Category Archives: Uncategorized

Kerst-lichtjes

Else van Brabant (ps. van E.J. de Moulin-van Harlingen) schreef regelmatig gedichten voor De Hollandsche Lelie. Haar werk – ze schreef ook damesromans – werd ook toen al door recensenten nogal zoetig gevonden. In het nummer van 19 december 1900 verscheen van haar:

Kerst-lichtjes

De lichtjes branden stil,

Het kindje kijkt er naar.

Verwonderd-groot de oogjes,

Rond-groot en blij verrukt.

Het kindje zit heel stil,

Dàn – na het eerst verbazen

Breekt zijn begeeren uit,

Zijn handjes strekt het heen

Naar ‘t wenkend witte licht,

En, plotseling, luid uit

Kraait het zijn blijde pret

En danst op moeders schoot

Naar voren naar het licht

En ‘t groen en rood en wit,

Dat het graag grijpen wou,

– Als dat niet kan, heel stil

Kijkt het weer naar de kaarsjes

Met oogen groot en rond,

Tot langzaam één voor één

De vlammetjes gedoofd zijn.

Reacties uitgeschakeld voor Kerst-lichtjes

Filed under Uncategorized

Wereldtentoonstelling 1900

De Exposition Universelle van 1900 was een wereldtentoonstelling die werd gehouden in Parijs, ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Ook werden de nieuwe ontwikkelingen van de volgende eeuw gepromoot.

Overzicht van de Exposition  Universelle

Overzicht van de Exposition Universelle

De tentoonstelling duurde van 15 april tot 12 november 1900 en maar liefst vijftig miljoen mensen bezochten het evenement. Enkele van Parijs bekendste gebouwen werden speciaal hiervoor gebouwd, waaronder treinstations, le grand Palais en de Pont Alexandre III (net als de Eiffeltoren 11 jaar eerder tijdens een vorige wereldtentoonstelling). De Parijse metro werd tijdens de tentoonstelling in gebruik genomen: op 19 juli 1900 werd lijn 1 geopend tussen Porte Maillot en Porte de Vincennes. Deel van de tentoonstelling waren de Olympische Zomerspelen 1900, die over een periode van vijf maanden plaatsvonden. Hier namen voor de eerste keer vrouwen aan deel.

Tijdens de expo werden voor het eerst films met geluid gepresenteerd (opnames van opera en ballet). Ook de roltrap beleefde er zijn première. Art nouveau was de alom aanwezige stijl.Het is mogelijk om bewegende beelden van deze wereldtentoonstelling te bekijken: Thomas Edison inc. maakte een serie filmpjes, waarvan een compilatie te vinden is op Youtube.

wereldtentoonstelling parijs 1900De Hollandsche Lelie besteedde ruim aandacht aan deze wereldtentoonstelling. In een serie van drie artikelen ‘Een praatje over de Parijsche Wereldtentoonstelling’ (‘Uit het Duitsch van Clara von Studnitz door A.Z. – Gezien met het oog van een Duitsche dame’; 29 augustus, 5 en 12 september) wordt gedetailleerd verslag gedaan van een veertiendaagse reis, georganiseerd door een Berlijns reisbureau. De auteur schrijft vooral over praktische zaken: “Aangezien alle couranten sedert maanden berichten over de Parijsche wereldtentoonstelling bevatten, komt ‘t mij natuurlijk niet in den zin, hier een beschrijving daarvan te geven. Zooeven van Parijs teruggekeerd, zou ik echter gaarne mijn geachten lezeressen eenige praktische wenken geven, waartoe ik door eigen ervaring in staat ben, en tevens de indrukken schilderen, die ik in de afgeloopen weken ontving.” Een aantal fragmenten:

“Daar bij deze veertiendaagsche rondreis slechts handbagage veroorloofd is, komt het er, vooral voor ons dames, bijzonder op aan rijpelijk te overwegen, wat er meegenomen moet worden. Te veel kleeren is lastig, te weinig toiletten heeft ook zijn schaduwzijden. Het is daarom het verstandigst, een donker kostuum van fijne wollen stof te nemen, bestaande uit rok, figaro, jaquet (‘t welk ingepakt wordt) en katoenen blouwe, benevens een stofmantel. Bovendien zijn nu in den zomer in het warme Parijs een katoenen japon, zoowel als een elegant licht toiletje en eenige zijden blouses zeer aangenaam. Ook doet men goed, op reis een zach vilten hoed op te zetten en een gekleeden mede te nemen, die men echter niet in een lastige doos, maar in een grooten papieren- of gummizak in ‘t net moet bewaren. Een gullen of foulard zijden japon is voor het bezoeken der Groote Opera bijzonder aan te bevelen, wijl het daar zeer warm is.”

“Minder gekleed dan in de Opera, kan men in de andere theaters verschijnen, b.v. in het theater, dat aan de beroemde Sara Bernhardt behoort, en waarin zij reeds gedurende de geheele tentoonstelling dagelijks in het stuk ‘l’Aiglon’ optreedt.”

“In het kleine theater van Sarah Bernhardt is ‘t echter zeer warm, zoodat men verstandig doet zich daarvoor zoo dun mogelijk te kleeden. Men wachte er zich echter voor, aan een zich in de nabijheid der loges bevindend buffet, in dit of in een ander Parijsch theater, een verversching te nemen. Wij moesten n.l. de in wit atlas en valsche edelstenden prijkende Hebe, twee francs voor een flesch Selzerwater betalen! Zooals wij later hoorden, moeten deze ‘dames’ zelf groote sommen voor de door haar geleverde dranken geven; het hangt echter geheel van haar af, hoeveel zij den niets kwaads vermoedenden vreemdeling daarvoor willen afzetten.

Ook lette men bij ‘t wisselen van geld nauwkeurig op de munten, welke men ontvangt. Er wordt n.l. gedurende de tentoonstelling op groote schaal handel gedreven in looden francstukken, zoowel als in Belgische en Zwitsersche pasmunt, welke in Frankrijk geen waarde heeft. Men wachte er zich daarom voor, francstukken aan te nemen, waarop een zittende Helvetia is afgebeeld.”

paris 1900Na opmerkingen over prijzen van hotels, kosten van consumpties in café’s, de drukte van het verkeer en de veiligheid op straat: “Met minder lof kan ik spreken over de reinheid der straten in Parijs, terwijl die in Brussel mij zeer aangenaam aandeed.” […] “Ja, de reinheid! Nergens zal de Duitsche huisvrouw die met meer smart missen, dan in de Parijsche marktlokalen. Wel is ‘t geen wonder, dat onze lokalen, die veel later ontstaan zijn dan de Parijsche, ook veel mooier en ruimer gebouwd werden, maar waarom een overigens zeer prijzenswaardige politie er niet voor zorgt, dat de voorbijganger b.v. Zondags om twaalf uur, niet over stroo, ja zelfs over visschenkoppen struikelen moet, zooals dat ons gebeurd is, is mij onbegrijpelijk!”

“Met even weinig lof kan ik over de Fransche wagons spreken. Wij spoorden in den nacht van Brussel naar Parijs. Zoo’n nachtreis 2e klasse echter doet iemand, ronduit gezegd, de haren te berge reizen! Stoffige afdeelingen, die slecht van kussens voorzien zijn, rondvliegende motten, achter personen, en daarbij geen ‘geriefelijkheid’- hu! Men reize daarom, wanneer men ‘t zich, wat zijn middelen betreft, eenigszins veroorloven kan, dit eind 1e klasse, die niet zoo overvol en vrijwel even goed als onze 2e klasse is.”

“Nergens kan men de rijkunst der koetsiers beter opmerken, dan in de Champs Elysées. Hier toch rijden dikwijls acht, soms zelfs tien rijen wagens naast elkander! Daar zijn geen tramrails; de behoefte daaraan schijnt niet zeer dringend te zijn, daar een groot deel der Parijsche bevolking welgesteld genoeg is, om in een droschke of zelfs in eigen equipage naar ‘t meer of naar de Long-champs-wedrennen te rijden. Daartusschen fietsen heeren en dames; de laatsten, zooals wij opmerkten bijna allen in wijde broeken. Er zijn geen straten, die voor fietsrijders verboden zijn, en toch schijnen er merkwaardig weinig ongelukken te gebeuren. De bekwaamheid der fietsreijders viel mij ook in ‘t bijzonder in Brussel op, waar de steil afhellende straten voortdurend druk door fietsrijders bereden worden.

Tot de Parijsche straat-eigenaardigheden behooren, naast de vele wagens, in de eerste plaats de krantenverkoopers, die op zingenden toon La Presse en andere bladen te koop  aanbieden. De krantenverkoop bepaalt zich hier, geheel anders dan bij ons, alleen tot de straat; want in Parijs kan men aan ‘t postkantoor geen abonnementen op kranten sluiten, en evenmin gaat de courantenvrouw de huizen langs.

Wie, voor een van de café’s zittend, de voorbijgangers opneemt, zal opmerken, dat de Parisienne zeer dikwijls in ‘t zwart gekleed is. Zij weet haar rok met bevalligheid op te nemen en de zich daaronder bevindende bontzijden onderrok, zoowel als de kleine elegant geschoeide voetjes tot hun recht te doen komen. Vele Françaises dragen echter ook nu in de warme Augustusdagen bekoorlijke kostuums van crêpe chiffon, die er uit zien, alsof ze uit was en kant geweven zijn; de boa, een dikke halsruche van zwarte en witte tule, ontbreekt nergens. Zij maken echter weinig gebruik van de bij ons zoo in zwang zijnde blouse, maar wel van een nauwsluitend jaquet, wanneer zij zonder cape of mantel op straat gaan.”

Er volgt een uitgebreide beschrijving van het Palais de Vêtements, waar de prachtigste toiletten te bewonderen zijn, en ‘t Palais de Costume, waar een overzicht van mode uit de voorbije eeuwen wordt gepresenteerd. Daar vlakbij is het Palais de Manufactures nationales, waarin ook de speelgoedindustrie rijk vertegenwoordigd is. “Als iets nieuws zou ik kunnen vermelden: poppen, op welker zacht-rose wangen valsche diamanten de tranen bedrieglijk nabootsen. Lachende poppen heeft men dikwijls gezien, – maar weenende?

De valsche poppentranen herinneren mij aan ‘t kostbaarste voorwerp ter tentoonstelling, een echte brillant van 139 karaat, die aan de eene zijde puntig, aan de andere zijde vlak geslepen is. Deze behoort aan een Amerikaan en moet een waarde van 10.000.000 franc hebben. Deze kostbare edelsteen is van ‘t reinste water en drait voortdurend rond op de punt van een naald, zoodat hij door het zich hier verdringende publiek van alle kant bewonderd kan worden. Onder een glazen stolp tentoongesteld, wordt hij dag en nacht door een wachter bewaakt. Deze staat binnen een ijzeren hek, waar achter natuurlijk niemand komen mag.

Rondom de brillant zijn kastjes met andere kostbare sieraden opgesteld; daar om heen echter wordt aan de imitatie een groot veld opengelaten. Nergens toch ziet men zooveel valsche brillanten als in Parijs. Zij zien er evenwel zoo echt uit, dat de oningewijde dit fabrikaat wel voor werkelijke brillanten moet aanzien. Behalve deze edelgesteenten oefent ook de kaart van Frankrijk, welke de Russische keizer den Franschen schonk, groote aantrekkingskracht uit. Zij vertegenwoordigt een groote waarde; ieder departement namelijk is in een andere marmersoort voorgesteld. Ingelegde gouddraden wijzen de rivieren aan en de steden worden door brillanten, Parijs door een grooten robijn aangeduid.

Palais Lumineux

Palais Lumineux

Nergens wordt de glans zoo gehuldigd, als in Parijs. Welk een prachtig effect deze te voorschijn roepen kan, ziet men b.v. aan ‘t Palais lumineux, het schitterende glaspaleis, dat des avonds van onder tot boven electrisch verlicht, tooverachtig in alle kleuren uitstraalt.”

Er volgt een beschrijving van een tocht per stoomschip naar de Pont de la Concorde. “De vaart duurt slechts ongeveer een kwartier. Doch welk een wereld vol wonderen uit alle ogelijke landen vertoont zich aan ons oog! Aan onze rechterhand zien wij het trotsche, met bonte wimpels versierde paleis, welks inwendige een beeld geeft van wat Frankrijk te zee en te land vermag, en aan onze linkerhand, d.i. aan den rechteroever der Seine verheft zich schilderachtig Oud-Parijs met zijn kerkje en zijn ouderwetsche, van gevels voorziene huizen.” Ook zijn de paviljoens van onder meer Servië, Griekenland, Monaco, Spanje, Noorwegen, Duitsland, België, Hongarije, Bosnië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten te zien. “Italië heeft een hoogst smaakvol renaissance-gebouw gesticht, waarin kostbaar majolica en glaswaren, in het bijzonder ook gouden sieraden naar oud-Grieksch model tentoongesteld worden.”

Uiteraard wordt door de auteur uitgebreid aandacht geschonken aan het ‘Duitsche huis’ en aan het Duitse scheepspaviljoen. “Wij allen, die de Parijsche wereldtentoonstelling bezochten, zullen de ze gedachte met ons genomen hebben, dat Frankrijk door deze tentoonstelling zijn Duitsche  naburen pas goed heeft leeren kennen.” […] “Het is overigens niet onmogelijk dat de Duitsche reformkleeding in Parijs spoedig mode zal worden.”

Na enige alinea’s over het internationaal vrouwencongres dat in juni in Parijs is gehouden en de kwestie van de kinder- en vrouwenkleding sluit het drieluik af met een bespiegeling over de Franse bevolking: “De spreekwoordelijke beleefdheid der Franschen merkt men op bij iederen stap, dien men doet. Dat beschaafde menschen beleefd zijn, is wel is waar geen wonder, maar hoezeer de beleefdheid het Fransche volk eigen is, merkte ik b.v. op bij de verkoopsters en verkoopers, die den voorbijgangers tentoonstellingsbiljetten, bloemen, Ansichtskaarten enz. te koop aanbieden. Al koopt men ook niets van hen, dan zullen zij als men hen den weg vraagt, even beleefd antwoorden als een Duitscher zou doen, wanneer men hem al zijn waren had afgekocht.

De Franschen zijn trouwens niet alleen oplettend tegenover menschen, ze hebben ook hart voor dieren. Zoo b.v. dragen de paarden voor de rijtuigen in Parijs dikwijls stroohoeden, ja zelfs zonneschermen op den kop, die voor hen bij de groote hitte stellig zeer aangenaam zijn. De door den somtijds met bloemen versierden hoed, getrokken ooren, hebben dikwijls nog een afzonderlijke bedekking. In Duitschland zag ik iets dergelijks nog niet.” Ze rondt af: “Wij hebben dus nog zeer, zeer veel van de Franschen te leeren en niets zou dwazer zijn, dan ons boven hen te willen verheffen.”

Nederlands succes was er tijdens de wereldtentoonstelling voor de Singer-maatschappij die met haar naaimachines verschillende prijzen, waaronder de ‘Grand Prix’, won. In De Hollandsche Lelie van 3 oktober 1900 wordt hiervan trots melding gemaakt en in de weken erna verschijnen meerdere advertenties in het blad waarin verwezen wordt naar de ‘Grand Prix’.

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

Reacties uitgeschakeld voor Wereldtentoonstelling 1900

Filed under Uncategorized

Blijft brieven schrijven

In De Hollandsche Lelie van 11 oktober 1899 is een artikel uit ‘een buitenlands tijdschrift’ overgenomen onder de titel ‘Ook een mode!’.

“De overdreven en steeds toenemende ‘handel’ in Ansichtskarten ergert mij tegenwoordig zoo, dat ik er eens een woordje over zeggen moet. Het is in mijn oog niets anders dan een nieuwe tak van nijverheid, die ik niet toe kan juichen omdat ze geen nut heeft en weinig moois levert. Hoe zelden toch zijn de plaatjes getrouwe, laat staan een mooie, afbeelding van een stad of landstreek. En wat zegt zoo’n kaart? Spreekt zij tot ons hart, zooals een brief kan doen?

Ik ben een groote vriendin van natuur en van waarachtige kunst, weet ook een getrouwe afbeelding te waardeeren, maar kan me niet verenigen met die rage in helaas al te dikwijls leelijke ‘Ansichtskarten’. Al jaren is mijn grootste genot brieven te schrijven en ze te krijgen, brieven, waarin neergelegd worden geest en hart, waarin gegeven worden ervaring en inzichten, waaruit gelezen kan worden het karakter en de persoonlijkheid van den schrijver.

Maar wat zeggen ons die plaatjes, die gekocht worden, die niets persoonlijks hebben, die niet spreken tot ons hart! Zij laten ons onbevredigd. Na jaar en dag is men wel is waar in het bezit van een album vol kaarten, maar het intiem leven van den afzender kent men niet meer.

Telkens als ik weer zoo’n kaart verzend, om een verzameling aan te vullen, spijt het mij, dat ik niets daarop zetten kan dan enkele banale woorden, zij kunnen immers gelezen worden door iedereen en nemen alle intimiteit weg.

Alles moet tegenwoordig zoo gauw mogelijk afgedaan worden, voor brieven is geen tijd te vinden, zoo’n kaart vergoedt veel en – is zoo gemakkelijk. Ja, erg gemakkelijk, maar de oefening in het schrijven van mooie brieven – een kunst, die weinigen verstaan – blijft uit, men verleert het zijn gedachten helder en duidelijk neer te schrijven, zijn karakter te vormen in het ontleden en weergeven van aandoeningen en gewaarwordingen.

Zonder het te willen, ben ik ook langzamerhand in het bezit gekomen van een verzameling ‘Ansichtskarten’, waarbij er zijn van goede vrienden. Maar stellen ze mij schadeloos voor enthousiaste beschrijvingen van stad en land, stellen ze me in staat mee te reizen met hen, die in het verre land genieten van de heerlijke natuur, vertellen ze mij van hunne gedachten, gevoelens en gewaarwordingen bij alles, wat ze zagen en bewonderden?

Op mijn reizen heb ik altijd photo’s gekocht, om in later jaren bij het bekijken er van weer te kunnen leven in de herinnering aan dien heerlijken tijd – en met dat doel koop ik ook nog mooie ‘Ansichtskarten’, maar niet uit verzamelwoede, want die vind ik in dezen overdreven en opgeschroefd.

Wat is toch belachlijker dan de verrukking van een verzamelaar, die het tot duizend kaarten gebracht heeft! Hij beschouwt ze als een behaalde buit, ziet de massa, nauwlijks de enkele. Later vindt hij den rijkdom misschien lastig, en weet hij niet, waar de kaarten te bergen.

Daarom is het, dat ik tot de jeugd de waarschuwing richt, maakt het u niet al te gemakkelijk en – overdrijf niet in dezen tijd van verzamelen. Blijft brieven schrijven, zendt niet alleen ‘Ansichtskarten’.

Misschien komt eens de tijd – ik hoop spoedig – dat velen met mij inzien, hoe dwaas een verzamelwoede is, waar geest noch hart part of deel aan hebben, die den een niet verrijkt, en het andere niet verwarmt!”

'De brief', via rond1900.nl

‘De brief’, via rond1900.nl

Reacties uitgeschakeld voor Blijft brieven schrijven

Filed under Uncategorized

Een levende paling in de jenever

In de rubriek ‘Vragenbus’ in De Hollandsche Lelie van 7 maart 1894 stelt iemand onder het pseudoniem ‘Immergrün’ de volgende vraag:

“Weet ook een der Lelietjes een middel om iemand, die aan den sterken drank verslaafd is, van dit vreselijk kwaad af te helpen? Zoo ja, kan men dit dan toedienen, zonder dat het kwaad doet en zoo, dat de persoon zelf het niet weet?”

Een paar nummers later geeft iemand een antwoord:

“Doe een levenden paling in een flesch jenever, laat hem eenige weken daarin, en meng dan dit vocht onmerkbaar een tijdlang met den drank van den lijder. – (Recept van de arme klassen)”

Weer acht weken later blijkt dat dit misschien toch niet zo’n heel verstandig advies is:

“In nummer 41 van de Lelie las ik  een middel om iemand van sterken drank te genezen nl. door het aftreksel van een levenden paling in de jenever te mengen. Omdat ik het zoo eigenaardig vond, sprak ik er over met een dokter die mij zeide dat het zeer zeker een afdoend – maar zeer gevaarlijk middel was. Komt de lijder er door, dan is hij gedecideerd genezen, maar minstens vijf van de tien keeren dat de proef wordt toegepast, sterft men er aan. Het is dus geraden er eens over te denken eer men het middel gebruikt. – Dick

Of deze goede raad ‘Immergrün’ nog op tijd bereikt heeft, vermeldt de historie niet.

jenever1

jenever2

jenever3

Reacties uitgeschakeld voor Een levende paling in de jenever

Filed under Uncategorized

Verkeerde opvatting van hare taak

In het tijdschrift De Gids (jaargang 54, 1890)  is een bespreking van De Hollandse Lelie opgenomen. De recensent van dienst is niet bepaald enthousiast.

“‘Het komt ons voor, dat mevrouw Van Wermeskerken tegenover meisjes van 17 tot 22 jarigen leeftijd, voor welke dit blad bestemd schijnt, noch den rechten toon weet aan te slaan, noch de rechte onderwerpen weet te kiezen’ – zoo schreven wij onder deze zelfde rubriek juist een jaar geleden. Sedert kwamen ons verschillende nummers van De Hollandsche Lelie in handen en telkens weder moesten wij bespeuren, dat de redactrice in de, naar ons oordeel verkeerde, opvatting van hare taak blijft volharden. Dit blijkt uit sommige hoofdartikelen, maar vooral uit de gewichtige rubriek ‘correspondentie’, hoofdzakelijk bestaande uit antwoorden op brieven, waarin de geabonneerden haar hart in dat van de redactrice schijnen uit te storten.

In een van die correspondentiën lezen wij: ‘Wat gij noodig hebt, is verandering in uw lot….Ook heeft waarschijnlijk de liefde haar gouden poorten nog niet voor U ontsloten. Heb maar geduld!’ Een andermaal wordt door de redactrice aan een jonge dame, die zij niet of zeer weinig schijnt te kennen, de raad gegeven, liever dan een engagement te verbreken, ter wille van haren aanstaande van geloof te veranderen: ‘Er is niemand die zich aan u laat gelegen liggen, ja, erger nog, ge zijt meer dan verlaten. Om wiens wil zult ge dan, als het zoover is, uwen godsdienst getrouw blijven? Alle godsdiensten zijn als zoovele wegen…’ enz. Wat zegt ge van zulk een advies tot verandering van godsdienst zoo even in een paar regels onder de rubriek ‘Correspondentie’ gegeven!

Er wordt door de redactrice een wedstrijd uitgeschreven; onderwerp: ‘De ongehuwde vrouw’, en wat schrijft in de correspondentie de redactrice, wie men gevraagd had of zijzelf over dit onderwerp niet eens een hoofdartikel zou willen schrijven? ‘Daar ik reeds jong verloofd was, ben ik volstrekt niet bevoegd over dit onderwerp de pen te voeren.’

Karakteristiek is, in verband met dit alles, de titel van een der hoofdartikels: Ook de ongehuwde vrouw kan gelukkig zijn. Men ziet, het is altijd dat ‘huwen, of niet huwen’ hetwelk de redactrice preoccupeert en waaraan zij bij elke gelegenheid hare lezeressen meent te moeten herinneren.

Het is wellicht onbescheiden dat wij, naar aanleiding van het 1e nummer van den vierden jaargang, ons door den uitgever ter beoordeeling gezonden, nogmaals aan onze bedenkingen tegen de richting van dit weekblad lucht geven. Van veel invloed zullen onze opmerkingen zeker niet zijn. Lezen wij toch niet in het ‘Voorwoord’ van den nieuwen jaargang: ‘Van alle zijden mocht ik vernemen dat het weekblad steeds meer in den smaak viel’; en verder: ‘de wenken, van de meisjes zelf ontvangen, werden gaarne gevolgd.’

Nu ‘de meisjes’ – en de moeders! – moeten het dan maar weten. Wij zullen er verder voorloopig het zwijgen toe doen.”

De Hollandsche Lelie Weekblad voor jonge dames, onder hoofdredactie van Mevr. S.M.C van Wermeskerken-Junius. (Johanna van Woude). 4e jaargang, No. 1.

Reacties uitgeschakeld voor Verkeerde opvatting van hare taak

Filed under Uncategorized

Vlijtig besproeien

In De Hollandsche Lelie wisselen de onderwerpen elkaar in een rap tempo af: etiquette, literatuur, geschiedenis, kunst, onderwijs, mode, korte verhalen en wijze spreuken. Er is ook altijd veel ruimte voor praktische informatie, zoals in dit artikel over ‘De behandeling van kamerpalmen’ (15 november 1899).

“De palmen zijn de vorsten van het woud en willen als zoodanig ook behandeld worden. Zij moeten op een plaats staan, die aan alle kanten vrij en open is, en veel licht hebben en des zomers ruim begoten worden.

Een palm mag noch voor een raam, noch voor het dubbelraam staan. Als middenstuk op een bloementafel of op een zuil geplaatst, tiert hij het beste. Men moet bij palmen oppassen voor tocht en voor plotselinge temperatuursveranderingen. Ook moet men de lucht in de kamer vochtig houden door waterverdamping. Voor palmen wordt zandige heideaarde vermengd met een derde deel vezelige weideaarde, vereischt, terwijl men er de steenen, ‘t hout of de wortelvezels uitzoekt.

Op den bodem van den pot moet een flinke laag scherven of stuk gemaakte kiezelsteenen aangebracht worden voor ‘t afvoeren van het water. ‘t Is goed de palmen elk voorjaar te verplanten en wel steeds in grootere potten; de verdorde wortels worden er dan afgesneden; maar aan de gezonde wortels mag men niet aanraken, slechts de daaraan hangende aarde doet men er met een puntig houtje af. In het warme jaargetijde hebben de palmen eenige frissche zomerlucht noodig d.w.z. men zet ze in de open lucht in den tuin, of op ‘t balkon, of – wanneer beide niet voorhanden zijn – op eene zeer lichte, dikwijls geluchte plaats en besproeit de palmen dan vlijtig.”

Kamerpalmen 1

Kamerpalmen 1

Kamerpalmen 2

Kamerpalmen 2

Reacties uitgeschakeld voor Vlijtig besproeien

Filed under Uncategorized

Ten volle mensch

De rubriek ‘week-kalender’ in De Hollandsche Lelie sluit inhoudelijk meestal aan bij het hoofdartikel. Na de tekst over de moderne vrouw in de aflevering van 7 februari 1900 volgt voor elke dag een toepasselijke wijsheid. Voor de maandag is dat bijvoorbeeld “Zeg niet dat Liefde ‘t Vrouwenlot voltooit, – Ik ben Mijzelf genoeg…” van Jeanne Reijneke Van Stuwe. Voor de woensdag: “Wij vrouwen moeten gelooven en ons dag aan dag zoeken te sterken in dat geloof, dat wij ten volle mensch kunnen worden zonder op te houden ten volle vrouw te zijn” van Hélène Mercier. En voor donderdag: “Nieuwe denkbeelden zijn als vreemde munten, welker waarde door het groote publiek niet naar waarde kan worden geschat.”

Week-kalender 7 februari 1900

Week-kalender 7 februari 1900

Reacties uitgeschakeld voor Ten volle mensch

Filed under Uncategorized

Een Waarschuwing

Van 1902  tot 1915 is jonkvrouw Anna de Savornin Lohman hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie. Zij transformeert het voorheen nogal zoete tijdschrift voor jonge meisjes tot een opinieblad voor volwassenen. Daarbij steekt ze haar eigen mening niet onder stoelen of banken; ze zet met name de correspondentierubriek en haar hoofdartikelen in om de publieke opinie te beïnvloeden.

In het hoofdartikel van 16 maart 1904 gaat ze bijzonder fel tekeer tegen moeders die hun kinderen achterlaten bij dienstboden. Dit naar aanleiding van een bericht in de krant over een zoontje van prins Heinrich in Kiel, dat bij het spelen met een stoel is omgevallen en daarbij een hersenschudding heeft opgelopen. Zijn ouders zijn daarom teruggeroepen uit Berlijn.

De Savornin Lohman is van mening dat de moeder van het prinsje door haar vorstelijke positie genoodzaakt is haar kinderen van tijd tot tijd achter te laten. “Zij kan het niet helpen, dat zij hen moet overlaten aan andere zorg dan hare eigene. En daarom is zulk een moeder alleen te beklagen, van ganscher harte.”

“Maar wat te zeggen van de wezens die het niet behoeven te doen, die 3, 4, soms meer kleine kinderen hebben, en die men, dag aan dag, op straat, uit dineeren-gaande, en ‘s avonds in concerten, comedies, enz., enz. kan zien? Terwijl ondertusschen haar eigen kleine kinderen onbeschermd zijn overgelaten aan geheel vreemde, onbetrouwbare, gehuurde hulp, van dienstboden en kinderjuffen, die, ook in het meest gunstigste geval, toch niet die liefde en zorg kunnen hebben voor vreemde kinderen, die een ware moeder voelt voor haar eigene?

Ik ken er zoo! […]

Wat te zeggen van de moeder, die, omdat ze een  ‘talent’ bezit van den zooveelsten rang, den godganschelijken dag dat talent ‘ontwikkelt’, met gejank bij, en gezaag op de piano, met geklodder op een stuk doek, of gepennelik op een stuk papier, en alle concerten, schilderijen-tentoonstellingen, en damesleesmusea afdraaft, om dit talent gelegenheid te geven zich aan ‘kunstgenot’ te verkwikken, terwijl ondertusschen de kleine kinderen thuis… (zie hierbooven…)

Ik ken er zoo.

Ik geneer mij niet te zeggen, dat ik zulken moeders, en  den kinderen zelf, toewensch, dat ze hun kinderen door den dood verliezen. Want, voor die egoiste moeders is dat de gemakkelijkste oplossing; en voor de kinderen-zelf is dat het gelukkigste. Immers, van hoeveel verkeerde voeding, verkeerde straffen, verkeerde opvoedingsmethoden, gemakshalve, door de met de minste moeite gediende dienstboden, zijn zulke kinderen niet stelselmatig het slachtoffer.”

Zo foetert ze nog even door, zie voor de hele tekst de volgende afbeeldingen. Het verhaal eindigt met: “En die waarschuwing is hier ernstig genoeg. Die ‘lichte ongesteldheid’ [van het prinsje] is geëindigd in… sterven ….”

Hoofdartikel 'Een Waarschuwing', 16 maart 1904, p. 1

Hoofdartikel ‘Een Waarschuwing’, 16 maart 1904, p. 1

Hoofdartikel 'Een Waarschuwing', 16 maart 1904, p. 2

Hoofdartikel ‘Een Waarschuwing’, 16 maart 1904, p. 2

 

Reacties uitgeschakeld voor Een Waarschuwing

Filed under Uncategorized

Duitse humoristen

Vanuit de 21ste eeuw is het moeilijk in te schatten hoe de man-vrouwverhoudingen rond 1900 precies waren. In De Hollandsche Lelie lijkt de toon voor ons op het ene moment zeer geëmancipeerd – zo niet feministisch, en op het andere moment erg traditioneel en ouderwets. Er zijn natuurlijk ook nogal wat ontwikkelingen op dit gebied in de periode van het tijdschrift (1887-1933). Hier zal  in komende blogposts regelmatig aandacht aan worden besteed.

In het nummer van 22 juni 1904 staan citaten over vrouwen van Duitse humoristen van rond 1800, wij kunnen alleen maar raden naar wat de lezeressen van De Hollandsche Lelie hiervan vonden…

Jean Paul Friedrich Richter (1763-1825)

Jean Paul Friedrich Richter (1763-1825)

Ludwig Börne (1786-1837)

Ludwig Börne (1786-1837)

 

Reacties uitgeschakeld voor Duitse humoristen

Filed under Uncategorized

Toon mij uw handschrift…

Op 23 september 1903 kondigt redactrice Anna de Savornin Lohman een nieuwe rubriek aan: ‘Handschrift-beoordeeling’. “Het is mij gelukt een medewerker aan de Lelie te verbinden die bereid is handschriften te beoordeelen, onder de navolgende voorwaarden:

I. De inzending van een eigen-gedacht, en eigenhandig-geschreven briefje van minstens 10 regels.

II. Opgave van de sexe waartoe de inzender behoort.

III. Opgave van den leeftijd; alleen in zóóverre, of die boven of onder 50 jaar is.

IV. Inzending van een bedrag aan postzegels van 50 ct.

Zij die hun handschrift ter beoordeeling inzenden behoeven hun naam niet te noemen, óók niet aan mij; omdat dit natuurlijk bij ongunstige beoordeelingen minder aangenaam zou kunnen wezen. – Deze brieven kunnen dus geheel ongeteekend zijn. Zij moeten echter, behalve de 50 ct. honorarium, óók nog bevatten één extra postzegel van 5 ct., voor doorzending aan den betreffenden medewerker.

De beoordeeling geschiedt met afdruk van het handschrift in de Lelie; tenzij de inzender verzoekt dit weg te laten. In dit geval wordt steeds aan zijn verzoek voldaan. De inzenders moeten hun brieven aan mij adresseeren; omdat de medewerker die zich hiermede belast, zijn naam niet algemeen-bekend wil doen zijn.”

Al snel stromen de handschriften binnen en in oktober 1903 gaat de rubriek van start. Het oordeel van de deskundige is niet altijd even vriendelijk.

Klik op afbeelding voor vergroting

Beoordeling handschrift Sirroga 27 juli 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Henny en Pietro, 27 juli 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Beoordeling XYZ en Laura, 7 september 1904

In oktober 1904 meldt de redactrice dat de succesvolle rubriek toch wordt opgeheven.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Einde rubriek, 5 oktober 1904

In dat nummer verschijnen de laatste beoordelingen.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Edmona en Homo Sum, 5 oktober 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Hilda, Mea en Anastasia, 5 oktober 1904

Reacties uitgeschakeld voor Toon mij uw handschrift…

Filed under Uncategorized