Tag Archives: huishouden

Opruimen rond 1900

Het lijkt wel of op dit moment heel Nederland aan het opruimen of schoonmaken is – of in ieder geval plannen in die richting heeft. Zelfhulpboeken als Opgeruimd! van Marie Kondo en Het Grote Poetsboek van Diet Groothuis liggen op grote stapels in de winkels. Dat is niet alleen iets van deze tijd; ook aan het eind van de negentiende eeuw werden er al praktische tips gegeven om het huis aan kant te krijgen, én te houden.

In De Hollandsche Lelie van 27 juni 1894 vinden we bijvoorbeeld een bijdrage van ‘Huismoeder’ onder de titel ‘Je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt’:

‘Mijne grootmoeder was gewoon, eer zij zich voor hare dagelijksche avondwandeling mij klaarmaakte, iedere kleine wanordelijkheid in haar voorbeeldig ingericht huishouden op te ruimen; spoorde ik haar dan soms in jeugdig ongeduld aan om te vertrekken, dan antwoordde zij altijd: “kind, je weet wel hoe je heengaat, maar niet hoe je terugkomt.”

Het nut van deze gewoonte kon ik toen volstrekt niet inzien: Het leek mij zeer onwaarschijnlijk dat wij – zooals de oude vrouw zeide – op onze eenvoudige wandeling een ongeluk krijgen of met vreemden terugkomen zouden. Zonder grootmoedertjes dikwijls herhaalde vermaning zou ik meer dan eens een begonnen handwerk of kleedingstuk hebben laten liggen, een kastdeur open laten staan of het tafelkleed scheef laten hangen. Nu rust de goede vrouw reeds lang in de koele aarde en ik ben vrouw en moeder, maar iedere kleine eigenaardigheid der oude vrouw is, evenals zoo menige gewoonte, die haar eigen was, op mij overgegaan.

Daar wij geen tuin hebben, ga ik minstens éénmaal per dag met mijne kinderen wandelen. Dat veroorzaakt door de stoornis in het werk waaraan ik bezig ben en het haastige aankleden der kinderen talrijke wanordelijkheden. Maar alles wordt vlug opgeruimd, want het is mij onmogelijk iets te laten liggen. Ontmoet ik onderweg lieve familieleden of bekenden dan kan ik hen rustig mee naar huis nemen zonder het pijnlijk gevoel te hebben, hen in een wanordelijke kamer te moeten brengen.

Komt, wanneer ik afwezig ben, mijn man op een ongewoon uur thuis, dan verheugen wij ons beiden, dat hij alles in de beste orde vindt.

Geheel afgezien van vreemde bezoeken, is het voor eene huisvrouw veel aangenamer in een net huishouden terug te komen, dan dat zij alles overhoop vindt en, vermoeid van de wandeling, alles nog opruimen moet.’

Reacties uitgeschakeld voor Opruimen rond 1900

Filed under Dagelijksleven

Koffie zetten

[In De Hollandsche Lelie van 9 september 1896]

Menige klacht van goede kennissen over hunne koffie heb ik, door mededeeling dezer bereidingswijze, die een smakelijken drank oplevert, tot mijn genoegen reeds dikwijls uit den weg geruimd.

Ik koop altijd rauwe koffie, die ik sorteer en zelf brand. Sedert jaren gebruik ik denk koffiebrander uit ijzeren cilinders bestaande, die over de geheele lengte door een spiritusvlam verhit worden; een half kilo heeft 10-20 minuten noodig; de koperen kogels, die slechts even verhit worden, drie kwartier.

In ‘t begin moet langzaam, maar zoodra de koffie donkerder wordt, moet sneller gedraaid worden. Wij mogen geen blauwen rook waarnemen en oppassen dat de boonen niet knappen.

Is nu de kleur geelbruin en de boon gemakkelijk breekbaar, dan moet de koffie zoo gauw mogelijk in steenen of porceleinen schotels gedaan worden.

Nu moeten de boonen beginnen te zweeten; was dit reeds eerder het geval, dan zij zij te sterk gebrand en zal de koffie scherp en bitter smaken; wordt ze te weinig gebrand, dan behoudt ze een onaangenamen, rauwen smaak.

Onder behoorlijk omschudden wordt, na verdamping, de koffie toegedekt en geheel afgekoeld in bussen bewaard. Het best en smakelijkst is een mengsel, van verschillende soorten: b.v. Java, half Mokka, of half Menado (deze het best zeer oude; ze is dan groot, roodachtig, en wormstekig, het kenteeken voor koffiekenners,) ook Ceylonkoffie alleen of een mengsel van Santos met Guatemala koffie.

Groene koffie alleen is scherp zuurachtig van smaak; de gele is flauw, maar een mengsel van verschillende  soorten geeft den echten koffiesmaak. Betere soorten leveren meer uit dan slechte; zuinigdheidshalve behoeft men waarlijk geen goedkoopere soorten te drinken, en het is niet mogelijk met de beste suikerij een geurige aangename koffie te bereiden.

In de eerste plaats moet nu voor een regelmatig, fijn malenden molen gezorgd worden; het is dwaasheid en verkwisting om van grove korrels koffie te zetten; de mijne is altijd zoo fijn als tafelzout. Van oud, afgekookt, zoogenaamd koffiedik kan nooit een smakelijke koffie bereid worden; zij smaakt altijd als ware zij opgewarmd; bovendien bekomt zij slecht, daar men er een opgeblazen gevoel na krijgt. Hoe frisscher het water, des te meer lucht en koolzuur het bevat. Het water uit de kraan laat ik eenigen tijd wegloopen, en kook nu frisch water.

De koffiekan en filtreer beide moeten van te voren met kokend water worden uitgespoeld en daarna goed afgedroogd. Nu kan eindelijk de koffie, 8 gram voor één kop, in het filtreer gedaan worden en men laat de koffie filtreeren. De tuit sluiten wij met een prop papier af, om te verhinderen dat het aroma vervliegt. Het water moet bepaald goed gekookt hebben, anders zou de koffie niet smakelijk zijn.

Verder moet de handbeweging bij het overgieten flink en krachtig wezen, en er moet niet eerder ander water bijgedaan, vóór alles is weggeloopen; schudden veroorzaakt verlies van kracht en mooie kleur en moet dus nagelaten worden! De temperatuur van het water in de kastrol moet op het kookpunt blijven, doch het mag nooit koken; men verwijdere het dan direct. Droge verwarmingstoestellen leveren nooit een zoo voortreffelijken drank, als deze apparaten.

Wat schenken onze beminnelijke huismoeders uit zilveren kannen vaak onsmakelijke lauwe koffie en wat erger is, soms vergiftige aftreksels!

De op bovenstaande, zorgvuldige manier bereide koffie, kan desnoods, zonder onaangemaan van smaak te worden, 15-20 minuten in het zoogenaamde waterbad blijven staan; integendeel smaakt ze er beter door, omdat de fijne olie na het laatste opschenken zich volkomen afscheidt.

Aardappeleters

De aardappeleters’ van Vincent van Gogh (1885): hier wordt ook koffie geschonken.

Nu nog die gewichtige factoren bij een smakelijke kop koffie! Om den smaak te kunnen beoordeelen zou men ze zonder melk moeten drinken; bij goede koffie moet alleen room gebruikt worden. Melk en room moeten vooral gekookt worden, anders bederft zelfs de beste koffie. Door de melk vooraf te kloppen, ontstaat er een mooi, dicht schuim ls geslagen room, dat er heel smakelijk uitziet; door den klopper tusschen de vlakke hand snel heen en weer te bewegen wordt dit verkregen. Is de geslagen room klaar, en zijn de gasten er nog niet, dan kan de klopper er gerust in blijven staan; men gebruikt hem maar weer eens, om te voorkomen dat er een vlies opkomt. Bij het kloppen mag de kan niet te vol zijn, maar een gedeelte mag zoolang in een anderen pot gedaan worden tot naderhand het schuim klaar is, en er bijgegoten wordt; het schuim komt dan boven. Voor het inschenken behooren de kopjes zacht verwarmd te worden. Ik zelf heb met machines van verschillende naties de proef genomen, en ben overtuigd dat bovengenoemde manier verreweg de beste is. Bij groote haast is het Weenertoestel wel aan te bevelen, doch liefst van porcelein, omdat bij het staan dan geen metaalsmaak ontstaat.

Zoogenaamde Russische machines zijn ook wel goed, maar leveren niet zulk een goede koffie als genoemde, omdat ze de koffie kracht ontnemen.

Goede wil en oefening zullen rijkelijk beloonen!

Ideaal en praktijk.

 

Reacties uitgeschakeld voor Koffie zetten

Filed under Dagelijksleven

Wereldtentoonstelling 1900

De Exposition Universelle van 1900 was een wereldtentoonstelling die werd gehouden in Parijs, ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Ook werden de nieuwe ontwikkelingen van de volgende eeuw gepromoot.

Overzicht van de Exposition  Universelle

Overzicht van de Exposition Universelle

De tentoonstelling duurde van 15 april tot 12 november 1900 en maar liefst vijftig miljoen mensen bezochten het evenement. Enkele van Parijs bekendste gebouwen werden speciaal hiervoor gebouwd, waaronder treinstations, le grand Palais en de Pont Alexandre III (net als de Eiffeltoren 11 jaar eerder tijdens een vorige wereldtentoonstelling). De Parijse metro werd tijdens de tentoonstelling in gebruik genomen: op 19 juli 1900 werd lijn 1 geopend tussen Porte Maillot en Porte de Vincennes. Deel van de tentoonstelling waren de Olympische Zomerspelen 1900, die over een periode van vijf maanden plaatsvonden. Hier namen voor de eerste keer vrouwen aan deel.

Tijdens de expo werden voor het eerst films met geluid gepresenteerd (opnames van opera en ballet). Ook de roltrap beleefde er zijn première. Art nouveau was de alom aanwezige stijl.Het is mogelijk om bewegende beelden van deze wereldtentoonstelling te bekijken: Thomas Edison inc. maakte een serie filmpjes, waarvan een compilatie te vinden is op Youtube.

wereldtentoonstelling parijs 1900De Hollandsche Lelie besteedde ruim aandacht aan deze wereldtentoonstelling. In een serie van drie artikelen ‘Een praatje over de Parijsche Wereldtentoonstelling’ (‘Uit het Duitsch van Clara von Studnitz door A.Z. – Gezien met het oog van een Duitsche dame’; 29 augustus, 5 en 12 september) wordt gedetailleerd verslag gedaan van een veertiendaagse reis, georganiseerd door een Berlijns reisbureau. De auteur schrijft vooral over praktische zaken: “Aangezien alle couranten sedert maanden berichten over de Parijsche wereldtentoonstelling bevatten, komt ‘t mij natuurlijk niet in den zin, hier een beschrijving daarvan te geven. Zooeven van Parijs teruggekeerd, zou ik echter gaarne mijn geachten lezeressen eenige praktische wenken geven, waartoe ik door eigen ervaring in staat ben, en tevens de indrukken schilderen, die ik in de afgeloopen weken ontving.” Een aantal fragmenten:

“Daar bij deze veertiendaagsche rondreis slechts handbagage veroorloofd is, komt het er, vooral voor ons dames, bijzonder op aan rijpelijk te overwegen, wat er meegenomen moet worden. Te veel kleeren is lastig, te weinig toiletten heeft ook zijn schaduwzijden. Het is daarom het verstandigst, een donker kostuum van fijne wollen stof te nemen, bestaande uit rok, figaro, jaquet (‘t welk ingepakt wordt) en katoenen blouwe, benevens een stofmantel. Bovendien zijn nu in den zomer in het warme Parijs een katoenen japon, zoowel als een elegant licht toiletje en eenige zijden blouses zeer aangenaam. Ook doet men goed, op reis een zach vilten hoed op te zetten en een gekleeden mede te nemen, die men echter niet in een lastige doos, maar in een grooten papieren- of gummizak in ‘t net moet bewaren. Een gullen of foulard zijden japon is voor het bezoeken der Groote Opera bijzonder aan te bevelen, wijl het daar zeer warm is.”

“Minder gekleed dan in de Opera, kan men in de andere theaters verschijnen, b.v. in het theater, dat aan de beroemde Sara Bernhardt behoort, en waarin zij reeds gedurende de geheele tentoonstelling dagelijks in het stuk ‘l’Aiglon’ optreedt.”

“In het kleine theater van Sarah Bernhardt is ‘t echter zeer warm, zoodat men verstandig doet zich daarvoor zoo dun mogelijk te kleeden. Men wachte er zich echter voor, aan een zich in de nabijheid der loges bevindend buffet, in dit of in een ander Parijsch theater, een verversching te nemen. Wij moesten n.l. de in wit atlas en valsche edelstenden prijkende Hebe, twee francs voor een flesch Selzerwater betalen! Zooals wij later hoorden, moeten deze ‘dames’ zelf groote sommen voor de door haar geleverde dranken geven; het hangt echter geheel van haar af, hoeveel zij den niets kwaads vermoedenden vreemdeling daarvoor willen afzetten.

Ook lette men bij ‘t wisselen van geld nauwkeurig op de munten, welke men ontvangt. Er wordt n.l. gedurende de tentoonstelling op groote schaal handel gedreven in looden francstukken, zoowel als in Belgische en Zwitsersche pasmunt, welke in Frankrijk geen waarde heeft. Men wachte er zich daarom voor, francstukken aan te nemen, waarop een zittende Helvetia is afgebeeld.”

paris 1900Na opmerkingen over prijzen van hotels, kosten van consumpties in café’s, de drukte van het verkeer en de veiligheid op straat: “Met minder lof kan ik spreken over de reinheid der straten in Parijs, terwijl die in Brussel mij zeer aangenaam aandeed.” […] “Ja, de reinheid! Nergens zal de Duitsche huisvrouw die met meer smart missen, dan in de Parijsche marktlokalen. Wel is ‘t geen wonder, dat onze lokalen, die veel later ontstaan zijn dan de Parijsche, ook veel mooier en ruimer gebouwd werden, maar waarom een overigens zeer prijzenswaardige politie er niet voor zorgt, dat de voorbijganger b.v. Zondags om twaalf uur, niet over stroo, ja zelfs over visschenkoppen struikelen moet, zooals dat ons gebeurd is, is mij onbegrijpelijk!”

“Met even weinig lof kan ik over de Fransche wagons spreken. Wij spoorden in den nacht van Brussel naar Parijs. Zoo’n nachtreis 2e klasse echter doet iemand, ronduit gezegd, de haren te berge reizen! Stoffige afdeelingen, die slecht van kussens voorzien zijn, rondvliegende motten, achter personen, en daarbij geen ‘geriefelijkheid’- hu! Men reize daarom, wanneer men ‘t zich, wat zijn middelen betreft, eenigszins veroorloven kan, dit eind 1e klasse, die niet zoo overvol en vrijwel even goed als onze 2e klasse is.”

“Nergens kan men de rijkunst der koetsiers beter opmerken, dan in de Champs Elysées. Hier toch rijden dikwijls acht, soms zelfs tien rijen wagens naast elkander! Daar zijn geen tramrails; de behoefte daaraan schijnt niet zeer dringend te zijn, daar een groot deel der Parijsche bevolking welgesteld genoeg is, om in een droschke of zelfs in eigen equipage naar ‘t meer of naar de Long-champs-wedrennen te rijden. Daartusschen fietsen heeren en dames; de laatsten, zooals wij opmerkten bijna allen in wijde broeken. Er zijn geen straten, die voor fietsrijders verboden zijn, en toch schijnen er merkwaardig weinig ongelukken te gebeuren. De bekwaamheid der fietsreijders viel mij ook in ‘t bijzonder in Brussel op, waar de steil afhellende straten voortdurend druk door fietsrijders bereden worden.

Tot de Parijsche straat-eigenaardigheden behooren, naast de vele wagens, in de eerste plaats de krantenverkoopers, die op zingenden toon La Presse en andere bladen te koop  aanbieden. De krantenverkoop bepaalt zich hier, geheel anders dan bij ons, alleen tot de straat; want in Parijs kan men aan ‘t postkantoor geen abonnementen op kranten sluiten, en evenmin gaat de courantenvrouw de huizen langs.

Wie, voor een van de café’s zittend, de voorbijgangers opneemt, zal opmerken, dat de Parisienne zeer dikwijls in ‘t zwart gekleed is. Zij weet haar rok met bevalligheid op te nemen en de zich daaronder bevindende bontzijden onderrok, zoowel als de kleine elegant geschoeide voetjes tot hun recht te doen komen. Vele Françaises dragen echter ook nu in de warme Augustusdagen bekoorlijke kostuums van crêpe chiffon, die er uit zien, alsof ze uit was en kant geweven zijn; de boa, een dikke halsruche van zwarte en witte tule, ontbreekt nergens. Zij maken echter weinig gebruik van de bij ons zoo in zwang zijnde blouse, maar wel van een nauwsluitend jaquet, wanneer zij zonder cape of mantel op straat gaan.”

Er volgt een uitgebreide beschrijving van het Palais de Vêtements, waar de prachtigste toiletten te bewonderen zijn, en ‘t Palais de Costume, waar een overzicht van mode uit de voorbije eeuwen wordt gepresenteerd. Daar vlakbij is het Palais de Manufactures nationales, waarin ook de speelgoedindustrie rijk vertegenwoordigd is. “Als iets nieuws zou ik kunnen vermelden: poppen, op welker zacht-rose wangen valsche diamanten de tranen bedrieglijk nabootsen. Lachende poppen heeft men dikwijls gezien, – maar weenende?

De valsche poppentranen herinneren mij aan ‘t kostbaarste voorwerp ter tentoonstelling, een echte brillant van 139 karaat, die aan de eene zijde puntig, aan de andere zijde vlak geslepen is. Deze behoort aan een Amerikaan en moet een waarde van 10.000.000 franc hebben. Deze kostbare edelsteen is van ‘t reinste water en drait voortdurend rond op de punt van een naald, zoodat hij door het zich hier verdringende publiek van alle kant bewonderd kan worden. Onder een glazen stolp tentoongesteld, wordt hij dag en nacht door een wachter bewaakt. Deze staat binnen een ijzeren hek, waar achter natuurlijk niemand komen mag.

Rondom de brillant zijn kastjes met andere kostbare sieraden opgesteld; daar om heen echter wordt aan de imitatie een groot veld opengelaten. Nergens toch ziet men zooveel valsche brillanten als in Parijs. Zij zien er evenwel zoo echt uit, dat de oningewijde dit fabrikaat wel voor werkelijke brillanten moet aanzien. Behalve deze edelgesteenten oefent ook de kaart van Frankrijk, welke de Russische keizer den Franschen schonk, groote aantrekkingskracht uit. Zij vertegenwoordigt een groote waarde; ieder departement namelijk is in een andere marmersoort voorgesteld. Ingelegde gouddraden wijzen de rivieren aan en de steden worden door brillanten, Parijs door een grooten robijn aangeduid.

Palais Lumineux

Palais Lumineux

Nergens wordt de glans zoo gehuldigd, als in Parijs. Welk een prachtig effect deze te voorschijn roepen kan, ziet men b.v. aan ‘t Palais lumineux, het schitterende glaspaleis, dat des avonds van onder tot boven electrisch verlicht, tooverachtig in alle kleuren uitstraalt.”

Er volgt een beschrijving van een tocht per stoomschip naar de Pont de la Concorde. “De vaart duurt slechts ongeveer een kwartier. Doch welk een wereld vol wonderen uit alle ogelijke landen vertoont zich aan ons oog! Aan onze rechterhand zien wij het trotsche, met bonte wimpels versierde paleis, welks inwendige een beeld geeft van wat Frankrijk te zee en te land vermag, en aan onze linkerhand, d.i. aan den rechteroever der Seine verheft zich schilderachtig Oud-Parijs met zijn kerkje en zijn ouderwetsche, van gevels voorziene huizen.” Ook zijn de paviljoens van onder meer Servië, Griekenland, Monaco, Spanje, Noorwegen, Duitsland, België, Hongarije, Bosnië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten te zien. “Italië heeft een hoogst smaakvol renaissance-gebouw gesticht, waarin kostbaar majolica en glaswaren, in het bijzonder ook gouden sieraden naar oud-Grieksch model tentoongesteld worden.”

Uiteraard wordt door de auteur uitgebreid aandacht geschonken aan het ‘Duitsche huis’ en aan het Duitse scheepspaviljoen. “Wij allen, die de Parijsche wereldtentoonstelling bezochten, zullen de ze gedachte met ons genomen hebben, dat Frankrijk door deze tentoonstelling zijn Duitsche  naburen pas goed heeft leeren kennen.” […] “Het is overigens niet onmogelijk dat de Duitsche reformkleeding in Parijs spoedig mode zal worden.”

Na enige alinea’s over het internationaal vrouwencongres dat in juni in Parijs is gehouden en de kwestie van de kinder- en vrouwenkleding sluit het drieluik af met een bespiegeling over de Franse bevolking: “De spreekwoordelijke beleefdheid der Franschen merkt men op bij iederen stap, dien men doet. Dat beschaafde menschen beleefd zijn, is wel is waar geen wonder, maar hoezeer de beleefdheid het Fransche volk eigen is, merkte ik b.v. op bij de verkoopsters en verkoopers, die den voorbijgangers tentoonstellingsbiljetten, bloemen, Ansichtskaarten enz. te koop aanbieden. Al koopt men ook niets van hen, dan zullen zij als men hen den weg vraagt, even beleefd antwoorden als een Duitscher zou doen, wanneer men hem al zijn waren had afgekocht.

De Franschen zijn trouwens niet alleen oplettend tegenover menschen, ze hebben ook hart voor dieren. Zoo b.v. dragen de paarden voor de rijtuigen in Parijs dikwijls stroohoeden, ja zelfs zonneschermen op den kop, die voor hen bij de groote hitte stellig zeer aangenaam zijn. De door den somtijds met bloemen versierden hoed, getrokken ooren, hebben dikwijls nog een afzonderlijke bedekking. In Duitschland zag ik iets dergelijks nog niet.” Ze rondt af: “Wij hebben dus nog zeer, zeer veel van de Franschen te leeren en niets zou dwazer zijn, dan ons boven hen te willen verheffen.”

Nederlands succes was er tijdens de wereldtentoonstelling voor de Singer-maatschappij die met haar naaimachines verschillende prijzen, waaronder de ‘Grand Prix’, won. In De Hollandsche Lelie van 3 oktober 1900 wordt hiervan trots melding gemaakt en in de weken erna verschijnen meerdere advertenties in het blad waarin verwezen wordt naar de ‘Grand Prix’.

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

Reacties uitgeschakeld voor Wereldtentoonstelling 1900

Filed under Uncategorized

Vlijtig besproeien

In De Hollandsche Lelie wisselen de onderwerpen elkaar in een rap tempo af: etiquette, literatuur, geschiedenis, kunst, onderwijs, mode, korte verhalen en wijze spreuken. Er is ook altijd veel ruimte voor praktische informatie, zoals in dit artikel over ‘De behandeling van kamerpalmen’ (15 november 1899).

“De palmen zijn de vorsten van het woud en willen als zoodanig ook behandeld worden. Zij moeten op een plaats staan, die aan alle kanten vrij en open is, en veel licht hebben en des zomers ruim begoten worden.

Een palm mag noch voor een raam, noch voor het dubbelraam staan. Als middenstuk op een bloementafel of op een zuil geplaatst, tiert hij het beste. Men moet bij palmen oppassen voor tocht en voor plotselinge temperatuursveranderingen. Ook moet men de lucht in de kamer vochtig houden door waterverdamping. Voor palmen wordt zandige heideaarde vermengd met een derde deel vezelige weideaarde, vereischt, terwijl men er de steenen, ‘t hout of de wortelvezels uitzoekt.

Op den bodem van den pot moet een flinke laag scherven of stuk gemaakte kiezelsteenen aangebracht worden voor ‘t afvoeren van het water. ‘t Is goed de palmen elk voorjaar te verplanten en wel steeds in grootere potten; de verdorde wortels worden er dan afgesneden; maar aan de gezonde wortels mag men niet aanraken, slechts de daaraan hangende aarde doet men er met een puntig houtje af. In het warme jaargetijde hebben de palmen eenige frissche zomerlucht noodig d.w.z. men zet ze in de open lucht in den tuin, of op ‘t balkon, of – wanneer beide niet voorhanden zijn – op eene zeer lichte, dikwijls geluchte plaats en besproeit de palmen dan vlijtig.”

Kamerpalmen 1

Kamerpalmen 1

Kamerpalmen 2

Kamerpalmen 2

Reacties uitgeschakeld voor Vlijtig besproeien

Filed under Uncategorized

Eene belangrijke uitvinding op het gebied van Reiniging

Rond 1900 is de stofzuiger uitgevonden en in De Hollandsche Lelie van 12 oktober 1904 wordt er al enthousiast reclame voor gemaakt.

“Onder de verschillende stofzuigmachines, welke tegenwoordig de straten van de Hoofdstad doorkruisen, merkten wij er een op die bijzonder onze aandacht trok. Het was de Vacuum Cleaner, geëxploiteerd door de bekende Maatschappij “Holland” aan de Weesperzijde.

Deze Vacuum Reiniger mag zeker eene zeer belangrijke uitvinding op het gebied van stofzuivering worden genoemd.”

Na de technische uitleg: “Het groote voordeel aan deze methode van reinigen verbonden, springt hier onmiddellijk in het oog. Langs dezen weg worden de voor de gezondheid zoo schadelijke stofdeeltjes, niet zooals bij thans verouderde methoden eenvoudig verplaatst, doch verwijderd.

Een zeker niet minder belangrijk voordeel aan deze door de Maatschappij “Holland” geëxploiteerde Reinigingsmethode bestaat hierin, dat de voorwerpen niet meer van hunne plaatsen behoeven te worden genomen. Dit verplaatsen van voorwerpen was vooral bij het reinigen van tapijten een groot nadeel.

De Vacuum Cleaner kan dan ook als eene groote besparing van tijd, geld en moeite worden begroet. […] Eene proefneming met de nieuwe uitvinding kunnen wij den lezeressen van de Hollandsche Lelie dan ook ten zeerst aanbevelen.”

Stofzuiger 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Leave a Comment

Filed under Advertenties