. Hier toch rijden dikwijls acht, soms zelfs tien rijen wagens naast elkander! Daar zijn geen tramrails; de behoefte daaraan schijnt niet zeer dringend te zijn, daar een groot deel der Parijsche bevolking welgesteld genoeg is, om in een droschke of zelfs in eigen equipage naar ’t meer of naar de Long-champs-wedrennen te rijden. Daartusschen fietsen heeren en dames; de laatsten, zooals wij opmerkten bijna allen in wijde broeken. Er zijn geen straten, die voor fietsrijders verboden zijn, en toch schijnen er merkwaardig weinig ongelukken te gebeuren. De bekwaamheid der fietsreijders viel mij ook in ’t bijzonder in Brussel op, waar de steil afhellende straten voortdurend druk door fietsrijders bereden worden.

Tot de Parijsche straat-eigenaardigheden behooren, naast de vele wagens, in de eerste plaats de krantenverkoopers, die op zingenden toon La Presse en andere bladen te koop  aanbieden. De krantenverkoop bepaalt zich hier, geheel anders dan bij ons, alleen tot de straat; want in Parijs kan men aan ’t postkantoor geen abonnementen op kranten sluiten, en evenmin gaat de courantenvrouw de huizen langs.

Wie, voor een van de café’s zittend, de voorbijgangers opneemt, zal opmerken, dat de Parisienne zeer dikwijls in ’t zwart gekleed is. Zij weet haar rok met bevalligheid op te nemen en de zich daaronder bevindende bontzijden onderrok, zoowel als de kleine elegant geschoeide voetjes tot hun recht te doen komen. Vele Françaises dragen echter ook nu in de warme Augustusdagen bekoorlijke kostuums van crêpe chiffon, die er uit zien, alsof ze uit was en kant geweven zijn; de boa, een dikke halsruche van zwarte en witte tule, ontbreekt nergens. Zij maken echter weinig gebruik van de bij ons zoo in zwang zijnde blouse, maar wel van een nauwsluitend jaquet, wanneer zij zonder cape of mantel op straat gaan.”

Er volgt een uitgebreide beschrijving van het Palais de Vêtements, waar de prachtigste toiletten te bewonderen zijn, en ’t Palais de Costume, waar een overzicht van mode uit de voorbije eeuwen wordt gepresenteerd. Daar vlakbij is het Palais de Manufactures nationales, waarin ook de speelgoedindustrie rijk vertegenwoordigd is. “Als iets nieuws zou ik kunnen vermelden: poppen, op welker zacht-rose wangen valsche diamanten de tranen bedrieglijk nabootsen. Lachende poppen heeft men dikwijls gezien, – maar weenende?

De valsche poppentranen herinneren mij aan ’t kostbaarste voorwerp ter tentoonstelling, een echte brillant van 139 karaat, die aan de eene zijde puntig, aan de andere zijde vlak geslepen is. Deze behoort aan een Amerikaan en moet een waarde van 10.000.000 franc hebben. Deze kostbare edelsteen is van ’t reinste water en drait voortdurend rond op de punt van een naald, zoodat hij door het zich hier verdringende publiek van alle kant bewonderd kan worden. Onder een glazen stolp tentoongesteld, wordt hij dag en nacht door een wachter bewaakt. Deze staat binnen een ijzeren hek, waar achter natuurlijk niemand komen mag.

Rondom de brillant zijn kastjes met andere kostbare sieraden opgesteld; daar om heen echter wordt aan de imitatie een groot veld opengelaten. Nergens toch ziet men zooveel valsche brillanten als in Parijs. Zij zien er evenwel zoo echt uit, dat de oningewijde dit fabrikaat wel voor werkelijke brillanten moet aanzien. Behalve deze edelgesteenten oefent ook de kaart van Frankrijk, welke de Russische keizer den Franschen schonk, groote aantrekkingskracht uit. Zij vertegenwoordigt een groote waarde; ieder departement namelijk is in een andere marmersoort voorgesteld. Ingelegde gouddraden wijzen de rivieren aan en de steden worden door brillanten, Parijs door een grooten robijn aangeduid.

Palais Lumineux

Palais Lumineux

Nergens wordt de glans zoo gehuldigd, als in Parijs. Welk een prachtig effect deze te voorschijn roepen kan, ziet men b.v. aan ’t Palais lumineux, het schitterende glaspaleis, dat des avonds van onder tot boven electrisch verlicht, tooverachtig in alle kleuren uitstraalt.”

Er volgt een beschrijving van een tocht per stoomschip naar de Pont de la Concorde. “De vaart duurt slechts ongeveer een kwartier. Doch welk een wereld vol wonderen uit alle ogelijke landen vertoont zich aan ons oog! Aan onze rechterhand zien wij het trotsche, met bonte wimpels versierde paleis, welks inwendige een beeld geeft van wat Frankrijk te zee en te land vermag, en aan onze linkerhand, d.i. aan den rechteroever der Seine verheft zich schilderachtig Oud-Parijs met zijn kerkje en zijn ouderwetsche, van gevels voorziene huizen.” Ook zijn de paviljoens van onder meer Servië, Griekenland, Monaco, Spanje, Noorwegen, Duitsland, België, Hongarije, Bosnië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten te zien. “Italië heeft een hoogst smaakvol renaissance-gebouw gesticht, waarin kostbaar majolica en glaswaren, in het bijzonder ook gouden sieraden naar oud-Grieksch model tentoongesteld worden.”

Uiteraard wordt door de auteur uitgebreid aandacht geschonken aan het ‘Duitsche huis’ en aan het Duitse scheepspaviljoen. “Wij allen, die de Parijsche wereldtentoonstelling bezochten, zullen de ze gedachte met ons genomen hebben, dat Frankrijk door deze tentoonstelling zijn Duitsche  naburen pas goed heeft leeren kennen.” […] “Het is overigens niet onmogelijk dat de Duitsche reformkleeding in Parijs spoedig mode zal worden.”

Na enige alinea’s over het internationaal vrouwencongres dat in juni in Parijs is gehouden en de kwestie van de kinder- en vrouwenkleding sluit het drieluik af met een bespiegeling over de Franse bevolking: “De spreekwoordelijke beleefdheid der Franschen merkt men op bij iederen stap, dien men doet. Dat beschaafde menschen beleefd zijn, is wel is waar geen wonder, maar hoezeer de beleefdheid het Fransche volk eigen is, merkte ik b.v. op bij de verkoopsters en verkoopers, die den voorbijgangers tentoonstellingsbiljetten, bloemen, Ansichtskaarten enz. te koop aanbieden. Al koopt men ook niets van hen, dan zullen zij als men hen den weg vraagt, even beleefd antwoorden als een Duitscher zou doen, wanneer men hem al zijn waren had afgekocht.

De Franschen zijn trouwens niet alleen oplettend tegenover menschen, ze hebben ook hart voor dieren. Zoo b.v. dragen de paarden voor de rijtuigen in Parijs dikwijls stroohoeden, ja zelfs zonneschermen op den kop, die voor hen bij de groote hitte stellig zeer aangenaam zijn. De door den somtijds met bloemen versierden hoed, getrokken ooren, hebben dikwijls nog een afzonderlijke bedekking. In Duitschland zag ik iets dergelijks nog niet.” Ze rondt af: “Wij hebben dus nog zeer, zeer veel van de Franschen te leeren en niets zou dwazer zijn, dan ons boven hen te willen verheffen.”

Nederlands succes was er tijdens de wereldtentoonstelling voor de Singer-maatschappij die met haar naaimachines verschillende prijzen, waaronder de ‘Grand Prix’, won. In De Hollandsche Lelie van 3 oktober 1900 wordt hiervan trots melding gemaakt en in de weken erna verschijnen meerdere advertenties in het blad waarin verwezen wordt naar de ‘Grand Prix’.

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

Reacties uitgeschakeld voor Wereldtentoonstelling 1900

Filed under Uncategorized

Geduld is een hoofdvereischte

In de tweede helft van de negentiende eeuw heeft de telefonie zich razendsnel ontwikkeld. Van het eerste concept in 1854 om spraak over de al bestaande telegrafielijnen te leiden tot de compleet functionerende, intensief gebruikte telefooncentrales van rond 1900.

Op 1 juni 1881 opende de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij (NBTM) in Amsterdam op de hoek van de Kalverstraat en de Dam het eerste Nederlandse openbare telefoonnetwerk, met 49 vaste abonneeaansluitingen. Een telefoniste in de telefooncentrale verbond de beller met het gewenste nummer door beide nummers met een koord te verbinden. In 1888 opende de NBTM de eerste interlokale verbinding, tussen Amsterdam en Haarlem. Dit particuliere initiatief werd naar verloop van tijd door het Rijk overgenomen; wel werd de exploitatie nog tot 1916 door de NBTM gevoerd. Het aantal geabonneerden van de Nederlandsche Bell-Telephoon Maatschappij bedroeg op 1 juni 1891 3.642. In 1915 waren er in Nederland 75.000 abonnees op het net aangesloten.

In de serie ‘Betrekkingen voor vrouwen’ in De Hollandsche Lelie behandelt Johanna van Woude op 3 januari 1900 de ‘Telephonie’:

“Sedert de intercommunale telephoon aan het rijk is overgegaan, vinden vele jonge meisjes bij dezen tak van dienst een tamelijk goede plaatsing, in aanmerking genomen de bescheiden eischen, die een telephoniste gesteld worden. Hieronder volgt het programma:

a. vlug, duidelijk en net schrift;

b. voldoende kennis van de Nederlandsche taal, blijkende uit een opstel zonder grove taal- of stijlfouten;

c. kennis der Fransche en Duitsche talen. De candidaten behooren zich daarin op goed verrstaanbare wijze mondeling te kunne uidrukken en te doen blijken, dat zij het door den examinator gesprokene goed verstaan;

d. kennis van de hoofdplaatsen der provinciën en de verdere belangrijke gemeenten in Nederland, kennis van de voornaamste steden in België, Frankrijk, Duitschland en Engeland;

c. cijferkunst; de vier hoofdregels met toepassing der gewone en tiendeelige breuken.

Zij, die voor plaatsing in aanmerking komen, worden aanvankelijk als leerling-Telephoniste in dienst genomen tegen een vergoeding van f 15.- of 30.- per maand, al naar gelang zij in of buiten hunne woonplaats worden werkzaam gesteld. Na voldoende geoefendheid in den telephoondienst verkregen te hebben, worden zij – naar mate van de behoefte – als Telephoniste aangesteld op een jaarwedde van f 400.- welk bedrag, bij voortdurende geschiktheid, na drie maanden tot 500.- wordt verhoogd. Dit jaarlijksche tractement kan met vijfjaarlijksche verhoogingen van f 100.- klimmen tot f 800.- met dien verstande, dat verhooging boven f 500.- eerst dan kan volgen, als de Telephoniste inmiddels blijk zal hebben gegeven van ook in de Engelsche taal de bedrevenheid te bezitten, welke in sub c van het programma voor de Fransche en Duitsche talen is omschreven.

Zij, die aan het examen wenschen deel te nemen, moeten zich vóór een bepaalden datum, die in de couroanten bekend gemaakt wordt, aanmelden bij den Directeur-Generaal der Posterijen en Telegraphie, door een op zegel geschreven verzoek, met nauwkeurige opgave van naam, voornamen en woonplaats. Daarbij moeten bewijsstukken worden overgelegd, ten blijke dat de candidate:

1⁰. op een bepaalden datum den vereischten leeftijd bereikt en dien van 26 jaren niet overschreden heeft;

2⁰. is een Nederlandsche;

3⁰. is van goed gedrag, volgens verklaring na een bepaalden datum afgegeven door het bestuur van de gemeente, waar de woonplaats van de candidate gevestigd is.

De candidaten moeten zijn van een gezond lichaamsgestel, vrij van gebreken en bepaaldelijk in het bezit van goede gezichts-, spraak- en gehoororganen; in hoeverre die vereischten aanwezig zijn, wordt onderzocht door een geneeskundige, daartoe van Rijkswege aan te wijzen.

De plichten der telephoniste zijn niet zwaar, maar de salarissen zijn ook niet hoog. Een bekwame telephoniste moet een vlug begrip hebben en een helder verstand, snel in het vatten van wat men haar toeroept en zij moet gemakkelijk over een ruime woordenkeus beschikken, opdat zij zonder moeite een verstandig gesprek kan voeren, met klare stem en volkomen kalm. Sterke zenuwen zijn onmisbaar; want een meisje, dat gauw in de war is en hoofdpijn krijgt bij de minste vergissing of moe wordt van een weinig extra drukte, deugt niet voor telephoniste.

Telefooncentrale in 1892 (Wikipedia 'Telefooncentrale')

Telefooncentrale in 1892 (Wikipedia: ‘Telefooncentrale’)

Ook geduld is een hoofdvereischte. De telephoon is juist de plaats om iemand te ontstemmen of nijdig te maken, maar de geduldige en waardige telephoniste weet deze klip volkomen te ontzeilen. Zelfs door een telephoon heen kan men persoonlijke waardigheid toonen, en de spreker aan het andere einde kan zeer spoedig bemerken hoe de telephoniste een te vrije aardigheid opvat.Telephonie eischt geen voorbereidende studie zooals telegraphie en is meer een quaestie van geschiktheid. Een meisje, dat er mee begint, kan heel gauw zelf beoordelen of zij op haar plaats is.

Deze inlichtingen betreffen de telephoniste als rijksambtenaar. Wat de eischen der particuliere maatschappijen of der gemeentebesturen zijn, is niet na te gaan; in elk geval is de betrekking van rijksambtenaar het meest aanbevelenswaardig, want zelfs de salarissen, die de gemeentebesturen betalen, moeten bitter klein zijn; het rijk biedt echter altijd de meeste zekerheid en ook pensioen op lalter leeftijd; de betrekkingen bij particulieren maatschappijen en gemeentebesturen kunnen feitelijk niet als voldoende voor levensonderhoud beschouwd worden.”

Reacties uitgeschakeld voor Geduld is een hoofdvereischte

Filed under Vrouwen

Eene belangrijke uitvinding op het gebied van Reiniging

Rond 1900 is de stofzuiger uitgevonden en in De Hollandsche Lelie van 12 oktober 1904 wordt er al enthousiast reclame voor gemaakt.

“Onder de verschillende stofzuigmachines, welke tegenwoordig de straten van de Hoofdstad doorkruisen, merkten wij er een op die bijzonder onze aandacht trok. Het was de Vacuum Cleaner, geëxploiteerd door de bekende Maatschappij “Holland” aan de Weesperzijde.

Deze Vacuum Reiniger mag zeker eene zeer belangrijke uitvinding op het gebied van stofzuivering worden genoemd.”

Na de technische uitleg: “Het groote voordeel aan deze methode van reinigen verbonden, springt hier onmiddellijk in het oog. Langs dezen weg worden de voor de gezondheid zoo schadelijke stofdeeltjes, niet zooals bij thans verouderde methoden eenvoudig verplaatst, doch verwijderd.

Een zeker niet minder belangrijk voordeel aan deze door de Maatschappij “Holland” geëxploiteerde Reinigingsmethode bestaat hierin, dat de voorwerpen niet meer van hunne plaatsen behoeven te worden genomen. Dit verplaatsen van voorwerpen was vooral bij het reinigen van tapijten een groot nadeel.

De Vacuum Cleaner kan dan ook als eene groote besparing van tijd, geld en moeite worden begroet. […] Eene proefneming met de nieuwe uitvinding kunnen wij den lezeressen van de Hollandsche Lelie dan ook ten zeerst aanbevelen.”

Stofzuiger 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Leave a Comment

Filed under Advertenties