Category Archives: Geschiedenis

De ramp van de Titanic

In de nacht van 14 op 15 april 1912 kwam de RMS Titanic in aanvaring met een ijsberg. De gevolgen zijn bekend: binnen enkele uren zonk het schip en 1522 opvarenden kwamen om het leven. Een belangrijke oorzaak voor dat hoge aantal doden was de beperkte capaciteit van de reddingssloepen: er was maar plaats voor de helft van de passagiers en in de chaos zijn ze ook nog eens niet optimaal benut.

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Destijds was de ramp uiteraard wereldnieuws, de schok was groot. In De Hollandsche Lelie van 24 april 1912 is al een reactie te vinden van hoofdredactrice Anna de Savornin Lohman, onder de kop ‘Aan wie de schuld?’

“Dat de ramp van de Titanic vreeselijk is, en ons allen met ontzetting vervult, dat is zoo’n waarheid als ‘n koe dat ik er niet bij behoef stil te staan.

Wat echter, bij al het geschrijf er over, pijnlijk-ergernis-opwekkend aandoet, dat is het geleuter en gejeremieer voortdurend, of Astor en Guggenheim en Strauss, en dito rijkaards, al of niet gered zijn, en hoeveel waarde geld deze vertegenwoordigen, terwijl men ondertusschen niets zegt van de honderden en nog eens honderden niet-rijkaards, die in dit geval om ‘t leven zijn gekomen, in de eerste plaats van de ongelukkige bemanning.

Deze rijkaards immers, (die tenslotte nog wel gered zullen zijn óók, pas eens op, Ismay Bruce, die ellendeling, is er al), zijn de oorzaak van ‘t heele ongeluk. Als zij niet, in hun onzinnige snelheid-woede, aandrongen op record-reizen, als zij niet, in hunne geblaseerdheid, eischten de meest onzinnige, ten hemel schreiende weelde, dan zouden de maatschappijen er niet aan denken zulke dwaze, veel te groote luxe-booten te bouwen, noch van hare ondergeschikten durven eischen, dat zij een gevaarlijken weg kiezen door de ijsbergen heen, alleen om nog iets gauwer dan anderen aan te komen – aan welke schandelijke record-woede de overige nietsvermoedende passagiers en de tot gehoorzamen verplichte bemanning zijn opgeofferd. Lees maar eens wat de scheeps-eigenaars zelf hieromtrent getuigen:

Werp den schuld van deze ramp niet op ons!” riep een beambte van een der grootste transatlantische stoomvaartmaatschappijen te New-York uit. “Werp de schuld op uzelven, en op al degenen, die snelle reizen vragen, tennisbanen, Romeinsche baden, gymnastieklokalen, wintertuinen aan boord; wij zouden niet aarzelen onze dekken vol te zetten met reddingbooten, maar deze zouden aan de weelderige inrichting schade doen – en die schijnt op hooger prijs te worden gesteld dan veiligheid”. (Telegraaf.)

De fitnessruimte in de eerste klas

De fitnessruimte in de eerste klas

Zoo is het. De macht van het geld, van het meestal langs vuile en onnoembare wijze verkregen geld van woekeraars en afpersers regeert de gansche wereld. En alles buigt en kromt zich ervoor. Vóór de revolutie was de adel oppermachtig, tegenwoordig zijn het de Amerikaansche varkenhandelaars en worstmakers en blikjesverkoopers, die hunne dochters uithuwelijken aan ‘t verloopen, verarmde Europeesche high-life. Met hunne auto-woestheid maken zij op alle groote wegen van Europa talrijke slachtoffers, en, niet daarmede tevreden, willen zij nu ook nog, op hunne reizen heen en weer naar Europa, alle comfort en luxe genieten van ‘t meest verfijnde hôtel, en tegelijk de maatschappijen dwingen hen in een onzinnig korten tijd over te brengen. Geld komkt er immers voor hen niet op aan. Dat hebben ze. Daarvoor moet alles wijken.

Maar, van tijd tot tijd gaat het zoo als ditmaal met de Titanic, een onbekende macht, sterker dan die van ‘t geld, treedt tusschen beiden, en spot met alle aardsche menschengrootheid.

De regels van Da Costa komen mij daarbij in den zin:

Maar het Godsuur had geslagen,

En de menschenschepping viel.

‘t Zij gij roem of rouw moogt dragen,

Menschheid schouw het aan en kniel.

God is Rechter. De aarde wacht.

De aarde ontroert, en staat verwonderd,

Als de God der eere dondert

En den dag verkeert in nacht.

Over de opgedreven waatren

Wandelt Zijne Konings-stem!

Zeeën schuimen, scharen schâtren –

En de storm verheerlijkt Hem.

O, ik wou, ik wou dat het God wezenlijk is geweest, die, door dezen ijsberg, al die menschelijke pralerij heeft willen in den grond boren. Ik wou, dat Hij al die schunnige ellendige rijkaards, over wier lot de gehele europeesche pers zich zoo aandoenlijk ongerust maakt (terwijl zij voor de rest geen woord bijna over heeft) liet verzwelgen in de schuimende zee. En ik wou dat Hij de anderen, zij, die de slachtoffers zijn, de weduwen en weezen in Southampton, der bemanning, en zoovele andere passagiers wier namen onbekend blijven, wreekte om wat hun is aangedaan.!

Het vers van Da Costa, dat ik zooeven aanhaalde, eindigt:

Plast het tranen, ruischt het bloed,

Dondren woede en lasterkreten,

God als Koning is gezeten,

Over d’opgezetten vloed.

Wederkaatst door hemelpsalmen,

Antwoordt uiit het heiligdom,

Midden onder de onweersgalmen,

‘t Jongste woord Zijns Woords: Ik Kom.

Ziet gij, lieve lezers, in dat geloof, dat van Da Costa, ben ik opgevoed. En soms komt het over mij met volle kracht: Mocht het zóó zijn. Want, dan immers, dunkt mij, kan het niet lang meer duren, of Hij komt werkelijk. Hij kan dan al deze vuilheid, al deze pralerij met geld, al dit gehuichel, al deze ten hemelschreiende onrechtvaardigheid niet lang meer aanzien – als Hij er is. Het is een te onzuivere, te smerige boel tegenwoordig. Als er een God is, dan moet Hij wel spoedig komen, en deze aarde vertrappen, – met hare zóógenaamde ‘christelijke’ regeeringen incluis!

'Untergang der Titanic' door Willy Stöwer

‘Untergang der Titanic’ door Willy Stöwer

[De afbeeldingen zijn afkomstig van Wikipedia, waar ook uitgebreide informatie over de Titanic te vinden is]

Reacties uitgeschakeld voor De ramp van de Titanic

Filed under Geschiedenis

Ooggetuigenverslag uitbarsting vulkaan Kloet

In De Hollandsche Lelie van 17 juli 1901: ‘De uitbarsting van den Kloet – door een abonnée en ooggetuige’.

‘Een aardig plaatsje is Pasoeroean, de hoofdplaats der residentie van dien naam; dus stelde ik er mij heel wat van voor er te gaan logeeren. Tante is altijd mijne lievelingstante geweest en bovendien…. twee aardige, vroolijke nichtjes van mijn leeftijd!

Eindelijk, eindelijk mocht ik gaan en aanvaardde ik met een hart vol blijdschap en verwachting die korte zeereis, want, niettegenstaande men tegenwoordig Pasoeroean ook met den trein kan bereiken, ging ik toch liever met een der booten van de Paketvaart. Het is ook niet alles, om in den Oostmoesson twee dagen lang in zoo’n bedompten stoffigen trein te zitten!

Na een verrukkelijk zeereisje van drie dagen, kwam ik gezond en wel te Pasoeroean aan en werd met een hartelijk welkom door Tante en de nichtjes ontvangen.

“Nu kind, blij je te zien, hoor,” zei Tante; “nu zullen wij eens pret maken, dat verzeker ik je! Pasoeroean is wel niet zoo groot en chic als Batavia, maar toch! binnenlandsch plezier is voor een tijdje ook wel aardig!”

Nu, daar was ik dan ook niet bang voor, maar ach! wat viel alles anders uit, dan ik verwachtte! Ja, toen ik nauwelijks twee dagen daar was, gebeurde het verschrikkelijke, had de ramp plaats, waarbij zoovele menschen omkwamen en anderen weer, wel gered werden, maar helaas! hun huis en goed verloren, ja, alles wat zij bezaten! –

Het was ons opgevallen, dat het overdag zoo donker was, zoo net, alsof er regen zou komen; een heel vreemd verschijnsel in den Oostmoesson. Af en toe hoorden wij ook donderslagen, maar heel, heel dof. Doch den tweeden dag werd de duisternis hoe langer hoe grooter, zóó zelfs, dat wij ‘s middags bij de rijsttafel de lampen moesten opsteken en jawel….

“Njonja! njonja, ada oedjan aboe, oedjan aboe! Semoea soeda poetih!”(mevrouw, mevrouw, er is een aschregen! Alles is wit) – riep Minyoe, de huisjongen op eens.

Wij sprongen natuurlijk allen verschrikt op en vlogen naar buiten den tuin in. Het schouwspel, dat wij aanschouwden, zal ik niet licht vergeten. Minyoe had maar al te zeer gelijk. Een dichte aschregen viel neer en maakte alles wit, de boomen, de daken, het gras, de planten. Het was net een winterlandschap, als alles bedekt is met een laag sneeuw. – Nooit zal ik dien treurigen, zwaarmoedigen blik van Tante vergeten, toen zij zei: “Er is zeker eene uitbarsting van een der bergen, kind, het loopt nooit goed af!”

Wij meisjes (welke onnadenkende wezens bestaan er?) vonden het voorval nog al leuk, hoogst interessant, maar o! eenige dagen later…

“Ja, zie je kind, met de uitbarsting van den Krakatau (je weet, toen was oom assistent-resident te Garoet) viel er ook een aschregen; als het nu ook m aar niet tot iets ergs komt!” –

En o! nu ik deze regelen schrijf, wat is er in dien tijd tusschen nu en toen veel gebeurd, veel naars en treurigs, aangrijpend treurigs!

Reeds den volgenden morgen hoorden wij, dat er inderdaad eene uitbarsting was en nog steeds voortduurde, eene uitbarsting van den Kloet, een berg op de grens van de residentiën Kedirie en Pasoeroean. –

Blitar, in het Kedirische, is een der plaatsen, die het meest de gevolgen van de uitbarsting hebben gevoeld, ook in Klingi, dicht bij Blitar waren ongeveer vijftig menschen omgekomen, waaronder vele Europeanen. In de afdeeling Blitar moest dit aantal nog grooter zijn. Reeds de twee eerste dagen werden tweehonderd lijken gevonden. Stelt u voor, tweehonderd lichamen verbrand, op de gruwelijkste wijze gepijnigd. Het schouwspel, dat dien dag, het was Donderdag, werd waargenomen, was in hooge maate angstwekkend. Geluiden als kanonschoten, gevolgd door een schrikbarend gerommel en vervolgens door een modder-, asch- en steenenregen, brachten een paniek teweeg onder de bevolking. Toen het ongeveer zes uur was en de zon moest opkomen, zag men een dichte aschwolk met een rossigen gloed overtogen.

Vol ontsteltenis, met ontzetting geslagen, wierpen de Inlanders zich op den grond, prevelden gebeden of riepen in wanhoop: “Allah! bintang boentoet, la i-lah, bintang boentoet!”(God, o God de staartster, de staartster!) –

Gij moet weten, dat wij een week of wat geleden hier een komeet zagen en nu is het een bijgeloof bij den Inlander, dat zoo’n komeet altijd de voorbode is van het een of ander onheil, meestal eene aardbeving. Zoo zag men vóór de uitbarsting van de Krakatau ook een staartster. – Vandaar hun angst en ontsteltenis. Allah zond immers altijd een “bintang boentoet” als zijne kinderen slecht waren geweest en gestraft moesten worden! En nu, ziedaar, nu kwam de straf; daar, achter die geheimzinnige zandbank, was daar Setan niet gezeten en wierp hij niet met gloeiende steenen en gloeiende modder om zich heen? Bracht hij geen verderf en rampspoed en armoede en ontbering? Zoo zij maar goed en braaf waren geweest, ja, dan zou Allah Setan wel verdreven hebben, maar nu! ….?  “Allah, Allah, la i lah, la i la lah, amin! amin!” prevelden zij in wanhoop.

Verscheidene Europeanen begaven zich naar het station, waar, dank zij de flinkheid van den stationschef, een trein in gereedheid werd gebracht, die in anderhalf uur tijds, langzaam voortstoomende, de overzijde van de rivier de Brantas, bij Retjotangan, bereikt. Ook de Inlanders, langzamerhand gekalmeerd, zochten een goed heenkomen, hetzij naar het station om met den trein te vertrekken, hetzij naar een of ander hoog punt van Blitar. Honderden Inlanders waren o.a. verzameld bij het hoogste punt, waar een der hoofdagenten van de Koloniale bank woont. Ook bij vroegere uitbarstingen werd deze plek gespaard. – Zij waren met lichtjes en flambouwen gewapend,w at een fantastisch schouwspel gaf. Nu, in tegenstelling met een paar uur geleden, waren zij kalm en rustig en wachtten gelaten af, wat komen zou. Immers, zij hadden Allah ampoen verzocht? En Allah was goed en vergevensgezind! –

Gedurende die volslagen duisternis hield de aschregen steeds aan. Doodstil was de natuur, geen vogel sjilpte, geen hond blafte. Die stilte werkte beangstigend; men verdiepte zich in allerlei veronderstellingen. Zou het nog lang aanhouden? Bij Tante thuis was het ook allesbehalve rustig. Den volgenden dag vernamen wij meer bijzonderheden van eene familie, die gevlucht was van hunne onderneming nabij Klingi en bij Tante haar toevlucht zocht.

Gij kunt u hun smart voorstellen, den zenuwachtigen toestand waarin zij verkeerden; mijn pen is onmachtig dien te beschrijven. Arme schepsels, beroofd van huis en goed, maar ach! toch ook rijk, in vergelijking van degenen, die niet alleen aardsche schatten, maar ook hun eigen vleesch en bloed te betreuren hebben. En hoevelen zijn er niet….?

Batavia, 31 mei 1901 – Tandjong-Hatti.’

Arbeiders van een koffiefabriek tijdens het opruimen van de asregen na een uitbarsting van de vulkaan Gunung Kelud (1907-1931). Collectie Tropenmuseum

Arbeiders van een koffiefabriek tijdens het opruimen van de asregen na een uitbarsting van de vulkaan Gunung Kelud (1907-1931). Collectie Tropenmuseum

Kelud/Kloet met kratermeer (Wikipedia)

Kelud/Kloet met kratermeer (Wikipedia)

De Kloet (Kelud) is een vulkaan op Oost-Java.Op Wikipedia: “In de krater bevindt zich een kratermeer. De Kelud is berucht door de bij een uitbarsting gepaard gaande overstromingen van dit warme kratermeer, die verwoestende modderstromen (die een mix zijn van water en vulkanoclastisch materiaal) tot gevolg hebben.” Sinds 1500 zijn er zo’n 30 uitbarstingen geweest; de laatste in februari 2014. Hierbij vielen drie doden. Ruim 100.000 mensen werden geëvacueerd.

De plaats Pasoeroean zal liefhebbers van het werk van Louis Couperus bekend voorkomen. Hier schreef hij in 1900 zijn meesterwerk De stille kracht, toen hij met zijn vrouw logeerde bij zijn zus Trudy en haar man  Gerard Valette, die daar zojuist was geplaatst als resident.

 

Reacties uitgeschakeld voor Ooggetuigenverslag uitbarsting vulkaan Kloet

Filed under Geschiedenis

Koningin Victoria

Toen koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk op 22 januari 1901 overleed, had zij maar liefst 63 jaar, zeven maanden en twee dagen geregeerd. In De Hollandsche Lelie verscheen twee weken later een In Memoriam, in de rubriek ‘Londensche brieven’ (6 februari).

Koningin Victora, ter gelegenheid van haar diamanten jubileum juli 1893 (Getty)

Koningin Victora, ter gelegenheid van haar diamanten jubileum in juli 1893 (Getty)

“Eenige woorden gewijd aan de nagedachtenis van een vrouw, die gedurende een menschenleeftijd aan het hoofd stond van een der machtigste en grootste Rijken, zijn zeker niet van onpas in een blad dat zich tot taak heeft gesteld de belangen der vrouw te behartigen.

Het is nog geen twaalf maanden geleden, dat ik – dank zij de voorkomendheid van den Stationschef – het voorrecht had bij hare komst in Paddington-station hare onvergetelijke gelaatstrekken van nabij te aanschouwen. Zeer zeker had de ouderdom zijne onmiskenbare sporen op dat gelaat geteekend, had een waas van doorschijnendheid – die tot eene andere wereld scheen te behooren – het reeds overtogen. Nochtans hadden de staatslieden – aan wie zij m et al hare koninklijke macht onderworpen was – het noodig geoordeeld haar aan de millioenen van Londen’s inwoners te aanschouwen te geven, ten einde het verflauwde enthusiasme voor eene ongerechte zaak opnieuw op te wekken. Eenige weken later voerde men dit wreed vertoon nog verder om de hoogbejaarde vorstin de reis naar Ierland te doen ondernemen. Het heette natuurlijk, dat het de eigen wil der Koninging was, doch een ieder weet dat het te doen was om het volk te verzoenen met den staat der zaken en het te doen voorkomen alsof de Koningin volkomen het ondernemen van den Transvaalschen oorlog goedkeurde. Immers een ieder, die de Engelsche toestanden kent, weet dat het iets volkomen ongerijmds was om de liefde – de de vorstin met hare onderdanen verbond – sterker te maken, dan zij reeds was, dat die liefde onwrikbaar in de harten van rijk en arm, jong en oud gezeteld was. En die liefde, die bijna afgodische vereering heeft de edele vrouw – die thans helaas ook tot hoogere gewesten is gegaan – ten volle verdiend.

Ik zal haar niet schetsen als Koningin en Regeerster over het uitgestrekt gebied, waarover zij het bewind voerde. De geschiedenisboeken, de uitgebreide necrologies in dagbladen en tijdschriften geven gelegenheid in overvloed om te raadplegen, wat onder hare Regeering gewrocht en tot stand gekomen is. Het zijn slechts hare hoedanigheden van gade en moeder, die de bewondering en vereering van ieder hebben afgedwongen, die haren naam onsterfelijk hebben gemaakt, die dezen naam vereenzelvigen met al wat goed, edel, zuiver en verheffend is.

Men eert hare geschiedenis. Men weet, dat zij reeds in hare jeugd de zeldzaamste geestesgaven ontplooide, dat zij toen reeds hare voorliefde voor eenvoud, zoo zonderling in contrast met het goudgeschitter om haar heen, openbaarde, dat zij toen reeds de oogappel was van een ieder, die het voorrecht had met haar in aanraking te komen. Was het te verwonderen, dat deze vrouw weigerde naar diplomatieke vertoogen in de keuze van een echtgenoot te luisteren en dat zij slechts haar eigen hart wenschte te raadplegen? En zij is in deze keuze buitengewoon gelukkig geweest. Haar huwelijk met den edelen Albert van Saksen-Coburg kan gerustelijk gezegd worden gezegend te zijn door de zuivere liefde, die beide vorstelijke personen verbond, die het Engelsche hof spreekwoordelijk maakte voor de daar heerschende zuiverheid van van zeden. Hoe aandoenlijk is de lezing der correspondentie, die tusschen hen als verloofden gevoerd is. Hoe schetst het de vrouw, als zij aan hare toekomstige schoonmoeder schrijft, ‘om toch vooral goed zorg te dragen voor iemand, die mij zoo dierbaar is geworden.’ Haar huwelijksjaren waren de gelukkigste in haar langdurig leven en zij heeft den schok, dien het afsterven van den beminden echtgenoot haar heeft toegebracht, nooit ten volle overwonnen. Gedurende de eerste jaren van haar weduwschap leefde zij bijkans een kluizenaarsleven en de zwarte kleeding, het teeken van rouw, heeft zij nooit afgelegd.

Men weet dat, hoewel sinds dat afsterven bijna veertig jaren verstreken zijn, zij telken jaren zich op den sterfdag met hare kamervrouwen opsloot, zich verdiepende in de lezing der brieven en in de beschouwing der herinneringen van den zoo innig betreurden echtgenoot. Men vertelt dat de Koningin kort nadat haar de slag getroffen had, die haar tot weduwe maakte, eene wenende boerin ontmoette. Op hare vraag naar de oorzaak van hare droefheid antwoordde het vrouwtje snikkend en stamelend, dat zij echtgenoot en verzorger verloren had. Diep geroerd zeide de Koningin ‘weest gerust, vrouwtje, wij verstaan elkander; wij zijn toch lotgenooten ook ik heb een o zoo goeden man vroegtijdig in het graf zien dalen, ook ik ben weduwe even als gij.’

Koningin Victoria, portret door Alexander Bassano

Koningin Victoria, portret door Alexander Bassano

En dan de zelfopgelegde taak nu eene moeder te zijn voor de talrijke kinderen, waarmede hare echt gezegend was. Neen, niet eene moeder zooals de nieuwmodische moders, die alle zorg voor hare kinderen slechts aan betaalde handen toevertrouwen, het beneden hare waaradigheid achtend zich onledig te houden met de opleiding en karaktervorming harer eigen kinderen, docht de Koningin was steeds eene moeder in den volsten zin van dit heilig woord. Bijna van de geboorte af tot het tijdstip waarop zij den volwassen leeftijd hadden bereikt, leidde de Koningin de verzorging en opleiding van haar talrijk kroost en in de conscientieuse nakoming van deze taak is zij noot te kort gekomen. Zij vertelt zelve, dat zij de gelukkigste uren van den dag steeds in de kinderkamer doorbracht, zich verheugend en met geestdrift deelnemend in de kinderlijke spelen.

Onnoodig is het te spreken van de weldaden die zij met milde hand om zich heen strooide. De Voorzienigheid had haar de middelen geschonken, en zij beschouwde zich slechts als het instrument, om goede daden te verrichten, om armoede te lenigen om hulp te verleenen, waar deze vereischt was. Men kende haar onder den titel van ‘Lady Bountiful’ die als eene fee uit de Arabische vertellingen zich de taak had opgelegd eene verzorgster van armoede en ellende te zijn. In hoevele gezinnen zal zij thans gemist worden, hoevele weduwen en weezen zullen haar nagedachtenis zegenen! Het noodlot heeft de edele vrouw zwaar getroffen.

Na het overlijden van haar dierbaren gade, was zij tien jaren gekluisterd aan het ziekbed van haar oudsten zoon, den tegenwoordigen Koning, aan wiens herstel toen gewanhoopt werd en moet zelve vrouw en moeder zijn om te beseffen welke gevoelens de koninklijke verpleegster toen bezielden. Is het niet menschelijk, dat zij bij de dankplechtigheid in de St. Paul voor het herstel van den troonopvolger in tranen uitbarstte? Vervolgens heeft zij eene beminde dochter en zoon Prinses Alice van Hessen en den Hertog van Albany ten grave zien dalen om verder getroffen te worden door het verscheiden van den veelbelovenden Hertog van Clarence, den oudsten zoon van den Prins van Wales, en van Prins Henry van Battenberg, den gade harer jongste dochter Beatrice, die sinds voor de moeder eene trouwe hulp, eene nooit van haar zijde wijkende gezellin is geworden.  Zelfs heeft zij nog gedurende de laatste maanden het verlies van haar tweeden zoon moeten betreuren en haar kleinzoon, Prins Victor Christiaan moest ten gevolge van eene door den oorlog veroorzaakte venijnige ziekte in een verafgelegen land, vroegtijdig zijn leven offeren! Deze slagen zouden voldoende geweest zijn om een minder sterk gestel een vroegtijdig graf te bereiden, doch de Koningin heeft steeds met ernstige kalmte die slagen beschouwd als door de Voorzienigheid haar opgelegd, waartegen een mensch niet mag worstelen.

Die stille berusting in de Voorzienigheid, is gewis ook de reden geweest waarom zij niet reeds voor een tiental jaren de regeering heeft neergelegd en tot het einde toe de teugels van het bewind in handen heeft gehouden. Zij beschouwde zich toch als de Majesteit bij Gods Gratie en zou het in strijd met den goddelijken wil gehouden hebben, indien zij niet, zoolang adem in haar was, de haar opgelegde taak vervulde.

Men verwijt haar, dat zij ooit hare toestemming tot den onzaligen Transvaalschen oorlog gegeven heeft. Doch men vergeet dat zij slechts eene constitutioneele Koningin was, die slechts te teekenen had wat ministers haar voorschrijven en dat zij in dit opzicht onmachtig was. Ware haar koninklijk advies gevraagd, ik houd mij verzekerd dat zij met al hare kracht, die nog in haar oud en afgeleefd lichaam overgebleven was, het ondernemen van den lichtvaardigen oorlog zoude hebben ontraden. Nog kortelings zeide zij tot twee achterkleinkinderen, die in de speelkamer om het bezit eener pop kibbelden: ‘lieve kinderen, kibbelt niet; er is toch helaas zoveel getwist en gekijf op deze aarde’ daarbij zinspelende op den oorlog.

Vriend en vijand van Engeland zullen met de hand op het hart moeten erkennen, dat een edele vrouw is heengegaan, maar dat haar verscheiden niet alleen voor Engeland maar voor de geheel beschaafde aarde beteekent. Engeland is in diepen rouw gehuld! Rijk en arm beijvert zich om aan de beminde overledene, die de eeretitels van Victoria de Goede en Moeder van het Vaderland, ten volle verdiend heeft, teekenen van liefde en vereering te betoonen. Die liefde toch zij was niet gedwongen, zij was niet gehuicheld of voorgewend, maar zij sproot voort uit het innigste van het menschelijk gemoed.

Zacht ruste hare assche!

En thans is het ‘God save the Queen’ vervangen door een ‘God save the King’. Onze ooren zijn nog niet gewend aan deze verandering van benaming, doch de tijd zal ons hierin te hulp komen.

Gij Eduard VII, hebt verklaard in de voetstappen der roemrijke vrouw te zullen treden. Is het evenwel te verwachten dat gij er genoegen mee zult nemen om het blind werktuig van een Chamberlain of andere intrigeerende staatslieden te worden? Zult gij niet, met handhaving van het constitutioneel recht van het volg uwe koninklijke rechten meer laten gelden, en zult Gij er niet op aandringen dat het vertrapt recht en gerechtigheid opnieuw regeeren?

Uw verleden wettigt deze verwachtingen. Engeland omvat reeds een groot deel der aarde. BEhalve Koning van het vereend koninkrijk bestuurt Gij geheel Australië, Canada, een deel van Zuid-Amerika en van Afrika en zijt gij Keizer van het uitgestrekte Rijk van Indie. Is het noodig om nog een stuk grond meer toe te voegen aan uwe bezittingen waar de zon nooit ondergaat? Heeft er niet genoeg bloed gestroomd, zijn er niet reeds meer dan genoeg tot weduwen en wezen gemaakt? Een Engelsch spreekwoord zegt ‘It is an ill wind that blows no good’ en derhalve hoop ik dat uit de nationale ramp, die U en geheel Engeland getroffen heeft iets goed moge geboren worden. Ik houd mij verzekerd dat millioenen uwer eigen onderdanen en van andere volken zich met mij zullen vereenigen in den bede ‘dat het Uwen Koninklijken en Keizerlijken wil moge behagen een einde te maken aan den rampzaligen krijg en aan eene kleine, hare vrijhei en onafhankelijkheid verdedigende natie de rechten te hergeven die zij bewezen heeft ten volle waardig te zijn.’ Kunt gij voor uwe regeering een benijdenswaardiger en schooner titel wenschen dan Edward de Vredelievende?”

Reacties uitgeschakeld voor Koningin Victoria

Filed under Geschiedenis