Mijn lievelingsbloem is het sneeuwklokje. Aan de ene kant zo gewoon, onze tuin staat er elk jaar vol mee, maar tegelijk heel bijzonder, omdat ze er maar zo kort zijn. Als je ze ziet, weet je dat het niet lang meer duurt voordat het eindelijk weer lente is. Het was dan ook een hele leuke verrassing toen ik zag dat het hoofdartikel in De Hollandsche Lelie van 28 februari 1894 helemaal aan het sneeuwklokje was gewijd. Auteur Johanna van Woude bleek net zoveel van het bloemetje te houden als ikzelf. 

Onlangs werd er in verschillende buitenlandsche tijdschriften over geschreven, of de planten bewustzijn en wil hebben. Wie nu den tuin inloopt en daaraan denkt, geraakt onwillekeurig in diep gepeins.
Sombere hemel boven; hoog over ons een net van kale boomtakken. Geen gevleugeld insect snort ons nog voorbij; geen vogel zingt; geen blaadje wikkelt zich open. De noordenwind loeit over en om ons; en alles, wat van nieuw leven spreekt, schuilt nog weg, in winterslaap verzonken. Somberheid en doodsche rust overal….
Maar stil! – wat blinkt daar witjes tegen den zwarten grond?…. Tòch een bloempje in deze woestenij?….
Waarlijk, een sneeuwklokje reeds! En een wonderzoet gevoel vaart ons door de ziel, nu we op het teedere bloempje staren, welks klokjes de noordenwind meedoogenloos schudt. Een lente-voorgevoel…. Een belofte van genot, van glans en licht, van kleurige bloemen en fladderende kapellen en jubelende vogels en juichende kinderen; een visioen van stramme oudjes, die zich in het zonnetje zullen koesteren, en jonggeborenen, die in de zoele lucht zullen rondgedragen worden. Van nieuwe hoop, nieuwe kracht, nieuwen levenslust, van duizendvoudige herleving – overal, ook in ons hart!
Maar ‘t is nog maar een visioen, door het gezicht van dit bloempje plotseling in ons gewekt, en toch heeft het reeds onzen blik verhelderd, ons hart verblijd, onzen tred lichter gemaakt. De noordenwind teistert nog altijd de kleine bode en ons. Arme kleine bloem, wat ziet ge ons aan? Zoudt ge werkelijk bewustzijn en wil hebben? – Wat zijt ge dàn een heldinnetje!
Sneeuwklokje antwoordt niet en toch verstaan wij haar.
Ja, wij verstaan u, teedere lentebode, gij beeld van de schoonste zelfverloochening, wij vrouwen verstaan u. Niet naar eigen genot hebt ge gevraagd, maar ge kwaamt om anderen gelukkig te maken. Daar beneden in den warmen grond hadt ge de blijde tijding reeds vernomen, dat de lente naderde. En zwak en teeder als een kind, maar sterk door uw liefde en uw medelijden, zijt ge door de harde aardkorst heengedrongen, om ook aan de droeve menschen de blijde boodschap te brengen. En daar staat ge nu, rillend van koude, maar buigend noch brekend, en geduldig en volhardend aan ieder, die voorbijgaat, uwe troostvolle boodschap toeroepend.

Sneeuwklokjes

Sneeuwklokjes in Amelisweerd

Daar staat ge nu, in uw luchtig, wit zomerkleedje met groene linten, en vele, vele menschen, die haastig voortgingen langs den straatweg, verzonken in kommervolle gedachten, zijn plotseling stil blijven staan, als zij u in de tuinen opmerkten. En dan zaagt ge hun blik zachter worden en een weemoedige glimlach vloog over hun gelaat. “Ja, de lente komt weer,” zeiden zij verheugd en zij vervolgden hunnen weg, met lichter voet en lichter hart.
De crocussen en tulpen en hyacinthen, die u daar beneden zagen heengaan, hebben u hoofdschuddend nageroepen: “Kind, wees toch voorzichtig. Wacht toch nog wat! ‘t Is hier nog zoo warm en lekker. Wacht zooals wij tot alles ontluikt. Dan zult ge eens zien hoe aardig de bijen uwe kelkjes in- en uitkruipen en hoe heerlijk de volle zon verwarmt, zoodat wij blozen van genot en ieder ons bewondert.”
Maar gij, bleeke bloem, gaaft niet om genot of bewondering.
“Ze hebben het zoo hard daarboven,” zeidet gij. “Het zal hen zoo troosten, als zij mij zien.”
En geheel alleen gingt gij naar de koude wereld des lichts, en spreiddet uwe blaadjes uit bij stormwind en sneeuw.
“Je hadt later moeten komen,” zullen de wereldwijze musschen u zeggen. Midden in den zomer – je weet niet hoe prachtig het hier dan is. Wat ben je dom geweest! Nu zul je uitgebloeid en in den grond gekropen zijn, eer al die heerlijkheid komt. Het is altijd verstandig aan zichzelf te denken.”
En weinigen zullen u begrijpen, kleine bloem, nog minder besef hebben van het gelukkige liefdegevoel, dat u tot alles kracht geeft. En als de lente komt, als alles licht en zonnig zal zijn, als alles jubelen en zingen zal, dan zult gij ter aarde zinken, verdwijnen en vergeten zijn.
En de tulpen en hyacinthen en crocussen zullen hare kleurige kleedjes trotsch uitspreiden in de zon en tot u zeggen: “Het was dom. Waarom wou je ook niet hooren! Wat heb je nu aan je leven gehad!”
Maar men kan zelfzuchtigen zoo iets niet uitleggen!

Zink nu weg, kleine, moedige bloem. Wij hebben u begrepen en wij zullen uwe zachte vermaning niet vergeten.

hoofdartikel Johanna van Woude