Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

[In De Hollandsche Lelie d.d. 5 en 12 december 1900]

St Nicolaas, kerstmis, oud- en nieuwjaarsdag, wat al feestdagen in ‘t verschiet! “Haast te veel” hoorde ik eens iemand zeggen: “men kan wel aan ‘t cadeautjes geven blijven.”

Nu als men er zóó over denkt, ware ‘t beter die dagen maar ongemerkt te laten voorbij gaan Men geve een cadeau van harte, of men geve ‘t niet. Gedwongen geven is, voor ontvanger zoowel als schenker, hoogst onaangenaam. Men voelt als bij intuïtie of ‘t geschenk gaarne gegeven is of niet. Een cadeautje achteloos ingepakt, verzonden van den winkel dadelijk naar uw huis, wees er van verzekerd, dat ge ‘t krijgt, enfin, omdat ‘t moet, omdat de gever vriendschap van u heeft genoten, die hij op een andere wijze niet reciproceeren kan, of omdat ge hem met ‘t een of ander zijt van dienst geweest, ja, de woorden bij ‘t koopen geuit: “‘t Convenieert me niet, maar ik kan er niet buiten!” zoudt ge er haast wel bij kunnen denken.

Maar een presentje, dat van harte gegund is, men kan het herkennen bij den eersten oogopslag aan de bijzondere zorg waarmede ‘t gekozen is, en de onberispelijke wijze waarop ‘t is ingepakt.

Pak uw cadeautje altijd zorgvuldig in, doe het in een doos, of wikkel het in twee of meer papieren; moet het over de post, doe er dan een extra lakje en een dubbel touwtje om. In de drukke feestdagen hebben de pakketten altijd meer te lijden dan anders, en een beschadigd cadeau bezorgt den ontvanger grooter teleurstelling dan genoegen.

Vergeet ook nooit uw pakje te frankeeren, en den prijs van uw cadeau te verwijderen of uit te wisschen, ge zoudt u aan een groote onhandigheid schuldig maken, indien ge dit naliet.

Krijgt ge op den avond zelf een cadeau van iemand, van wien ge niets verwacht, en wien ge ook niets hebt gezonden, stuur dan niet dadelijk een geschenk terug, dit zou niet heel kiesch zijn. Stel voorop, dat het voor den zender een genoegen was u het cadeau te zenden, en dat het dus voor hem grievend wezen moet onmiddellijk iets terug te krijgen.

Hoe klein en leelijk een cadeau ook moge wezen, men moet toonen er dankbaar voor te zijn; blijdschap huichelen voor een ding, dat u hoogst onwelkom is behoeft natuurlijk niet, maar de goede bedoeling moet in ieder geval geapprecieerd worden.

Heeft men iemand verleden jaar op St. Nicolaasavond een cadeau gezonden, dan is het volstrekt onnoodig het dit jaar weer te doen. Sommige menschen nemen dit op als een drukkende verplichting, en geven elk jaar maar weer, alleen, omdat men ‘t eenmaal begonnen is. Maar dat is een dwaasheid; een St. Nicolaasattentie bindt tot niets, men geeft, omdat men er lust in heeft, en een volgend jaar als men er minder toe gestemd, en de beurs niet zoo ruim is voorzien als ‘t vorige, welnu, dan geeft men niet. Het wordt helaas maar al te dikwijls uit ‘t oog verloren, dat een cadeau altijd een verrassing blijven moet, en dat men ‘t nimmer mag verwachten.

Het behoeft natuurlijk geen betoog, dat men een pas ontvangen cadeau niet dadelijk weer aan een ander present geeft. In den beperkten kring uwer kennissen kan de geefster allicht te weten komen, hoe ge met haar cadeau gehandeld hebt, en dit weggeven moet haar een grievend bewijs zijn, dat haar geschenk u niet welkom was.

Alvorens een cadeau te kopen, ga men te rade met den smaak, den aard en de omstandigheden van den persoon aan wien men iets wil zenden. Iemand die niet van lezen houdt; zende men geen boeken; een jonge dame, die van nature ernstig en stemmig is, beglückt men niet met prullaria, waaraan zij niets heeft; en een huisgezin, dat slechts met grote moeite kan rond komen, verrasse men niet met voorwerpen van groote luxe, die het ten eerste niet gebruiken kan, en die ten tweede in de bescheiden huishouding niet op hun plaats zijn.

Indien men op St Nicolaasavond cadeaux ontvangt, waarvan men te vergeefs den gever zoekt, dan mag men dezen en genen niet zoo maar op den man af vragen: “Hebt u me dat gezonden?” of “Mag ik u daarvoor bedanken?” De persoon in quaestie kan aan ‘t zenden van het cadeau volmaakt onschuldig zijn en dan zou bij hem natuurlijk ‘t vermoeden opkomen dat ge van hem iets had verwacht. Tracht dus langs een omweg te weten te komen, wie u op zoo vriendelijke wijze heeft verrast, en zijt ge hiervan zeker op de hoogte, dan kunt ge gerust bedanken, eerder niet.

—-

Cadeaux van onbekende gevers, sieraden bijv. drage men liever niet, daar er aan ‘t dragen van een cadeau soms grooter waarde wordt gehecht, dan de draagster aangenaam kan zijn. Om maar eens een voorbeeld te noemen; Een jonge dame ontvangt op St. Nicolaasavond een gouden armband. Ze vindt den bracelet mooi, en draagt hem zonder te weten, wie haar de verrassing bereidde, eveneens zonder te vermoeden, dat ‘t geven van een gouden bracelet een declaratie inhoudt, en dat ‘t dragen daarvan een bevestiging van de te komen vraag beduidt.

Maar al is ‘t cadeau ook zonder eenige bedoeling, en alleen uit vriendelijkheid gezonden, toch is ‘t beter met dragen te wachten, tot men den gever kent, en men voor de attentie heeft kunnen bedanken.

Ook is het niet aan te raden lekkernijen, die men ontvangt, en waaraan men twijfelt of ze wel aan het juiste adres bezorgd zijn, dadelijk te verorberen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de loopjongens in de ontzettende drukte de letters, taart, borstplaat, bonbons of wat ‘t ook wezen mag, verkeerd afgeven, bijv. op No. 20 in plaats van op 21; in de Bankastraat in plaats van in de Bakjanstraat enz. enz., zulke vergissingen zijn mogelijk en gebeuren telkens, zie daarom goed toe, of uw adres gevoegd is bij de verrassing, en zoo niet, wacht dan liever een paar dagen, of informeer eens bij den banketbakker voor wie ‘t cadeau eigenlijk bestemd is.

Om niet van “avances maken” beschuldigd te worden, zendt een jonge dame op St. Nicolaasavond nooit een cadeau aan een ongehuwd heer; behoort de heer echter tot de familie, of tot de zeer intieme kennissen, dan mag men verwachten, dat er achter ‘t zenden van een cadeautje niets bijzonders wordt gezocht.

Zendt een heer aan een jonge dame een bouquet met bijvoeging van zijn kaartje, dan kan het jonge meisje volstaan met het terugzenden van een kaartje, waarop een paar vriendelijke woorden, of met een kort briefje in den derden persoon, bijv.: Mejuffrouw Van Rhenen dankt den Heer Ten Oever zeer voor de mooie bloemen, die hij haar gezonden heeft, of voor de vriendelijke attentie, die hij haar heeft bewezen, enz. enz.

Is de bouquet echter gezonden als herinnering aan den souperdans, dien men vooruit reeds heeft afgesproken, dan dankt de jonge dame den gever onmiddellijk, als hij haar op ‘t bal komt aanspreken.

Het vieren van Kerstmis is in ons land nog niet zoo algemeen in zwang als in Duitschland en Engeland, toch zijn er reeds veel families, die in kleinen kring St. Nicolaas houden, en voor den kerstboom invitaties aan de goede kennissen rondsturen.

Men kan de cadeaux dan reeds een dag van te voren zenden met een beleefd verzoek aan de gastvrouw ze onder, of aan den boom een plaats te willen geven.

Nieuwjaarsdag, le jour des étrennes, viert men in Frankrijk en België. De dames blijven dan meest thuis van 1 tot en met 6 of 7 Januari om de gelukwenschen en cadeaux (meest in den vorm van bloemen en bonbons) van vrienden en kennissen in ontvangst te nemen.

Huwelijkscadeaux zende men een dag vóor de receptie of veertien dagen voor ‘t trouwen, de geschenken moeten voorzien zijn van een naamkaartje of begeleidend briefje. De bruid dankt dan hare kennissen schriftelijk voor de bewezen attentie, de bruigom doet dit aan zijne vrienden; op de receptie vergeten zij echter geen van beiden de gevers nog eens hun erkentelijkheid te betuigen.

Het tentoonstellen van bruids- of verjaarscadeaux raakt reeds meer en meer in onbruik; men moge de geschenken laten zien in intiemen kring, maar de lange reeks tafels met kostbare cadeaux, die aan een winkeluitstelling doen denken, ziet men nog maar heel zelden. Gelukkig voor haar, die zich met ‘t geven van een bescheiden cadeau moet tevreden stellen, en die alzoo de teleurstelling bespaard wordt haar cadeautje door de groote luxe-voorwerpen geheel overschaduwd te zien.

Sylvia Regina. Den Haag, 30 nov. 1900

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

Filed under Vormen

Op jacht met keizer Wilhelm

Wilhelm II, de laatste keizer van Duitsland, regeerde van 1888 tot 1918. Bij ons is hij vooral bekend vanwege zijn verblijf na 1918 in Huis Doorn waar hij al houthakkend zijn laatste jaren sleet. Na zijn dood in 1941 is hij bijgezet in een mausoleum op het landgoed. Zijn gebalsemde lichaam is daar nog steeds aanwezig en zal pas naar Duitsland terugkeren wanneer dat land weer een monarchie is geworden – aldus zijn laatste wens.

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Rond 1910 was hij nog springlevend en een man met aanzien. Hoofdredacteur van De Hollandsche Lelie Anna de Savornin Lohman kon echter geen respect voor hem opbrengen. In de editie van 6 december 1911 schreef zij, onder de titel ‘Afschuwelijk!’:

“De Keizer van Duitschland jaagt voor de eerste maal bij den graaf von Francken Sierstorpff, in Silizië. Deze is met die eer zoo blij dat hij al het mogelijke doet om zijn jachtterrein voor den ‘hoogen gast’ (groote-couranten-stijl) aangenaam te maken. Daartoe heeft hij laten komen uit Boheme 6000 (zegge zes-duizend) fazanten à 6 mark per stuk. Deze worden dan op het terrein vrijgelaten, opdat er zóóvelen zijn dat de Keizer niet kàn misschieten!!

Dan staat er later in de vleierige couranten, dat hij zoo’n groot jager is, en dat hij daarom zoo en zooveel stuks wild doodschoot! Van het walgelijk-kinderachtige van zulk gedoe wil ik niet spreken; alleen maar van ‘t verachtelijke ervan. En dan wil men dat wij ‘gewone menschen’ iets zullen voelen voor vorsten, die van hunne ‘staatsbeslommeringen’ (‘t mocht wat!) uitspanning zoeken op zoo’n laaghartig-wreede-minne manier!

Ik doe niet aan vorstenbewondering!”

 

Reacties uitgeschakeld voor Op jacht met keizer Wilhelm

Filed under Beroemdheden

Kinderachtige studenten

De afgelopen week was er veel te doen rond studenten van het Groningse Corps Vindicat Atque Polit die zich in een Sushi-restaurant zouden hebben misdragen. Dit soort incidenten zijn niet nieuw; ook in de tijd van De Hollandsche Lelie kwamen ze al voor. Onder de kop ”Geestig?’ veegt hoofdredacteur Anna de Savornin Lohman in het nummer van 15 november 1911 de vloer aan met de betreffende studenten. 

“Een ‘bah’ voor die herriemakers, die eens mannen van gezag heeten te worden!” Deze welverdiende woorden vind ik in een socialistisch weekblaadje, naar aanleiding van de in alle couranten de rondte gedaan hebbende geschiedenis der studenten-onhebbelijkheid in Scala, verleden Zaterdag; (waarlijk, dat uitbazuinen van deze kinderachtige rustverstoring was overigens te veel eer voor hen). De uitdrukking is wélverdiend. Bah. Dat is ‘t rechte woord ervoor. Aan kinderen, van veertien jaar reeds, zou men zeggen: Toe stel je niet zoo onnoozel aan. En deze ‘studenten’ verbeelden zich, dat zoo’n lamlendig de orde verstoren in een voorstelling ‘geestig’ zou zijn! ‘t Bewijs hoe zuiver een gezonde jongen, – niet eens eens jonge man maar een jongen – voelt in dezen, werd mij dienzelfden middag geleverd toen het relletje ‘s avonds gebeurd is. ‘t Waren vermoedelijk dezelfde geestige (?) studenten, die toen namelijk rondreden door Veenestraat enz., half-dronken (natuurlijk), met hun corpspetten op, en zich flauw te keer stellend met trompetten en andere ongemeen geestige (?) manieren om de aandacht te trekken. Natuurlijk gelukte dit ook, en kwam er een oploopje, maar ik hoorde een paar straatjongetjes die achter me aan liepen, verachtelijk tegen elkaar zeggen: “Gut, doe dáár nou geen moeite voor om dáárvoor hart te loopen. Wat is dáár nou aan?” De ventjes toonden meer gezond verstand dan de aanstaande ‘mannen van ‘t gezag’. Natuurlijk ook, zij waren immers niet dronken. God, wat hebben we toch een misselijke maatschappij, als je er goed over nadenkt! En, veranderen zal ‘t toch nooit, omdat de menschen nu eenmaal zoo zijn, als massa genomen. Dat is het ontmoedigendste nog ervan!

Reacties uitgeschakeld voor Kinderachtige studenten

Filed under Dagelijksleven

De ramp van de Titanic

In de nacht van 14 op 15 april 1912 kwam de RMS Titanic in aanvaring met een ijsberg. De gevolgen zijn bekend: binnen enkele uren zonk het schip en 1522 opvarenden kwamen om het leven. Een belangrijke oorzaak voor dat hoge aantal doden was de beperkte capaciteit van de reddingssloepen: er was maar plaats voor de helft van de passagiers en in de chaos zijn ze ook nog eens niet optimaal benut.

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Destijds was de ramp uiteraard wereldnieuws, de schok was groot. In De Hollandsche Lelie van 24 april 1912 is al een reactie te vinden van hoofdredactrice Anna de Savornin Lohman, onder de kop ‘Aan wie de schuld?’

“Dat de ramp van de Titanic vreeselijk is, en ons allen met ontzetting vervult, dat is zoo’n waarheid als ‘n koe dat ik er niet bij behoef stil te staan.

Wat echter, bij al het geschrijf er over, pijnlijk-ergernis-opwekkend aandoet, dat is het geleuter en gejeremieer voortdurend, of Astor en Guggenheim en Strauss, en dito rijkaards, al of niet gered zijn, en hoeveel waarde geld deze vertegenwoordigen, terwijl men ondertusschen niets zegt van de honderden en nog eens honderden niet-rijkaards, die in dit geval om ‘t leven zijn gekomen, in de eerste plaats van de ongelukkige bemanning.

Deze rijkaards immers, (die tenslotte nog wel gered zullen zijn óók, pas eens op, Ismay Bruce, die ellendeling, is er al), zijn de oorzaak van ‘t heele ongeluk. Als zij niet, in hun onzinnige snelheid-woede, aandrongen op record-reizen, als zij niet, in hunne geblaseerdheid, eischten de meest onzinnige, ten hemel schreiende weelde, dan zouden de maatschappijen er niet aan denken zulke dwaze, veel te groote luxe-booten te bouwen, noch van hare ondergeschikten durven eischen, dat zij een gevaarlijken weg kiezen door de ijsbergen heen, alleen om nog iets gauwer dan anderen aan te komen – aan welke schandelijke record-woede de overige nietsvermoedende passagiers en de tot gehoorzamen verplichte bemanning zijn opgeofferd. Lees maar eens wat de scheeps-eigenaars zelf hieromtrent getuigen:

Werp den schuld van deze ramp niet op ons!” riep een beambte van een der grootste transatlantische stoomvaartmaatschappijen te New-York uit. “Werp de schuld op uzelven, en op al degenen, die snelle reizen vragen, tennisbanen, Romeinsche baden, gymnastieklokalen, wintertuinen aan boord; wij zouden niet aarzelen onze dekken vol te zetten met reddingbooten, maar deze zouden aan de weelderige inrichting schade doen – en die schijnt op hooger prijs te worden gesteld dan veiligheid”. (Telegraaf.)

De fitnessruimte in de eerste klas

De fitnessruimte in de eerste klas

Zoo is het. De macht van het geld, van het meestal langs vuile en onnoembare wijze verkregen geld van woekeraars en afpersers regeert de gansche wereld. En alles buigt en kromt zich ervoor. Vóór de revolutie was de adel oppermachtig, tegenwoordig zijn het de Amerikaansche varkenhandelaars en worstmakers en blikjesverkoopers, die hunne dochters uithuwelijken aan ‘t verloopen, verarmde Europeesche high-life. Met hunne auto-woestheid maken zij op alle groote wegen van Europa talrijke slachtoffers, en, niet daarmede tevreden, willen zij nu ook nog, op hunne reizen heen en weer naar Europa, alle comfort en luxe genieten van ‘t meest verfijnde hôtel, en tegelijk de maatschappijen dwingen hen in een onzinnig korten tijd over te brengen. Geld komkt er immers voor hen niet op aan. Dat hebben ze. Daarvoor moet alles wijken.

Maar, van tijd tot tijd gaat het zoo als ditmaal met de Titanic, een onbekende macht, sterker dan die van ‘t geld, treedt tusschen beiden, en spot met alle aardsche menschengrootheid.

De regels van Da Costa komen mij daarbij in den zin:

Maar het Godsuur had geslagen,

En de menschenschepping viel.

‘t Zij gij roem of rouw moogt dragen,

Menschheid schouw het aan en kniel.

God is Rechter. De aarde wacht.

De aarde ontroert, en staat verwonderd,

Als de God der eere dondert

En den dag verkeert in nacht.

Over de opgedreven waatren

Wandelt Zijne Konings-stem!

Zeeën schuimen, scharen schâtren –

En de storm verheerlijkt Hem.

O, ik wou, ik wou dat het God wezenlijk is geweest, die, door dezen ijsberg, al die menschelijke pralerij heeft willen in den grond boren. Ik wou, dat Hij al die schunnige ellendige rijkaards, over wier lot de gehele europeesche pers zich zoo aandoenlijk ongerust maakt (terwijl zij voor de rest geen woord bijna over heeft) liet verzwelgen in de schuimende zee. En ik wou dat Hij de anderen, zij, die de slachtoffers zijn, de weduwen en weezen in Southampton, der bemanning, en zoovele andere passagiers wier namen onbekend blijven, wreekte om wat hun is aangedaan.!

Het vers van Da Costa, dat ik zooeven aanhaalde, eindigt:

Plast het tranen, ruischt het bloed,

Dondren woede en lasterkreten,

God als Koning is gezeten,

Over d’opgezetten vloed.

Wederkaatst door hemelpsalmen,

Antwoordt uiit het heiligdom,

Midden onder de onweersgalmen,

‘t Jongste woord Zijns Woords: Ik Kom.

Ziet gij, lieve lezers, in dat geloof, dat van Da Costa, ben ik opgevoed. En soms komt het over mij met volle kracht: Mocht het zóó zijn. Want, dan immers, dunkt mij, kan het niet lang meer duren, of Hij komt werkelijk. Hij kan dan al deze vuilheid, al deze pralerij met geld, al dit gehuichel, al deze ten hemelschreiende onrechtvaardigheid niet lang meer aanzien – als Hij er is. Het is een te onzuivere, te smerige boel tegenwoordig. Als er een God is, dan moet Hij wel spoedig komen, en deze aarde vertrappen, – met hare zóógenaamde ‘christelijke’ regeeringen incluis!

'Untergang der Titanic' door Willy Stöwer

‘Untergang der Titanic’ door Willy Stöwer

[De afbeeldingen zijn afkomstig van Wikipedia, waar ook uitgebreide informatie over de Titanic te vinden is]

Reacties uitgeschakeld voor De ramp van de Titanic

Filed under Geschiedenis

De Handschoen

[In De Hollandsche Lelie van 11 december 1901. ‘Uit het Duitsch door A.Z.’]

Handschoenen zijn een kostbaar toiletartikel. Daar men naar den handschoen de dame beoordeelt, en een vuile of gescheurde handschoen altijd zeer leelijk staat, moet men steeds zorg dragen dat dit onderdeel van het toilet onberispelijk is.

Wie zuinig wil zijn, moet, vóór alles, slechts de allerbeste, zij ‘t dan ook de allerduurste, handschoenen dragen. Elke goedkoope handschoen wordt, door den korten tijd, dien men hem dragen kan, duur. Verder mag men goede handschoenen nooit zoo eens ‘eventjes aantrekken.’ Lichte, nette handschoenen, die men draagt, wanneer men bezoeken aflegt, zijn door het eventjes aantrekken bedorven.

Men moet den handschoen altijd langzaam en zorgvuldig aandoen, iederen vinger geheel gladstrijken, op ‘t laatst de duimen er in steken, en den ondersten knoop langzaam dicht maken. Nieuwe handschoenen moet men vooral nooit haastig aantrekken.

Met lichte, fijne handschoenen vatte men geen deurknoppen aan, ga er niet mee op reis, enz. Balhandschoenen behooren altijd pas in de garderobe aangetrokken te worden, evenzoo handschoenen voor schouwburg of soirées.

Voor het dagelijksch gebruik des zomers zijn grijze of zandkleurige gemslederen handschoenen boven alle andere te verkiezen. Zij staan keurig, kunnen gemakkelijk met wat glycerine gewasschen worden en zijn zeer duurzaam. Nog beter zijn die van wit waschleder of glacé, welke echter ook van de beste qualiteit genomen moeten worden.

Voor morgenwandelingen, om boodschappen te doen, enz., is de garen handschoen, ook wel de mitaine zeer practisch.

In voor- en najaar is de roode hondsleeren handschoen beslist boven alle andere te verkiezen.

Men neme steeds handschoenen met drukknoopen, daar men dan van het aftrekken van knoopjes geen last heeft.

Ieder klein torntje van den naad moet dadelijk gerepareerd worden; heeft men het leer ingescheurd, dan legt men een klein stukje leer er onder en zoomt dat van den handschoen er netjes op.

Bij het uitdoen trekt men den handschoen zorgvuldig in het fatsoen, iederen vinger afzonderlijk en op ‘t laatst den duim, welke men, zooveel mogelijk, evenzoo legt als bij den nieuwen handschoen. Dan legt men het paar plat in de doos. Is de handschoen van binnen misschien wat vochtig, dan moet hij opgeblazen worden en goed drogen.

Lichte handschoenen kan men heel goed schoonmaken, door ze met een stuk zachte gummi af te wrijven, nadat men ze aangetrokken heeft. Dan behoeft men ze slechts zelden in benzine te wasschen.

Goede handschoenen, waarvan de kleur leelijk geworden is, kan men in iedere chemische wasscherij zeer mooi, even licht of in iets donkerder kleur laten verven. Vooral gekleurde heerenhandschoenen, die door het schoonmaken allicht leelijk werden, krijgen daardoor nieuwe frischheid en geven volstrekt niet af.

Men wordt ernstig gewaarschuwd tegen het zelf verven der handschoenen, vooral tegen het zwart-verven. Zulke handschoenen geven altijd af en maken dan zeer leelijke vlekken.

Reacties uitgeschakeld voor De Handschoen

Filed under Dagelijksleven

Het slapen bij verschillende Volken

[Uit De Hollandsche Lelie van 20 november 1895]

“Slapen is een algemeene gewoonte bij alle volken,” schreef een schooljongen in zijn opstel; even waar is echter dat er groote verscheidenheid bestaat in de manier van slapen bij verschillende volken. Omstandigheden, die den eenen mensch doen slapen, houden den ander wakker. Een verdoovende medicijn, welke dezen onmiddellijk in diepen slaap doet vallen, brengt genen in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid.

De Europeaan of Amerikaan slaapt dan rustig, als hij een zacht kussen onder het hoofd heeft, doch de Japanner strekt zich op een mat op den grond uit, en schuift een hard, vierkant blok hout onder zijn hoofd: zonder dit blok zou hij slecht slapen.

De Chinees is zeer kieskeurig op zijn slaapplaats, die wel heel eenvoudig, maar meestal mooi uit hout gesneden is. Zijn bed is evenwel niet zacht, hij gebruikt daar matten voor..

Terwijl de bewoners van noordelijke landen niet kunnen slapen, als zij geen ruimte genoeg hebben om hunne beenen uit te strekken, rollen de bewoners der tropen zich evenals de apen in elkander en slapen het best in deze houding.

De Hollander bedekt zich met een paar dekens en slaapt, dikwijls in den winter, met een open raam.

De Rus daarentegen slaapt nergens liever dan op den grooten oven in zijne woning. Kruipt hij ‘s morgens uit dit warme bed, dan neemt hij een koud bad, ook al moet hij het ijs er eerst voor verwijderen.

De Laplander kruipt met het hoofd in een zak van rendiervel en slaapt daarin warm en naar zijn zin.

De Oost-Indiër, aan het andere eind der wereld, heeft ook een slaapzak, maar deze is heel wat luchtiger dan die der Lappen en heeft ten doel de muskieten op afstand te houden.

De Engelschman heeft een veeren hoofdkussen, maar slaapt verder op stroo- en haarmatrassen.

De Duitschers slapen onder een veeren dekbed. Het is voor vreemdelingen dikwijls een raadsel en een kunst om den geheelen nacht onder zulk een bed te blijven liggen.

Reacties uitgeschakeld voor Het slapen bij verschillende Volken

Filed under Dagelijksleven

Opruimen rond 1900

Het lijkt wel of op dit moment heel Nederland aan het opruimen of schoonmaken is – of in ieder geval plannen in die richting heeft. Zelfhulpboeken als Opgeruimd! van Marie Kondo en Het Grote Poetsboek van Diet Groothuis liggen op grote stapels in de winkels. Dat is niet alleen iets van deze tijd; ook aan het eind van de negentiende eeuw werden er al praktische tips gegeven om het huis aan kant te krijgen, én te houden.

In De Hollandsche Lelie van 27 juni 1894 vinden we bijvoorbeeld een bijdrage van ‘Huismoeder’ onder de titel ‘Je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt’:

‘Mijne grootmoeder was gewoon, eer zij zich voor hare dagelijksche avondwandeling mij klaarmaakte, iedere kleine wanordelijkheid in haar voorbeeldig ingericht huishouden op te ruimen; spoorde ik haar dan soms in jeugdig ongeduld aan om te vertrekken, dan antwoordde zij altijd: “kind, je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt.”

Het nut van deze gewoonte kon ik toen volstrekt niet inzien: Het leek mij zeer onwaarschijnlijk dat wij – zooals de oude vrouw zeide – op onze eenvoudige wandeling een ongeluk krijgen of met vreemden terugkomen zouden. Zonder grootmoedertjes dikwijls herhaalde vermaning zou ik meer dan eens een begonnen handwerk of kleedingstuk hebben laten liggen, een kastdeur open laten staan of het tafelkleed scheef laten hangen. Nu rust de goede vrouw reeds lang in de koele aarde en ik ben vrouw en moeder, maar iedere kleine eigenaardigheid der oude vrouw is, evenals zoo menige gewoonte, die haar eigen was, op mij overgegaan.

Daar wij geen tuin hebben, ga ik minstens éénmaal per dag met mijne kinderen wandelen. Dat veroorzaakt door de stoornis in het werk waaraan ik bezig ben en het haastige aankleden der kinderen talrijke wanordelijkheden. Maar alles wordt vlug opgeruimd, want het is mij onmogelijk iets te laten liggen. Ontmoet ik onderweg lieve familieleden of bekenden dan kan ik hen rustig mee naar huis nemen zonder het pijnlijk gevoel te hebben, hen in een wanordelijke kamer te moeten brengen.

Komt, wanneer ik afwezig ben, mijn man op een ongewoon uur thuis, dan verheugen wij ons beiden, dat hij alles in de beste orde vindt.

Geheel afgezien van vreemde bezoeken, is het voor eene huisvrouw veel aangenamer in een net huishouden terug te komen, dan dat zij alles overhoop vindt en, vermoeid van de wandeling, alles nog opruimen moet.’

Reacties uitgeschakeld voor Opruimen rond 1900

Filed under Dagelijksleven

Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Volgens www.literatuurgeschiedenis.nl wist geen enkele andere Nederlandse schrijfster de literaire wereld in de negentiende eeuw zo te domineren als ‘Truitje’ Toussaint. Bijna een halve eeuw is zij als auteur actief geweest en in die tijd heeft ze een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. In het deel over de negentiende eeuw van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur schrijven Willem van den Berg en Piet Couttenier: “De historische roman kreeg in A.L.G. Toussaint een vertegenwoordigster van allure. Truitje Toussaint, na haar huwelijk in 1851 met de schilder Bosboom bekend als Bosboom-Toussaint, werd in de negentiende eeuw en wordt ook nu nog beschouwd als de belangrijkste romancière van haar tijd, die met haar historische en andere romans haar mannelijke collega’s ver achter zich liet.”

Mag zij tegenwoordig vooral bekend zijn vanwege de straten en pleinen die er naar haar genoemd zijn, voor de lezeressen van De Hollandsche Lelie was zij nog een echte grootheid. Hiervan getuigt bijvoorbeeld het artikel dat in het nummer van 7 februari 1894, zo’n acht jaar na haar dood, is opgenomen:

Anna Louisa Geertruida Toussaint 1812 – 1886

Een onzer grootste schrijfsters is ontegenzeglijk Mevrouw Bosboom-Toussaint. Haar heengaan op den 13den April 1886, was voor de letterkundige wereld een groot verlies en haar plaats zal niet gemakkelijk ingenomen worden.

Geertruida Toussaint werd geboren te Alkmaar, den 16den September 1812. Haar ouders, Cornelia Roquette en Hendrik Toussaint, waren van alouden Hugenootschen oorsprong.

Hendrik Toussaint vestigde zich als apotheker te Alkmaar, alwaar hij, na de oprichting der Clinische school in 1826, lector in de Chemie, de Botanie en de Natuurlijke Historie werd. In de stad zijner inwoning genoot Toussaint de algemeene achting. Toen zijn huwelijk door de geboorte van een dochter gezegend werd, dacht de kleine hoofdstad van Kennemerland zeker niet, dat zij in haar eens haar meest begaafde vrouw begroeten zou.

Op achtjarigen leeftijd werd Geertruida toevertrouwd aan de zorgen van haar grootmoeder van vaderszijde, mejuffrouw Toussaint-Talma, te Harlingen. De ontwikkelde grootmoeder, die een zeer goeden smaak bezat op letterkundig gebied, gaf het vlugge meisje een uitstekende opvoeding.

Geertruida bleef tot 1830 in Harlingen, waarna zij voor goed in Alkmaar terugkeerde.

Een leven, dat bestond in bezoeken afleggen en ontvangen, in het najaren van allerlei genoegens, in het lijdelijk wachten op  een huwelijksaanzoek, in één woord een leven zonder doel, dat was voor haar werkzamen geest onmogelijk. Zij legde zich daarom met allen ijver toe op de studie voor het examen als onderwijzeres. Reeds van den beginne kenmerkte zij zich door groote wilskracht en volharding in een eens genomen besluit en met goed gevolg deed zij dan ook in 1833 te Haarlem examen in de Nederlandsche, Fransche en Duitsche talen en de overige destijds vereischte vakken. Haar streven naar onafhankelijkheid was bekroond en het “Help u zelf” vereeuwigde zij veertig jaar later in de vrouwelijke karaktervastheid van haar “Majoor Frans”.

Eenigen tijd na haar terugkomst in Alkmaar werd mejuffrouw Toussaint aangenomen bij den Hervormden predikant Vinke. Met den diepsten ernst legde zij haar belijdenis af, die een beslissende daad voor haar volgend leven was. Zij was godsdienstig in christelijk-hervormden zin; aan heuschheid en mildheid in het oordeelen over andersdenkenden heeft het haar nooit ontbroken; zij was een Christin in den waren zin des woords. Door haar deugdzaam leven heeft zij de woorden van den talentvollen redenaar en dichter Ten Kate tot een daad gemaakt:

Vergeet toch nooit dien dag der dagen / Vergeet toch nooit dien heil’gen stond, / Waarin g’uw Heiland hebt beleden, / Waarin gij Hem met hart en mond / Beloofd hebt, trouw te zullen volgen / Op ‘t spoor, dat Hij u achterliet; / Laat in den maalstroom niet verzinken / Dien heil’gen dag, vergeet hem niet!

Na haar belijdenis en haar examen aanvaardde zij een betrekking als gouvernante in een deftig gezin te Hoorn. Na een tweejarig verblijf aldaar kreeg zij echter de overtuiging, dat haar roeping niet lag in het geven van onderwijs. In dien tusschentijd had zij zich steeds beziggehouden met letterkundigen arbeid en de vertaling van een buitenlandschen roman begonnen. In Alkmaar teruggekeerd, zette zij die vertaling voort, doch onaangenaamheden met den uitgever deden haar van het vertaalwerk afzien en zij besloot nu te beproeven, wat zij zelve zou kunnen voortbrengen.

Haar eerste novelle “Almagro” werd niet alleen door het lezend publiek gunstig opgenomen, maar trok ook de aandacht der letterkundige wereld. Van nu af wijdde zij zich geheel aan letterkundigen arbeid. Thans volgde er een geheele reeks van historische romans. De tijdperken, die zij behandelde en de historische personen, die zij schetste, had zij grondig bestudeerd. Haar Leycester-romans bewijzen hoe veelomvattend haar historische kennis was en hoe diep haar blik ging bij haar historische studiën. Haar “Huis Lauernesse” heeft zeer veel opgang gemaakt en is in het Duitsch en in het Engelsch vertaald.

Van haar romans uit den lateren tijd heeft vooral “Majoor Frans” een groot succes gehad en dit werk is dan ook in het Fransch, Duitsch, Engelsch en Zweedsch overgezet. Verscheidene eervolle onderscheidingen, zoowel van het binnen- als van het buitenland, zijn aan de talentvolle schrijfster ten deel gevallen.

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

A.L.G. Bosboom-Toussaint (Het Geheugen van Nederland)

In 1851 trad zij in het huwelijk met den heer Bosboom, een onzer beroemdste schilders.

De viering van haar 25jarig huwelijksfeest en van haar 70sten geboortedag hebben bewezen, hoe zeer haar tijdgenooten op haar gesteld waren.

Hoeveel achting zij genoot en hoe groot de invloed van haar talent was, kan het volgende bewijzen. Ten behoeve van een ongelukkigen koetsier schreef zij een feuilleton in het Dagblad van ‘s-Gravenhage, keurig van vorm en rijk van inhoud. De bijdragen voor den armen koetsier stroomden haar toe; dat was niet enkel uit meewarigheid met het lot van de ongelukkige, maar vooral ook uit achting voor de talentvolle vrouw.

Hoe groot haar bekwaamheid ook was, en hoe gevierd zij ook werd, zoo was mevrouw Bosboom toch een zeer eenvoudige vrouw. Zij heeft weinig of bijna niet gereisd, maar altijd heeft zij zich door nauwgezette studie op de hoogte gesteld van de tijden, plaatsen en personen, in verband staande met de stof, welke zij zich voor haar romans koos. Dat alles trad dan voor haar als het ware in het leven op; zij verplaatste zich gemakkelijk in de tijden, die zij behandelde en leefde met haar personen mee. In al haar werken heeft zij een geleidelijken gedachtenloop, een noodzakelijke opeenvolging van gebeurtenissen, een waarschijnlijke en natuurlijke, een door oorzaken gemotiveerde handeling neergelegd; zij heeft den historischen roman tot een zeden- en karakterroman verhoogd.

“Er is in Van Lennep de frischheid van een najaarsdag des Noordens; Mevrouw Bosboom-Toussaint bezit daarbij ook den rijksten gloed van het Zuiden, en zij stort dien onweerstaanbaar over in het gemoed van wie haar leest; zij adelt de stoffe, die zij bemeestert.” (Hofdijk)

De groote en langdurige inspanning, die zij zich bij haar studie en arbeid getroostte, had somtijds groote uitputting van haar physieke krachten ten gevolge, maar haar veerkrachtige geest en zenuwen hielpen haar er telkens weer bovenop, en telkens mochten nieuwe scheppingen weder getuigen van haar onafhankelijk oordeel en haar opgewekt geloof. De aanhoudende arbeid belette haar aan het maatschappelijk leven een werkzaam deel te nemen. Het gewoel der samenleving was haar te vermoeiend, maar in meer stille gezellige kringen bewoog zij zich gaarne en daar onderscheidde zij zich door levendig discours en tevens door een natuurlijken eenvoud. In die kringen werd haar bijzijn op hoogen prijs gesteld en ieder, die het voorrecht heeft gehad haar in huiselijken kring te leeren kennen, roemt haar niet enkel om de zeldzame eigenschappen van haar geest, maar ook om de echt vrouwelijke eigenschappen die de hoogbegaafde schrijfster sierden. Haar briefwisseling met letterkundigen en vrienden in binnen- en buitenland was voortdurend zeer uitgebreid. Als voorbeeld van haar groote verdraagzaamheid kan nog dienen, dat zij briefwisseling heeft gehouden met den beroemden Busken Huet en ofschoon velen zijner tijdgenooten zich van hem hadden afgekeerd, was een bezoek van hem háár altijd welkom.

 

Reacties uitgeschakeld voor Over A.L.G. Bosboom-Toussaint

Filed under Beroemdheden, Literatuur

Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Onder de titel ‘Vorming van den toekomstigen echtgenoot’ geeft J.v.W. in het hoofdartikel van De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901 een genadeloze beschrijving van het mannelijk deel van de Nederlandse bevolking.

“In Amerika, waar men het vasteland in alles een vijf en twintig jaar vooruit is, wordt de vrouw gesteld boven den man, waarschijnlijk omdat zij in gedrag en waardigheid reeds jarenlang werkelijk stond boven den man. Dienstboden zijn er schaarsch en als de man thuiskomt, is het opdat zijn vrouw zal kunnen uitgaan. Hij zorgt tijdens hare afwezigheid voor de kleintjes en voor de pot, schuiert het kleed voor haar en spaart haar wat hij kan, en als de vrouw thuiskomst, verfrischt en opgefleurd door de beweging in open lucht en door de afleiding van geest verkregen bij gesprekken met menschen, is zij weer een opgewekt moedertje binnenshuis en een zonneschijntje voor man en kinderen.

Wat zijn we daar in Holland nog ver van af! Onze jongens worden door de meeste moeders als egoïsten opgevoed. Zij hebben hare zoons afgodisch lief, en gevoelen reeds vooruit een zekeren afkeer van een indringende schoondochter. Zeer natuurlijk; want de groote moederliefde gevoelt da men haar lieveling haar ontnemen gaat en dat zij wordt achtergesteld voor een vreemde. En mag zij nu al hare kinderen al tot goede zonen, tot brave menschen opvoeden, zij vergeet toch meestal één punt in die opvoeding – de vorming voor het huwelijk, welke hem juist ten zegen zou kunnen worden in zijn verder leven. En zij ziet geheel voorbij dat zij daardoor zelf de kans op zijn toekomstig geluk verkleint.

Het is niet genoeg een braaf en achtenswaardig man te zijn; – brave en achtenswaardige mannen zijn dikwerf zeer onaangename echtgenooten. En evenmin is een goede zoon altijd een goede echtgenoot, en dat is alleen de schuld der moeder, die door hare opvoeding verzuimd heeft de voor een gelukkig huwelijk onmisbare hoedanigheden in haar zoon te kweeken.

Hoe worden de meeste jongens opgevoed? Omdat zij jongens zijn, worden zij boven hunne zusters voorgetrokken en aan hunne vorming wordt veel meer ten koste gelegd dan aan die hunner zusters, ja, die zusters moeten meermalen veel ontberen, om den broer een schijn van welvaart te geven in de kringen, waar hij verkeert.

Spreekt hij van zijne zusters met vlegelachtige lompheid als van ‘maar meisjes’, dat wordt niet zelden nog aardig gevonden ook.

Studeert het jongmensch, dan ‘kost hij veel geld’, en hij vindt het heel natuurlijk dat moeder en zuster om zijnentwil ontberingen dragen. In families, waar volstrekt geen geld te veel is, verteren de zonen het leeuwenaandeel. Zij leggen zich geen beperkingen op, zij geven menigen avond aan amusementen, die ‘bij hun stand passen’meer geld uit dan waarover een hunner zusters een maandlang te beschikken heeft, en terwijl de zusters hunne goedkoope japonnetjes zelf moeten naaien, acht de heer broeder zich te goed om losse manchetten te dragen en draagt daarvoor in plaats manchethemden, wier geregelde wassching alleen veel meer kost dan de kleedprijs der zusters kan beloopen in een jaar.

Tehuis spreekt het vanzelf dat de zusters hunne broeders bedienen, hun alles aanbrengen, voor hen heen en weer loopen, hunne kasten schoonhouden, in één woord hunne slavinnen zijn. ‘Daar zijn de vrouwen nu eenmaal voor.’

En menige moeder ziet rustig toe hoe de zoon, als hij toilet maakt of iets op te zoeken heeft, alles in de kamer van de plaats rukt en alles ondersteboven keert. ‘Net zijn papa!’ zucht zij dan.

Maar het komt niet in haar op deze gewoonte des vaders, waardoor zij toch dagelijks verdriet heeft, in den zoon te onderdrukken.

Over orde en netheid heeft de broeder zoo zijn eigen meening. Overal ligt zijne asch, zijne potloodsnippers, enz. ‘Om ze weer op te ruimen – daar zijn de vrouwen voor.’

En zoo gaat het in alles; galanterie voor huisgenooten is hem ten eenenmale vreemd. Ja, als het nu op een concert is of in een theetuin, dan moet hij – vis-à-vis het publiek – wel de gewone beleefdheden bewijzen, maar thuis stelt hij zich weer schadeloos voor deze moeite.

Dat bij ongesteldheid der moeders of zusters de zoon de noodige zorgen in acht zal nemen om hen zoo mogelijk niet te hinderen – dat moet ge niet denken.

De moeder zelf, die in haar eindelooze liefde en zelfverloochening tracht haar pijn nog te verbergen, en de zusters zijn in zijn oog maar ‘kleinzeerige sukkels,’ die al jammeren als een vinger zeer doet. Hij zal geen frisch glas water voor hen halen, geen drankje aanroeren, noch zich op andere manier nuttig maken. Da is een man onwaardig.

Een zóó opgevoede of eigenlijk niet opgevoede jonge man mag nu deugden bezitten – voor echtgenoot deugt hij niet. Als de wittebroodsweken voorbij zijn en de eerste geluksroes is verflauwd, dan wil de heer gemaal in zijn huis ‘op zijn gemak’ komen. Dat zijn vrouwtje hem dat tracht te geven, vindt hij vanzelfsprekend. Thuis was dat ook zoo. Al de kleine opmerkzaamheden, waarmede een man het hart eener vrouw zoo geheel inpakt, dat zij daarvoor groote gebreken vergeeft, vindt hij thuis onnoodig. Hij valt in al zijne gewoonten van het ouderlijk huis terug. Zijn egoïsme, dat een weinig was ingesluimerd, ontwaakt met nieuwe kracht. En het jonge vrouwtje, dat thuis met teederheid omringd was, gaat zich diep ongelukkig voelen als voor al hare liefdedienstjes, al haar kleine en groote attenties geen woord van waardeering schijnt te kunnen overschieten.

Is zij eens ziek, dan denkt hij er niet aan haar verlichting te verschaffen, maar voelt haar ziek-zijn als een beleediging van zijn persoon. En zoo ontstaan de mannen, die maar voor hun genoegen leven en geld uitgeven, zonder te vragen of vrouw en kinderen daardoor ook tekortkomen, mannen, voor wie het beste uit keuken en kelder wordt opgedragen en die aan niemand denken dan aan hun eigen Ik…. omdat ze dat nu eenmaal van jongs af gewoon zijn.

Daarom moet een moeder hen zóó opvoeden dat zij niet alleen knap en fatsoenlijk worden, maar ook beminnenswaard; – dat zij niet alleen liefde ontvangen willen, maar die ook geven; – dat ze niet alleen zullen zeggen hun vrouw lief te hebben, maar haar die liefde ook te toonen in allerlei kleinigheden; die warme koesterende liefde, waaraan iedere vrouw behoefte heeft als een bloem aan de zon.

Zonder haar kan het huwelijk wel goed zijn, o ja, zelfs voorbeeldig, maar het zonnige geluk ontbreekt, dat toch het beste nog is in den grauwen levensdag. En alleen een moeder kan dat aan een kind leeren. Egoisten worden gekweekt, niet geboren.

De zonen moeten van jongsaf zich gewennen hunnen huisgenooten aangenaam te zijn en de offers, die hun gebracht worden, moeten zij hoog waardeeren; dan zullen zij innig met hunne familie medeleven.

Een zóó opgevoede zoon wordt later ook een lieve, zorgzame en – – gelukkige echtgenoot. Want de bewering dat gelukkig maken eigenlijk gelukkig zijn is, geldt niet alleen voor de vrouw, maar ook voor den man. En in zeker opzicht zelfs nog meer voor den man dan voor de vrouw. Want een vrouw weet het hoog te schatten, wanneer haar echtgenoot dit ‘gelukkkigmaken’ verstaat; – en zij is hem daarvoor zóó dankbaar, dat hun huwelijksgeluk daardoor alleen reeds verzekerd is.

En gelukkig willen wij toch allen zijn, in de korte spanne tijds, die wij hebben te leven!

J. v. W.

Reacties uitgeschakeld voor Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Filed under Hoofdartikel

Op en om de Tennisbaan

[Rubriek ‘Vormen’, De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901]

Nu de lentezon de boomen knoppen en groenen doet en de haast zomersche hitte jong en oud naar buiten lokt, worden de tennisbanen aan Witte Brug en Bataafsche Boer wederom druk bezocht.

Als kleurige vlinders in hun luchtige voorjaarscostuums komen de clubgenooten in grooten getale neerstrijken op de grijze asphalt tennisbanen, die wijd te blikkeren liggen in ‘t fel gouden zonnelicht, en al moge voor menig oudere in jaren dit vermoeiende spel in dien schroeienden zonnegloed weinig aantrekkelijks hebben, toch wordt ‘t jaar in jaar uit door heeren, zoowel als dames, met groote animo gespeeld, ten eerste omdat ‘t gezond en opwekkend, en bovenal omdat men er zoo heerlijk vrij bij is.

Zondags al vroeg in den morgen (in de week meest na 2 uur in den middag) ziet men in de meeste hoofdstraten der residentie de jongelui te zamen komen om en club naar de tennisbaan te gaan. Enkele bevoorrechte jonge dames worden al vroeg door adorateurs aan de huisdeur afgehaald. Vroeger zouden de meeste moeders over dit ongehoord voorbijzien van de etiquette al spoedig afkeurend de hoofden bijeensteken, maar de vrijheid van ‘t lawntennisspel heeft ook dit mogelijk gemaakt. Niemand, zelfs de strengste niet, zal er nu aanmerking op maken als een jong paar gewapend met hun tennisrackets, zonder escorte van Moeder of Tante naar de tennisbaan wandelt. Niemand? Neen zeker niemand, mits ‘t jonge paar zich bedaard en fatsoenlijk gedraagt, en niet lachend en schaterend van pret met verhit gelaat en verwarde haren door de straten gaat.

Ik heb er vele zóo gezien, ‘t jonge meisje opgewonden met zwaaiende, druk gebarende armen, de jonge man nevens haar den hoed onachtzaam op ‘t achterhoofd, de racket dansend in de handen, luide pratend, alsof elk der voorbijgangers in ‘t bijzonder zijn woorden hooren moest.

Er is wel een verontschuldiging te vinden voor deze opgewonden stemming, immers een heelen middag zijn in de buitenlucht, de animo van ‘t spel de prettige verhouding der jongelui onderling, alles werkt mee tot meerdere vroolijkheid, tot een zeker sans gêne, dat al spoedig tot luidruchtigheid overslaat; toch ben ik er van overtuigd, dat zij, die ook maar een weinig hechten aan ‘t oordeel van de wereld, zullen trachten hun opgewondenheid in de stad ten minste eenigszins te kalmeeren.

Om twee uur in den namiddag, uiterlijk halfdrie, zijn de spelen meest in vollen gang. Binnen de afgesloten ruimte ziet men ‘t gefladder van zachte kleuren; jonge meisjes in lichte, eenvoudige toiletjes, (ook wel in gladden rok met blouse van batist) de jongelui in wit flanellen sportcostuum, bewegen zich vrij door elkaar, overal licht, vroolijkheid en beweging.

Gewoonlijk ziet men achterin ‘t tentje, half verscholen door ‘t beschermend rood en wit gestreepte zeil, een jong paar zitten, druk pratend, de hoofden dicht naar elkander toegebogen, nauwelijks lettend op ‘t spelen en praten der anderen. Een jong verloofd paar! denkt ge? Mis, die groote vertrouwelijkheid, dat geheel opgaan in elkander, zou u dit allicht doen vermoeden, toch vergist ge u. ‘t Is waar, hij komt haar elken dag halen, hij brengt haar telkenmale weer naar huis terug, op de club heeft hij slechts oogen voor háar, en toch, na afloop van het zomerseizoen staan de jongelui tegenover elkander nog even ver als in ‘t begin. Flirt was ‘t, niets anders dan flirtation.

Flirtation wordt des zomers op de tennisbaan beoefend met een ijver en een opgewektheid, alsof er nooit aan dit gevaarlijk spel een einde komen kon, en toch, zelden komen beide partijen ongedeerd weer uit den strijd terug. Of ‘t jonge mensch doet een huwelijksaanzoek, dat afwijzend wordt beantwoord, òf de jonge dame verwacht een vraag, die haar nimmer wordt gedaan, teleurstelling is er immer ‘t einde van.

Als een jong meisje geenerlei bedoeling heeft ten opzichte van wien ook, doet zij wèl zich niet telkens door ‘t zelfde jongemensch te laten halen en thuis brengen. Er zijn zooveel uitvluchten, die zij bedenken kan, zonder den persoon in quaestie te grieven. Den eenen keer heeft zij bijv. een afspraak gemaakt met juffrouw die of die, en als hij dien stillen wenk niet mocht begrijpen, en tóch komt om haar af te halen, kan zij met de anderen op een rij gaan loopen, ‘t zooveel mogelijk vermijdend met hem vooruit te gaan. Een ander maal, indien hij vooraf geen vergunning heeft gevraagd, zorgt zij er voor wat vroeg op pad te gaan, zoodat ‘t jonge mensch haar bij zijn aankomst reeds vertrokken vindt enz. enz.

Is ‘t jonge mensch haar echter niet onverschillig, en vindt zij zijne beleefdheden heel aangenaam, laat zij hem dan niet toonen, dat zij er blij of gestreeld mee is, en laat zij achter deze attenties vooral niet meer zoeken, dan er achter te zoeken is.

Op veel tennisclubs is ‘t een gewoonte geworden elkander bij den naam te noemen. Of dit overeenkomt met ‘t verlangen van al de jongelui, ‘t komt er niet opaan, ‘t is nu eenmaal een gebruik, en die er zich aan onttrekt wordt stijf en preutsch genoemd. Ik wil gelooven dat een verlegen jong meisje ‘t lang niet aangenaam vindt een jong mensch, dat zij ternauwernood drie à vier maal heeft ontmoet, onmiddellijk bij den naam te noemen, ‘t is daarom verkieselijker een elk hierin vrij te laten, en geenerlei pressie hoegenaamd op iemand uit te oefenen.

Sommige meisjes hebben de gewoonte na afloop, of tusschen ‘t spel door, hun dorst te gaan lesschen met thee of limonade, ‘t eene kopje thee, ‘t eene glas na ‘t andere, zonder er bij te denken, dat veel drinken de maag overlaadt, en dat de temperatuur van ‘t lichaam in plaats van te verminderen er integendeel zeer door wordt verhoogd.

“In een groote club zijn altijd clubjes,” hoorde ik eens iemand beweren, en dat is helaas maar al te waar; die sluit zich aan bij die, en die weer bij die, dat is jammer, ‘t genoegen van ‘t spel wordt er niet grooter om. Ik voor mij ben er van overtuigd, dat clubs die nú niet langer, dan éen seizoen kunnen bestaan, heel wat langer zouden leven, als er wat minder gecritiseerd, wat meer gewaardeerd en over ‘t algemeen wat meer gegeven en genomen werd.

Den Haag, Mei 1901.

SYLVIA REGINA

Een tennisgezelschap van dames en heren, Nederland 1911 (Geheugen van Nederland, Spaarnestad Photo)

Een tennisgezelschap van dames en heren, Nederland 1911 (Geheugen van Nederland, Spaarnestad Photo)

Suzanne Lenglen, tennissspeelster uit Frankrijk, begin twintigste eeuw

Suzanne Lenglen, tennissspeelster uit Frankrijk, begin twintigste eeuw. Naar haar is de trofee van het vrouwentournooi van Roland Garros genoemd en een tennisbaan op Roland Garros heet Court Suzanne-Lenglen.

Reacties uitgeschakeld voor Op en om de Tennisbaan

Filed under Vormen