In De Hollandsche Lelie van 4 juli 1900 vinden we een triest verhaal over een klein, ziekelijk jongetje: Teunis. De titel is ‘t “Krommertje”…  en het is geschreven door ‘Far Away’. Net als later W.G. van de Hulst is deze auteur niet zuinig met puntjes….

Ze bedoelden er heelemaal geen scheldnaam mee, als ze hem zoo noemden – ‘t was nu eenmaal zoo’n gewoonte geworden en de luitjes van de Heihoef zeiden het immers zelf ook….
Op de Heihoef…. daar hoorde hij thuis. No. 13 uit het groote, flinke gezin van Krijn Harms, allemaal zulke forsche, sterke, kerngezonde jonge menschen met stevig gespierde armen, die ze wàt goed wisten te gebruiken. Ze stonden er in den heelen omtrek voor bekend en, van vader op zoon, altijd weer was ‘t zoo’n punt van glorie geweest….
Toen was hij geboren. Teunis, een ziekelijk, gedrochtelijk klein wezentje met een fijn, huilerig stemmetje en flauwe, matgrijze oogjes….
Ze had ‘t eerst niet willen gelooven, de dikke, bazige boerin, dat dat háár kind kon zijn…. en Krijn had, dagen achtereen, niet anders gedaan dan, al grommend dikke tabakspruimen stoppen in den breeden, vierkant-gevormden mond…. het bloed bruiste hem door de aderen bij de gedachte dat zulk een wurm kon voortkomen uit hun geslacht….
Zoo groeide hij op, niet meegeteld eigenlijk, als hoorde hij er maar half bij, als schaamden ze zich allen over zooveel ziekelijke zwakheid te midden van al die in-gezonden…. Nooit werd er over hem gesproken dan met zekere meewarige minachting – en hij, met het diep en fijn voelen, eigen aan zwakke, stille naturen, hij had het, als vanzelf, gevoeld, begrepen, hoe er eigenlijk niemand was, die veel om hem gaf, niemand die met belangstelling naar hem omzag….
Eens had hij zijne moeder eene vreemde stadsdame horen antwoorden:
“Twaalf keinders, en zoo flink en stark allemoal, en dan ook nog ‘t krommertje….”
Hij wist niet precies waarom…. maar ‘t was hem bijgebleven, nog heel, héél lang naderhand; telkens had hij er over moeten denken…. en eindelijk, eindelijk was hij ‘t gaan beseffen, hoe ze zich voor hem schaamden, omdat hij zoo teer en zoo zwak was….
Toen had hij geschreid, heel lang achtereen, tot hij eindelijk van moeheid in slaap was gevallen….
….Hij sukkelde veel, meest pijn in dat arme, kromme ruggetje en dan ook wel zulke lange hoestbuien, dat hij er zoo heel benauwd van werd…. Soms haalden ze dan den dokter wel… Zwakte, zei die dan hoofdschuddend, goed eten en veel de lucht in,…. meestal echter lieten ze ‘t maar op z’n beloop, vader mopperde dan toch ook altijd maar weer over al dat geld aan den dokter…. waar was ‘t voor noodig…. ‘t kind klaagde immers nooit, dus zoo héél erg was ‘t toch niet met hem….
Neen, klagen deed hij nooit, ‘t was zoo’n stil, inzichzelf gekeerd kind, met een vaag besef van teveel-zijn in het druk-bedrijvig boerenleven, waar ieder zijn werk had…. Vader en de jongens altijd op ‘t land, en moeder almaar doende over de koperen potten en pannen aan den keukenmuur en het ouderwets-groote mahoniehouten kabinet in de pronkkamer, alles wedijverend in glimmende netheid…. dat was háár trots, zoo’n mooie, groote, welvarende boerderij waar alles van zindelijkheid je tegenblonk…. dat nam meest háár gedachten in beslag…. en soms, als er een oogenblikje over was, dan keek ze eens om naar ‘t kind. “Zoo’n wurmsel toch,” mompelde ze dan al zuchtend en hoofdschuddend: “je hadt er eigenlijk nooit spul mee, zoo’n zacht, gedwee schaap, dat altijd met zulke groote oogen voor zich uit zat te staren”…. dikwijls ook was hij in ‘t heele huis niet te vinden, maar ze wisten ‘t wel, hoe hij dan in de hooischelf lag, waar het zoo lekker koesterend warm was, met al dat zachte, fijne hooi om hem heen, en hij in een diep kuiltje daar midden in….
Dáár waren ‘t eigenlijk zijn rustigste, gelukkigste uurtjes, daar was ‘t, dat dat heerlijk rustige, veilige gevoel over hem kwam, een gevoel, dat hij nooit had te midden van al zijn broers en zusters, die geheel opgingen in dat drukke, bezige boerenbedrijf, waar hij zoo pijnlijk besefte zijn zwakte, zijn anders-zijn dan anderen….
Dan lag hij, half soezerig luisterend naar het zoemen en gonzen der insecten, te peinzen over zooveel, zooveel dingen, die in zijn kinderbol opkwamen, zonder dat hij er het “waarom” van kon bevatten, dat hij telkens weer moe van ‘t denken, in slaap dommelde en droomde…. droomde zijn heerlijk-reine kinderdroomen…. Eens had hij gedroomd van den Hemel, waar hij wist, dat alle goede menschen en kindertjes eenmaal heengingen….: dat was geweest, toen dominee eens bij hen was gekomen, en zoo mooi gesproken had…. Heelemaal onder den indruk was hij weggeslopen, naar zijn lievelingsplekje, met ‘t groote verlangen in zijn hartje naar méér, meer te hooren…. en voor ‘t eerst kwam ‘t in hem op, waarom hij toch nooit op Zondag mee naar de kerk mocht, hij was nu toch al oud genoeg…. bijna negen jaar….
“Jij mee…. jij….” was vaders antwoord met een minachtend schoudergebaar, toen hij er dien avond om vroeg….
Teun zag hem met zijn peinzende droom-oogen na, de zware spa over den breeden schouder, de deel af, en ‘t landpad opgaan….
“Ze willen me niet mee hebben…. Ze schamen zich over mijn krommen rug,” had hij gesnikt in een plotseling begrijpen….
‘t Was immers juist vaders trots om met zijn flinke, knappe vrouw en al die sterke echte boerenkinderen, allen in hun beste pakken, de statig-breede kerklaan door te gaan, ‘t hoofd rechtop, zich voelend, beseffend dat iedereen hen benijdend nakeek, de rijke boer van de Heihoef, wien ‘t met alles altijd zoo voor den wind ging….
…. Na dien tijd was ‘t “Krommertje” Zondagsochtends als de klokken zoo heel mooi en plechtig begonnen te luiden, weergalmend over heel het stille landschap, altijd maar stilletjes naar de hooischelf geslopen…. dan lag hij vol eerbied te luisteren naar die klokketonen. Wat klonk dat toch mooi. ‘t Was net of ‘t die stem van God was, die zei, dat ze dien dag niet hoefden te werken…. dat ‘t rustdag was…. dat ze naar de kerk moesten om Hem te bidden….
Wat was eigenlijk bidden?…. hij wist ‘t niet…. niemand had ‘t hem ooit geleerd…. vragen durfde hij ‘t niet – ze noemden hem toch al zoo vaak “een suffer”, al die broers en zusjes van hem, die ‘t liefst maar holden en draafden en lachten….
“Och, laat ‘t schaop toch mit vreê!” kwam moeder dan meewarig tusschenbeide, af en toe toch wel een beetje ongerust over dat al bleeker wordend gezichtje….
Toen, tegen het najaar, kwam er een dag, waarop hij zelfs zijn lievelingsplekje niet kon bereiken…. Jaap werd uit school om den dokter gestuurd en toen deze kwam werd er over ‘t ziekenhuis gesproken in de stad….
Hij zou er heel gauw beter worden, troostte dokter goedig, hem streelend over het vlasblonde stoppelhaar…. en Teun, te ziek om zich blij of verdrietig te maken, liet zich gehoorzaam in een deken wikkelen…. toen reden ze weg, in den rammelenden Utrechtschen tentwagen, waar vader op marktdagen altijd mee ging….
Ze hielden er veel van hem, zoo’n stil, tevreden kind, vonden de zusters; heelemaal niet huilerig, zooals de meeste kinderen in ‘t begin; en zoo dankbaar en gelukkig als je eens naar hem omkeek en hem liefkoosde….
“Zeker niet veel gewend, thuis,” meende er één meelijdend.
“Ze komen ook haast nooit bij hem, die stakker,” kwam een ander.
‘t Was waar – aan zijn kribje zat haast nooit iemand op de, anders zoo druk bezochte bezoekdagen; maar hij was er nooit verdrietig om, hij scheen het nauwlijks te missen….
Hij voelde er zich ook heelemaal niet vreemd – eigenlijk nog veel minder dan thuis, op de Heihoef, waar hij telkens weer zoo heel sterk het groote contrast voelde tusschen zijn gezonde broers en zusters en zichzelf, waar eigenlijk geen mensch was, die ‘t heel precies met hem meevoelde, hoe vreeselijk het was, zoo weinig te kunnen méédoen met anderen, en beschaamd te worden als één, die te véél was….
Hier was ‘t heel anders – ze waren allemaal even goed en lief voor hem, al die juffrouwen met witte schorten en mutsjes…. en wat was ‘t grappig, al die andere kinderen, die ook allen iets scheelden…. Aan alle kanten van de zaal stonden kribjes en in al die kribjes zaten of lagen bleeke kindertjes… Wonderlijk! ‘t was net of ‘t hier lang niet zoo naar was om wat te schelen als thuis…. op die groote boerderij met allemaal gezonde boerenkinderen….
Vlak naast hem, aan den rechterkant, lag een klein meisje: die kwam 2 dagen later dan hij en toen hij haar zoo erbarmelijk zag schreien, had hij haar, goedig, het mooiste stuk speelgoed toegestoken dat op zijn bedje lag…. Hij moest haar immers troosten….
Eerst had ze niets van hem willen weten, hem knorrig opzij geduwd, maar hij, volstrekt niet ontmoedigd, had ‘t nog eens geprobeerd en nog eens…. en eindelijk was de verleiding haar te machtig geworden. Ze had gelachen, door haar tranen heen, en toen waren ze samen aan ‘t spelen gegaan; een piepend schaapje dat met grappig-haastige beweginkjes der houterige pootjes over de speelplank heen, van Teun naar Annetje en van Annetje naar Teun moest marcheeren….
Van dien dag af was ‘t eene onverbreekbare vriendschap – geen mensch, die er aan dacht, hen te scheiden; ze zouden niet meer buiten elkaar kunnen, lachten de zusters, die er plezier in hadden, als hij, als oudste, zich verplicht gevoelde tegenover de anderen altijd háár partij te trekken, háár te beschermen en te verdedigen…. altijd ook kreeg zij de helft van zijn lekkers, ‘t beste partje was altijd voor háár…. dat was zoo heel natuurlijk, vond hij…. ‘t was immers zijn vriendinnetje….
“Houd je veel van Annetje?” vroegen de zusters hem soms, alleen maar om hem, telkens weer met iets heel ernstigs en plechtigs in zijn peinzend kindergezichtje te hooren antwoorden:
“Zóóveel, – zóó verschrikkelijk veel…. as…. as van alle andere menschen met mekaar…. en weet je”…. al fluisterend als een diep geheim, “as…. as ik heelemaal beter ben en zoo heel groot en veel geld verdien, dan…. dan ga ik met ‘er trouwen…. en dan moet ze ‘n mooie japon aan, nog veel mooier dan de koningin er één heeft….”
De zusters glimlachten dan weemoedig… de gedachte dat ze nooit één van beiden zoo ver zouden komen, scheen in dat illusie-volle kinderhoofdje niet op te komen… en ze waren er dankbaar voor.
Soms, in een heel vertrouwelijke bui, sprak hij er wel met Annetje over, op een heel geheimzinnig fluistertoontje, een beetje schuw om zich heen ziende of geen der andere kinderen hen beluisterden… en zij dan, met een overgelukkig en stralend gezichtje deel dan maar niets anders dan knikken, en hem aanzien met groote, verwonderde oogen.
Ze had zoo’n beetje ‘t gevoel van tegen-hem-opzien, dat kon je aan alles merken – met het lief-aanhankelijke harer zachte natuur vond ze ‘t heerlijk door hem beschermd en geholpen te worden. Verder dacht ze nog niet, alleen wist ze, dat ze veel, heel veel van hem hield, en ‘t heerlijk vond, dat hij naast haar lag.
Maar toen, in ‘t hartje van den zomer, toen kwam er een dag, waarop Annetje haar kleinen vriend moest afstaan. Hij mocht nu loopen, in een gipsverband, en de dokter had gezegd, of hij ‘t niet heerlijk zou vinden, weer naar huis terug te mogen, hij was nu zóó-veel beter.
Hij had maar niet geantwoord, want “neen” zeggen durfde hij niet… en toch… toch… van Annetje weg, Annetje alleen laten en haar misschien in een heel, heel langen tijd niet terugzien… en dan weer op de Heihoef, waar ze hem weer minachtend “‘t Krommertje” zouden noemen.
Tranen waren hem in de ogen gesprongen, en ‘s avonds, toen ze allemaal sliepen, had hij moeten schreien, zóó hard en zóó lang dat eindelijk “zuster” zich over hem had gebogen, vol deelneming vragend, waar hij dan toch zoo’n pijn had; maar verdrietig had hij van neen geschud, zonder iets meer te zeggen en eindelijk was hij ingedommeld, al droomend, van Annetje, die meeging naar de Heihoef, die altijd mèt hem lag in de hooischelf, en o zoo boos werd, als ze hoorde hoe de anderen hem “Krommertje” noemden.
Een paar dagen later was vader gekomen met het Utrechtsche wagentje, net als toen hij kwam bijna een jaar geleden.
Hij had zijn best gedaan, o, zoo erg, om niet te schreien, en hij hàd het ook niet gedaan, maar wèl had alles hem voor de oogen geschemerd, net of er een waas lag, over al wat hij zag, en eindelijk, toen hij iedereen had goedendag gezegd, toen hij Annetje wel tienmaal had omhelsd en verzekerd, haar nooit, nooit te zullen vergeten en haar later, als hij groot was, te komen halen, toen hij alle zusters had gekust en goed en wel in ‘t echt-plattelands karretje zat… eindelijk toen had hij wel moeten schreien… en toch… toen eindelijk het vuurrood pannendak van de Heihoef en daarnaast het laag neerhangende strooien dak der schuur in ‘t gezicht kwamen, toen hij zooveel terugzag van wat hem lief en dierbaar was, ook de heerlijke welgevulde hooischelf… toen kwam er toch eene trilling van blijdschap over hem, dat prettige gevoel dat ons bevangt, bij het wedervinden van vele dierbare, van ouds bekende dingen, die ons in den loop der tijden, werden tot even zoovele vrienden.
Moeder stond in de open deeldeur, in haar mooie, Zondagsche japon, en Kees, de oude, trouwe herdershond, rende met eene wonderlijke snelheid, die men van zijne afgeleefde platte pooten niet meer zou hebben verwacht, het wagentje tegemoet, al maar vroolijk keffende, als wist hij dat er iets bijzonders was.
Hij was wel veel flinker en sterker nu, vond moeder; “je had nu ook wel wat meer an ’em,” maar toch – “‘t Krommertje”  was en bleef hij, en altijd weer ook kwam dat gevoel in hem van misplaatst-zijn, hier bij al die sterke, gezonde menschen, die in zeker minachtend niet-begrijpen neerzagen op zijn zwakte… De hooischelf, waar geen mensch ooit kwam, was steeds nog zijn liefste plekje, dáár lag hij met groote peinsoogen te staren naar ‘t strak-blauwe der lucht, al droomend… van háar natuurlijk.
Zou ze nu misschien óók thuis zijn? bij haar moesje, waar ze altijd zoo naar had verlangd? Dan zou hij haar zeker wel nooit terugzien, hij wist immers niet eens waar ze woonde, en zij was natuurlijk nog veel te zwak om naar hem toe te komen. Maar later… ja…. later…. als ze allebei groot waren……………..
“Teun…. zeg…. Teuntje…. waar zit je nou toch weer…. T-eu-n….”
“Ja….aa?” komt hij, half soezerig nog.
“Teun, kiek’ reis, een pakkie het de bode van stad veur je met ‘ebracht….”
“‘n Pakkie….?” in eens opspringend, zoo gauw zijn zieke rug en been hem dat veroorloven en gretig het pakje grijpend…. als…. als…. als het eens van Annetje was….?
“Wat is ‘t?” vraagt Jaap brandend van nieuwsgierigheid, maar Teuntje hoort niets. Zoo gauw als hij maar kan met zijn schat het geliefde plekje weer opzoekend, om het dáár, heelemaal alleen, uit te pakken.
Plof! daar ligt hij weer, precies op ‘t zelfde plekje als straks, nu gauw kijken, hij is toch zóó nieuwsgierig, en zenuwachtig wurmt hij aan ‘t touwtje…. Dat is nog nooit gebeurd…. een pakje, heelemaal alleen voor hem…. met zijn eigen naam er bovenop….
“Aan Teun Harms op de Heihoef”….
Ziezoo…. eindelijk…. nu is ‘t open, ‘t kartonnen doosje, en voorzichtig haalt hij er een grooten, heel duidelijk geschreven brief uit, en daarna een blauw en geel gevlochten matje…. van Annetje natuurlijk, voor hem…. Wat keurig, hè? Zoo netjes gelijk, allemaal kleine vierkante blokjes van blauw en geel, telkens verspringend….
Wat een boel dagen heeft ze daaraan moeten werken…. hij zou ‘t niet zoo netjes kunnen…. maar ‘t was ook eigenlijk geen jongenswerk….
….Nu de brief…. die zou zuster wel geschreven hebben…. zij kon dat nog niet heel goed….
Wat ‘n duidelijke letters, hij kon ‘t heerlijk alleen lezen….
En hij begon, half hardop spellend nog de langere woorden. Toen, in eens barst hij in een hartstochtelijk snikken uit…. Drie-, viermaal heeft hij het moeten overlezen, alvorens het te kunnen en te willen gelooven,…. en telkens nog meent hij dat hij zich vergist, dat hij verkeerd leest….
Naar den Hemel gaan…. dat is immers dood-zijn, heelemaal stil en koud liggen, zooals hij wel eens in ‘t ziekenhuis van had gehoord?….
Kon ‘t, kòn ‘t waarheid zijn? waarheid, dat ook zij nu zóó lag, zoo heelemaal stil met gesloten oogjes…. dat hij haar nooit meer terug zou zien…. nooit, nooit meer?….
Tòch stond het er, heel duidelijk… ‘t moèst wel zoo zijn….
“Arm Teuntje, mijn beste vent, weet je wel, hoe gelukkig kindertjes zijn die naar den Hemel gaan? hoe ze dan bij God komen, die hen zoo heel, heel lief heeft, en ze zulke lieve Engeltjes worden? Zoo gelukkig is je kleine vriendinnetje nu, mijn beste jongen; ze heeft nu geen pijn meer en is heel, heel gelukkig, veel gelukkiger dan ze hier in haar bedje was…. Dit vlechtmatje heeft ze heelemaal alleen voor jou gemaakt toen je pas weg was; zuster stuurt het je nu maar, omdat ze weet hoeveel je van Anneke hebt gehouden….”
“Dood dus…. dood….” snikte hij wanhopig met ‘t gezicht voorover in ‘t warm-zachte hooi…. “nou zie ik er nooit meer terug…. nooit meer…. nooit meer…., en ‘k hield toch zóóveel van er….”
En plotseling is ‘t in zijn teedere, liefdevolle kinderziel als wordt ‘t alles duister om hem heen…. als eene groote , wijde, holle leegte, die daar plotseling komt…. hij beseft het in eens heel duidelijk, hoe het eenige, dat hij eigenlijk oprecht lief had gehad, de eenige, voor wie hij niet te véél, niet no. 13 was geweest, hem was ontvallen…. hoe hij weer heelemaal alléén stond, – net als vroeger….
En wild schreiend, met hartstochtelijke snikken wentelt hij zich om en om in ‘t zacht-geurende hooi dat, als troostend, hem omsluit, den brief, bevlekt door tranen vóór hem, ‘t vlechtmatje in ‘t geopende postpapierdoosje er naast…. en terwijl de dorpsklok zachtkens en plechtig haar avondzang aanheft, haar vriendelijk-zachte tonen wègzendend tot ver over ‘t stil-vredig landschap, strijdt daar een jong en eenzaam menschenkind den eersten, wellicht den moeilijksten strijd zijn levens…. zonder één die hem begrijpt, alléén,…. heelemaal alléén …………………..