Tag Archives: advertentie

Advertentiepagina’s

De advertenties in een willekeurig nummer van De Hollandsche Lelie (2 januari 1901): voor onder meer thee, eieren, nieuwe boeken, ondergoed, koekjes, jam, slaolie, advocaat en het eerste Amsterdamse vegetarische restaurant – annex melksalon / geheelonthouderscafé.

IMG_2944

IMG_2945IMG_2949IMG_2947

Reacties uitgeschakeld voor Advertentiepagina’s

Filed under Advertenties

Wereldtentoonstelling 1900

De Exposition Universelle van 1900 was een wereldtentoonstelling die werd gehouden in Parijs, ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Ook werden de nieuwe ontwikkelingen van de volgende eeuw gepromoot.

Overzicht van de Exposition  Universelle

Overzicht van de Exposition Universelle

De tentoonstelling duurde van 15 april tot 12 november 1900 en maar liefst vijftig miljoen mensen bezochten het evenement. Enkele van Parijs bekendste gebouwen werden speciaal hiervoor gebouwd, waaronder treinstations, le grand Palais en de Pont Alexandre III (net als de Eiffeltoren 11 jaar eerder tijdens een vorige wereldtentoonstelling). De Parijse metro werd tijdens de tentoonstelling in gebruik genomen: op 19 juli 1900 werd lijn 1 geopend tussen Porte Maillot en Porte de Vincennes. Deel van de tentoonstelling waren de Olympische Zomerspelen 1900, die over een periode van vijf maanden plaatsvonden. Hier namen voor de eerste keer vrouwen aan deel.

Tijdens de expo werden voor het eerst films met geluid gepresenteerd (opnames van opera en ballet). Ook de roltrap beleefde er zijn première. Art nouveau was de alom aanwezige stijl.Het is mogelijk om bewegende beelden van deze wereldtentoonstelling te bekijken: Thomas Edison inc. maakte een serie filmpjes, waarvan een compilatie te vinden is op Youtube.

wereldtentoonstelling parijs 1900De Hollandsche Lelie besteedde ruim aandacht aan deze wereldtentoonstelling. In een serie van drie artikelen ‘Een praatje over de Parijsche Wereldtentoonstelling’ (‘Uit het Duitsch van Clara von Studnitz door A.Z. – Gezien met het oog van een Duitsche dame’; 29 augustus, 5 en 12 september) wordt gedetailleerd verslag gedaan van een veertiendaagse reis, georganiseerd door een Berlijns reisbureau. De auteur schrijft vooral over praktische zaken: “Aangezien alle couranten sedert maanden berichten over de Parijsche wereldtentoonstelling bevatten, komt ‘t mij natuurlijk niet in den zin, hier een beschrijving daarvan te geven. Zooeven van Parijs teruggekeerd, zou ik echter gaarne mijn geachten lezeressen eenige praktische wenken geven, waartoe ik door eigen ervaring in staat ben, en tevens de indrukken schilderen, die ik in de afgeloopen weken ontving.” Een aantal fragmenten:

“Daar bij deze veertiendaagsche rondreis slechts handbagage veroorloofd is, komt het er, vooral voor ons dames, bijzonder op aan rijpelijk te overwegen, wat er meegenomen moet worden. Te veel kleeren is lastig, te weinig toiletten heeft ook zijn schaduwzijden. Het is daarom het verstandigst, een donker kostuum van fijne wollen stof te nemen, bestaande uit rok, figaro, jaquet (‘t welk ingepakt wordt) en katoenen blouwe, benevens een stofmantel. Bovendien zijn nu in den zomer in het warme Parijs een katoenen japon, zoowel als een elegant licht toiletje en eenige zijden blouses zeer aangenaam. Ook doet men goed, op reis een zach vilten hoed op te zetten en een gekleeden mede te nemen, die men echter niet in een lastige doos, maar in een grooten papieren- of gummizak in ‘t net moet bewaren. Een gullen of foulard zijden japon is voor het bezoeken der Groote Opera bijzonder aan te bevelen, wijl het daar zeer warm is.”

“Minder gekleed dan in de Opera, kan men in de andere theaters verschijnen, b.v. in het theater, dat aan de beroemde Sara Bernhardt behoort, en waarin zij reeds gedurende de geheele tentoonstelling dagelijks in het stuk ‘l’Aiglon’ optreedt.”

“In het kleine theater van Sarah Bernhardt is ‘t echter zeer warm, zoodat men verstandig doet zich daarvoor zoo dun mogelijk te kleeden. Men wachte er zich echter voor, aan een zich in de nabijheid der loges bevindend buffet, in dit of in een ander Parijsch theater, een verversching te nemen. Wij moesten n.l. de in wit atlas en valsche edelstenden prijkende Hebe, twee francs voor een flesch Selzerwater betalen! Zooals wij later hoorden, moeten deze ‘dames’ zelf groote sommen voor de door haar geleverde dranken geven; het hangt echter geheel van haar af, hoeveel zij den niets kwaads vermoedenden vreemdeling daarvoor willen afzetten.

Ook lette men bij ‘t wisselen van geld nauwkeurig op de munten, welke men ontvangt. Er wordt n.l. gedurende de tentoonstelling op groote schaal handel gedreven in looden francstukken, zoowel als in Belgische en Zwitsersche pasmunt, welke in Frankrijk geen waarde heeft. Men wachte er zich daarom voor, francstukken aan te nemen, waarop een zittende Helvetia is afgebeeld.”

paris 1900Na opmerkingen over prijzen van hotels, kosten van consumpties in café’s, de drukte van het verkeer en de veiligheid op straat: “Met minder lof kan ik spreken over de reinheid der straten in Parijs, terwijl die in Brussel mij zeer aangenaam aandeed.” […] “Ja, de reinheid! Nergens zal de Duitsche huisvrouw die met meer smart missen, dan in de Parijsche marktlokalen. Wel is ‘t geen wonder, dat onze lokalen, die veel later ontstaan zijn dan de Parijsche, ook veel mooier en ruimer gebouwd werden, maar waarom een overigens zeer prijzenswaardige politie er niet voor zorgt, dat de voorbijganger b.v. Zondags om twaalf uur, niet over stroo, ja zelfs over visschenkoppen struikelen moet, zooals dat ons gebeurd is, is mij onbegrijpelijk!”

“Met even weinig lof kan ik over de Fransche wagons spreken. Wij spoorden in den nacht van Brussel naar Parijs. Zoo’n nachtreis 2e klasse echter doet iemand, ronduit gezegd, de haren te berge reizen! Stoffige afdeelingen, die slecht van kussens voorzien zijn, rondvliegende motten, achter personen, en daarbij geen ‘geriefelijkheid’- hu! Men reize daarom, wanneer men ‘t zich, wat zijn middelen betreft, eenigszins veroorloven kan, dit eind 1e klasse, die niet zoo overvol en vrijwel even goed als onze 2e klasse is.”

“Nergens kan men de rijkunst der koetsiers beter opmerken, dan in de Champs Elysées. Hier toch rijden dikwijls acht, soms zelfs tien rijen wagens naast elkander! Daar zijn geen tramrails; de behoefte daaraan schijnt niet zeer dringend te zijn, daar een groot deel der Parijsche bevolking welgesteld genoeg is, om in een droschke of zelfs in eigen equipage naar ‘t meer of naar de Long-champs-wedrennen te rijden. Daartusschen fietsen heeren en dames; de laatsten, zooals wij opmerkten bijna allen in wijde broeken. Er zijn geen straten, die voor fietsrijders verboden zijn, en toch schijnen er merkwaardig weinig ongelukken te gebeuren. De bekwaamheid der fietsreijders viel mij ook in ‘t bijzonder in Brussel op, waar de steil afhellende straten voortdurend druk door fietsrijders bereden worden.

Tot de Parijsche straat-eigenaardigheden behooren, naast de vele wagens, in de eerste plaats de krantenverkoopers, die op zingenden toon La Presse en andere bladen te koop  aanbieden. De krantenverkoop bepaalt zich hier, geheel anders dan bij ons, alleen tot de straat; want in Parijs kan men aan ‘t postkantoor geen abonnementen op kranten sluiten, en evenmin gaat de courantenvrouw de huizen langs.

Wie, voor een van de café’s zittend, de voorbijgangers opneemt, zal opmerken, dat de Parisienne zeer dikwijls in ‘t zwart gekleed is. Zij weet haar rok met bevalligheid op te nemen en de zich daaronder bevindende bontzijden onderrok, zoowel als de kleine elegant geschoeide voetjes tot hun recht te doen komen. Vele Françaises dragen echter ook nu in de warme Augustusdagen bekoorlijke kostuums van crêpe chiffon, die er uit zien, alsof ze uit was en kant geweven zijn; de boa, een dikke halsruche van zwarte en witte tule, ontbreekt nergens. Zij maken echter weinig gebruik van de bij ons zoo in zwang zijnde blouse, maar wel van een nauwsluitend jaquet, wanneer zij zonder cape of mantel op straat gaan.”

Er volgt een uitgebreide beschrijving van het Palais de Vêtements, waar de prachtigste toiletten te bewonderen zijn, en ‘t Palais de Costume, waar een overzicht van mode uit de voorbije eeuwen wordt gepresenteerd. Daar vlakbij is het Palais de Manufactures nationales, waarin ook de speelgoedindustrie rijk vertegenwoordigd is. “Als iets nieuws zou ik kunnen vermelden: poppen, op welker zacht-rose wangen valsche diamanten de tranen bedrieglijk nabootsen. Lachende poppen heeft men dikwijls gezien, – maar weenende?

De valsche poppentranen herinneren mij aan ‘t kostbaarste voorwerp ter tentoonstelling, een echte brillant van 139 karaat, die aan de eene zijde puntig, aan de andere zijde vlak geslepen is. Deze behoort aan een Amerikaan en moet een waarde van 10.000.000 franc hebben. Deze kostbare edelsteen is van ‘t reinste water en drait voortdurend rond op de punt van een naald, zoodat hij door het zich hier verdringende publiek van alle kant bewonderd kan worden. Onder een glazen stolp tentoongesteld, wordt hij dag en nacht door een wachter bewaakt. Deze staat binnen een ijzeren hek, waar achter natuurlijk niemand komen mag.

Rondom de brillant zijn kastjes met andere kostbare sieraden opgesteld; daar om heen echter wordt aan de imitatie een groot veld opengelaten. Nergens toch ziet men zooveel valsche brillanten als in Parijs. Zij zien er evenwel zoo echt uit, dat de oningewijde dit fabrikaat wel voor werkelijke brillanten moet aanzien. Behalve deze edelgesteenten oefent ook de kaart van Frankrijk, welke de Russische keizer den Franschen schonk, groote aantrekkingskracht uit. Zij vertegenwoordigt een groote waarde; ieder departement namelijk is in een andere marmersoort voorgesteld. Ingelegde gouddraden wijzen de rivieren aan en de steden worden door brillanten, Parijs door een grooten robijn aangeduid.

Palais Lumineux

Palais Lumineux

Nergens wordt de glans zoo gehuldigd, als in Parijs. Welk een prachtig effect deze te voorschijn roepen kan, ziet men b.v. aan ‘t Palais lumineux, het schitterende glaspaleis, dat des avonds van onder tot boven electrisch verlicht, tooverachtig in alle kleuren uitstraalt.”

Er volgt een beschrijving van een tocht per stoomschip naar de Pont de la Concorde. “De vaart duurt slechts ongeveer een kwartier. Doch welk een wereld vol wonderen uit alle ogelijke landen vertoont zich aan ons oog! Aan onze rechterhand zien wij het trotsche, met bonte wimpels versierde paleis, welks inwendige een beeld geeft van wat Frankrijk te zee en te land vermag, en aan onze linkerhand, d.i. aan den rechteroever der Seine verheft zich schilderachtig Oud-Parijs met zijn kerkje en zijn ouderwetsche, van gevels voorziene huizen.” Ook zijn de paviljoens van onder meer Servië, Griekenland, Monaco, Spanje, Noorwegen, Duitsland, België, Hongarije, Bosnië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten te zien. “Italië heeft een hoogst smaakvol renaissance-gebouw gesticht, waarin kostbaar majolica en glaswaren, in het bijzonder ook gouden sieraden naar oud-Grieksch model tentoongesteld worden.”

Uiteraard wordt door de auteur uitgebreid aandacht geschonken aan het ‘Duitsche huis’ en aan het Duitse scheepspaviljoen. “Wij allen, die de Parijsche wereldtentoonstelling bezochten, zullen de ze gedachte met ons genomen hebben, dat Frankrijk door deze tentoonstelling zijn Duitsche  naburen pas goed heeft leeren kennen.” […] “Het is overigens niet onmogelijk dat de Duitsche reformkleeding in Parijs spoedig mode zal worden.”

Na enige alinea’s over het internationaal vrouwencongres dat in juni in Parijs is gehouden en de kwestie van de kinder- en vrouwenkleding sluit het drieluik af met een bespiegeling over de Franse bevolking: “De spreekwoordelijke beleefdheid der Franschen merkt men op bij iederen stap, dien men doet. Dat beschaafde menschen beleefd zijn, is wel is waar geen wonder, maar hoezeer de beleefdheid het Fransche volk eigen is, merkte ik b.v. op bij de verkoopsters en verkoopers, die den voorbijgangers tentoonstellingsbiljetten, bloemen, Ansichtskaarten enz. te koop aanbieden. Al koopt men ook niets van hen, dan zullen zij als men hen den weg vraagt, even beleefd antwoorden als een Duitscher zou doen, wanneer men hem al zijn waren had afgekocht.

De Franschen zijn trouwens niet alleen oplettend tegenover menschen, ze hebben ook hart voor dieren. Zoo b.v. dragen de paarden voor de rijtuigen in Parijs dikwijls stroohoeden, ja zelfs zonneschermen op den kop, die voor hen bij de groote hitte stellig zeer aangenaam zijn. De door den somtijds met bloemen versierden hoed, getrokken ooren, hebben dikwijls nog een afzonderlijke bedekking. In Duitschland zag ik iets dergelijks nog niet.” Ze rondt af: “Wij hebben dus nog zeer, zeer veel van de Franschen te leeren en niets zou dwazer zijn, dan ons boven hen te willen verheffen.”

Nederlands succes was er tijdens de wereldtentoonstelling voor de Singer-maatschappij die met haar naaimachines verschillende prijzen, waaronder de ‘Grand Prix’, won. In De Hollandsche Lelie van 3 oktober 1900 wordt hiervan trots melding gemaakt en in de weken erna verschijnen meerdere advertenties in het blad waarin verwezen wordt naar de ‘Grand Prix’.

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

Reacties uitgeschakeld voor Wereldtentoonstelling 1900

Filed under Uncategorized

De fietsende vrouw

“Let me tell you what I think of bicycling. I think it has done more to emancipate women than anything else in the world. It gives women a feeling of freedom and self-reliance. I stand and rejoice every time I see a woman ride by on a wheel…the picture of free, untrammeled womanhood.”

Uit deze woorden van de bekende Amerikaanse feministe Susan B. Anthony (1820-1906) blijkt dat het belang van de fiets voor de emancipatie van de vrouw moeilijk kan worden overschat. Met hun fiets konden vrouwen zich voor het eerst zelfstandig door de wereld bewegen en daar maakten velen graag gebruik van.

Aletta Jacobs was bijvoorbeeld een zeer fervent wielrijdster. In haar memoires schrijft zij dat zij in iedere grote of kleine vakantie met haar man op reis ging: “In het eerst waren het grootendeels voetreizen, maar van 1894 af maakten we bij voorkeur gebruik van onze rijwielen om ons eigen land en het buitenland goed te leeren kennen. Wij hadden daarbij de gewoonte om op reis aanteekeningen te maken en die ook uit te werken en in druk te geven als ‘Reisbrieven’. Dikwijls bleven ze in portefeuille en dienden ons dan tot inlichting om sociale toestanden, wetten en gebruiken in ons land met die van andere landen te vergelijken. We bezochten immers zelden een land of een streek alleen voor het natuurschoon, het was ons meer te doen om kennis over land en volk te vergaren […] Op dergelijke manier bezochten wij Denemarken, Noorwegen en Zweden. Op verschillende tijden leerden we bijna heel Duitschland kennen, evenals een groot deel van Frankrijk, Engeland en Schotland, Zwitserland, Noord-Italië, Oostenrijk en Hongarije.”

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

 

 

 

 

 

 

 

Ook op een andere manier gaf het fietsen de vrouwen rond 1900 meer bewegingsvrijheid. Tot ongeveer 1870 droegen vrouwen altijd lange rokken en een keurslijf van baleinen en corsetten. Die kleding was totaal ongeschikt voor de activiteiten die door vrouwen steeds meer werden ontplooid, zoals tennissen en fietsen. Ook voor het werken buiten de deur, in de kantoren en de nieuwe warenhuizen, was meer praktische kleding nodig. Er was tussen 1899 en 1926 zelfs een Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleding (V.v.V.v.V.) actief, die pleitte voor kleding waarin vrouwen zich beter konden bewegen. Het lichaam moest lucht en bewegingsvrijheid krijgen in plaats van ingesnoerd te worden. Een speerpunt van de beweging was dan ook de afschaffing van het korset. Als oplosssing werd de reformjurk ontworpen, een loszittend model jurk, dat zonder corset kon worden gedragen. Dat kledingstuk was niet geheel onomstreden, velen vonden het maar een vormloze hobbezak. Op de fiets droegen vrouwen soms ook wel een broek, iets wat destijds echt als aanstootgevend werd ervaren. Niettemin werd hiermee de richting van de broek als gangbaar kledingstuk voor de vrouw toch voorzichtig ingeslagen.

De fiets werd in 1816 uitgevonden door Carl von Drais. Dat was nog een loopfiets; in 1867 bedacht  Ernest Michaux de velocipède, de eerste fiets met trappers. Deze trappers zaten wel vast aan het voorwiel, wat het trappen erg zwaar maakte. Bovendien was het niet eenvoudig om het evenwicht te bewaren. Na ‘de hoge bi’ volgde in 1887 de Rover savety of Rover veiligheidsfiets, die zo werd genoemd omdat je er niet zo snel mee omviel. Dit was de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen, met twee even grote wielen, een fietsketting en de trappers bevestigd aan een frame tussen de wielen in. Voor het eerst waren er dus fietsen waar iedereen op kon rijden. Vanaf ongeveer 1890 werden er ook speciale damesfietsen gemaakt.

Bij het doorbladeren van Hollandsche Lelies uit het einde van de negentiende eeuw valt het grote aantal advertenties voor fietsen op, het is duidelijk dat hier een nieuwe doelgroep wordt aangeboord. Een greep uit de periode maart-mei 1897:

17 maart 1897

17 maart 1897

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17 maart 1897

17 maart 1897

 

 

 

 

 

 

17 maart 1897

17 maart 1897

 

14 april 1897

14 april 1897

 

 

 

21 april 1897

21 april 1897

 

28 april 1897

28 april 1897

 

 

 

 

 

 

 

 

19 mei 1897

19 mei 1897

 

Reacties uitgeschakeld voor De fietsende vrouw

Filed under Advertenties

Het echtpaar Couperus

Achter op De Hollandsche Lelie van 11 oktober 1893 staat een advertentie voor Een Lent van Vaerzen, van Louis Couperus, uitgever L.J. Veen. Daarboven lezen we dat bij dezelfde uitgever Het portret van Dorian Gray van Oscar Wilde is verschenen, vertaald door Mevrouw Louis Couperus.

Advertentiepagina 11 oktober 1893

Advertentiepagina 11 oktober 1893

Wie was deze Mevrouw Louis Couperus? Zij werd geboren als Elisabeth Baud en kwam als vijftienjarige na de dood van haar vader vanuit Indië naar Den Haag, waar ze bij haar grootouders ging wonen. In 1891 trouwde ze met Louis Couperus. Elsbeth Etty schrijft hierover: “Nog voordat er ook maar in de verste verte sprake was van het tegenwoordige homohuwelijk werd over Louis Couperus al de grap gemaakt dat hij getrouwd was `met een nicht’. Daar was geen woord aan gelogen. Elisabeth Baud, de echtgenote van Nederlands grootste romancier, was familie: haar beide grootmoeders waren zusters van Couperus’ vader. Ze trouwden in september 1891. Louis was 28 jaar oud en Betty – zoals ze genoemd werd – bijna 24. Het huwelijk baarde opzien, want als er iemand in Den Haag rondliep die overduidelijk homoseksueel was, dan was het de schrijver van Eline Vere.”

Haar leven lijkt volledig in dienst te hebben gestaan van haar beroemde echtgenoot. Ze reisde met hem door Europa en de wereld, verzorgde zijn correspondentie en werkte zijn handschriften uit. Haar wens om zelf schrijfster te worden zette ze al snel in de ijskast, wel maakte ze veel vertalingen (ze beheerste het Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans) en later ook toneelbewerkingen van het werk van haar man.

Al op 25-jarige leeftijd maakte ze haar vertaaldebuut met Dorian Gray, meteen een geruchtmakend boek. Louis Couperus had het rechtstreeks van Oscar Wilde ontvangen en Elisabeth was er erg van onder de indruk. Binnen korte tijd verschenen van haar vertaling meerdere drukken.

Ondanks haar wat zwakke gezondheid overleefde ze haar man 37 jaar. Ze was erevoorzitter van het Louis Couperus Genootschap en nam in 1952 het eerste deel van de Verzamelde Werken van Louis Couperus in ontvangst. Over de laatste jaren van haar leven schrijft Elsbeth Etty: “In 1904 had Couperus alle rechten op zijn boeken aan Veen verkocht, met als gevolg dat Elisabeth daar als weduwe geen royalties over kreeg. Albert Vogel heeft beschreven hoe zij eind jaren vijftig als stokoude vrouw op de première van een van zijn Couperusvoordrachten arriveerde: in een bontje `dat heel erg naar mottenballen stonk’. Duidelijk een geval van `grandeur dechue’ en hoe vaak had Couperus niet over vergane glorie geschreven.” In 1960 overleed ze, 92 jaar oud.

In 2001 was in het Louis Couperus Museum de tentoonstelling ‘Elisabeth Couperus-Baud, de vrouw achter de schrijver’ te zien, zie o.a. dit artikel. Zij heeft ook een eigen Wikipedia-pagina, waarop naast de opmerking “Elisabeth Baud was volgens beschrijvingen van tijdgenoten opvallend lelijk en heel erg scheel” ook nog wat meer inhoudelijke informatie te vinden is. 

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Het echtpaar Couperus

Filed under Literatuur

Verkade’s beschuitjes zijn even lekker als koekjes

Op de site van Verkade staat: “Een Hollandser merk is er haast niet. We komen al meer dan 125 jaar bij je op de koffie en de thee. Dan genieten we samen met jou van een momentje echte Hollandse gezelligheid. Met de fijnste Fairtrade chocolade van Verkade en van de lekkerste koekjes van de wereld, in alle soorten en smaken. De vertrouwde smaken waar je vroeger al van genoot en telkens weer nieuwe smaken waar we u graag mee blijven verrassen. Onze koektrommels staan overal in Nederland in de kast of op tafel. Al drie keer werden we verkozen tot Merk van het Jaar. En iedereen kent onze meisjes, de Meisjes van Verkade. De meisjes die elke dag hun uiterste best doen om ervoor te zorgen dat ze altijd bij jou thuis mogen blijven komen. Dat beloven we.”

Er lijkt in die 125 jaar ook weinig veranderd in de communicatie van het bedrijf. In de jaargang 1899-1900 van De Hollandsche Lelie mag een enthousiaste tekstschrijver zich uitleven in een reeks advertenties die het merk op allerlei verschillende manieren aanprijzen. De beschuitjes zijn even lekker als koekjes, er wordt alleen zuivere onafgeroomde melk voor gebruikt en ze kunnen door kinderen uitstekend als ontbijt worden gegeten. Kortom, ze zijn ‘juist goed’. Ook Verkade’s Honing Ontbijtkoek is ‘eene delicatesse’. ‘De zuivere honingsmaak wekt den eetlust op, en doet naar meer verlangen. Zoudt ook gij niet eens een Verkade’s Honing Ontbijtkoek koopen voor 30 ct. om dit te probeeren?’

Verkade: juist goed

Verkade: juist goed

Zuivere afgeroomde melk

Zuivere onafgeroomde melk

foto 2 (24)

Keuze van den honing

Even lekker als koekjes

Even lekker als koekjes

foto 3 (10)

De verpakking is aardig voor kinderen

De meest bekende soort

De meest bekende soort

Eene delicatesse

Eene delicatesse

Beter dan zij is kunnen wij de qualiteit niet maken

Beter dan zij is kunnen wij de qualiteit niet maken

Goed voedsel voor de kleintjes

Goed voedsel voor de kleintjes

Bussen worden teruggenomen

Bussen worden teruggenomen

Reacties uitgeschakeld voor Verkade’s beschuitjes zijn even lekker als koekjes

Filed under Advertenties

Lawn tennis

In de eerste jaren van Wimbledon (toen nog de Lawn Tennis Championships) deden alleen heren mee. Het was toen ook nog een geheel Engelse aangelegenheid. Vanaf 1884 mochten ook vrouwen deelnemen en rond de eeuwwisseling werd het een internationaal en beroemd toernooi. 

Tennis is waarschijnlijk ontstaan in Frankrijk, uit een balspel dat al in de 11de eeuw werd gespeeld: het Jeu de Paume. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw verspreidde het zich over heel Europa. Eerst werd het met de hand gespeeld, later kwamen er handschoenen en vormen van slaghout. Na de uitvinding van het vulkaniseren van rubber was het mogelijk stuiterende rubber ballen te maken en kon het spel op een grasveld worden gespeeld. De Britse majoor Wingfield nam in 1873 patent op zijn basisidee voor het huidige tennisspel. 

De sport werd in Nederland door de leden van de hogere sociale klassen geïntroduceerd. Rond 1900 werd tennis door de maatschappelijke elite gespeeld. Hier een advertentie uit De Hollandsche Lelie van 2 mei 1900.

Advertentie rackets en ballen

Advertentie rackets en ballen

 

Reacties uitgeschakeld voor Lawn tennis

Filed under Advertenties

Attentie Dames

Altijd leuk: advertentiepagina’s van vroeger. Soms van merken die ook nu nog verkrijgbaar zijn, dan weer van producten en diensten die al lang in onbruik zijn geraakt. Vaak worden de lezeressen rechtstreeks aangesproken: ‘Attentie Dames’ of zelfs ‘DAMES!!!”. Hier een greep uit de advertenties in De Hollandsche Lelies van juli 1901.

Advertentie De Rooij

Advertentie De Rooij

Grasroomboter en Delftsche Sla-Olie

Grasroomboter en Delftsche Sla-Olie

Advocaat en koek

Advocaat en koek

Salon de Coiffure

Salon de Coiffure

Van Houtens Cacao

Van Houtens Cacao

Reacties uitgeschakeld voor Attentie Dames

Filed under Advertenties

Modefratsen

Honderd jaar geleden maakte men zich ook al zorgen over de verloedering van onze taal. In De Hollandsche Lelie van 22 januari 1913 vraagt redactrice Anna de Savornin Lohman zich af waarom men bijvoorbeeld in advertenties toch het woord ‘show-room’ gebruikt.

“Is het omdat ons ‘intelligent’ Haagsch publiek, bij alle zucht het den Engelschen na te doen, toch nog te weinig Engelsch kent, om het een volledigen Engelschen zin te durven voorzetten, dat de leveranciers hun toevlucht moeten nemen tot zulke belachelijke invoegsels van één Engelsch woordje hier en daar tusschen ‘t overige gewone hollandsch in? Men zou het heusch wel denken als men zulken kinderachtigen nonsens ziet.

Overigens, ik leg er allen nadruk op, dat ik het van zulke firma’s heel natuurlijk vind indien zij offeren – om den wille van ‘t voordeel – aan de modefratsen van de malle menschen, van wier zak zij nu eenmaal moeten leven en rijk worden. In hun geval deed ik-zelve ook niet anders. Diegenen, die ik uitlach, dat is het zóógenaamd Haagsche élite-publiek, waardoor zulke nonsens verlangd en aangemoedigd wordt, dat, enerzijds, brult en zich dik maakt van wat ben je me, van quasi vaderlandsliefde, nationaliteitsgevoel, enz., enz., en anderzijds zoo weinig eigenwaarde bezit, dat het meent zichelf voornaam voor te doen door ‘n stopwoordje Engesch hier in te flansen, en ‘n Fransch zinnetje daar aan te brengen, en van de leveranciers te verlangen, dat zij zich ‘Royal’ en ‘Tailors’ en ‘Maison’ zus of zóó noemen, en er een ‘show-room’ op na houden. Enz, enz.”

22 januari 1913

22 januari 1913

22 januari 1913

22 januari 1913

Reacties uitgeschakeld voor Modefratsen

Filed under Taal

Eene belangrijke uitvinding op het gebied van Reiniging

Rond 1900 is de stofzuiger uitgevonden en in De Hollandsche Lelie van 12 oktober 1904 wordt er al enthousiast reclame voor gemaakt.

“Onder de verschillende stofzuigmachines, welke tegenwoordig de straten van de Hoofdstad doorkruisen, merkten wij er een op die bijzonder onze aandacht trok. Het was de Vacuum Cleaner, geëxploiteerd door de bekende Maatschappij “Holland” aan de Weesperzijde.

Deze Vacuum Reiniger mag zeker eene zeer belangrijke uitvinding op het gebied van stofzuivering worden genoemd.”

Na de technische uitleg: “Het groote voordeel aan deze methode van reinigen verbonden, springt hier onmiddellijk in het oog. Langs dezen weg worden de voor de gezondheid zoo schadelijke stofdeeltjes, niet zooals bij thans verouderde methoden eenvoudig verplaatst, doch verwijderd.

Een zeker niet minder belangrijk voordeel aan deze door de Maatschappij “Holland” geëxploiteerde Reinigingsmethode bestaat hierin, dat de voorwerpen niet meer van hunne plaatsen behoeven te worden genomen. Dit verplaatsen van voorwerpen was vooral bij het reinigen van tapijten een groot nadeel.

De Vacuum Cleaner kan dan ook als eene groote besparing van tijd, geld en moeite worden begroet. […] Eene proefneming met de nieuwe uitvinding kunnen wij den lezeressen van de Hollandsche Lelie dan ook ten zeerst aanbevelen.”

Stofzuiger 1904

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Leave a Comment

Filed under Advertenties