Tag Archives: dagelijks leven

Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

[In De Hollandsche Lelie d.d. 5 en 12 december 1900]

St Nicolaas, kerstmis, oud- en nieuwjaarsdag, wat al feestdagen in ‘t verschiet! “Haast te veel” hoorde ik eens iemand zeggen: “men kan wel aan ‘t cadeautjes geven blijven.”

Nu als men er zóó over denkt, ware ‘t beter die dagen maar ongemerkt te laten voorbij gaan Men geve een cadeau van harte, of men geve ‘t niet. Gedwongen geven is, voor ontvanger zoowel als schenker, hoogst onaangenaam. Men voelt als bij intuïtie of ‘t geschenk gaarne gegeven is of niet. Een cadeautje achteloos ingepakt, verzonden van den winkel dadelijk naar uw huis, wees er van verzekerd, dat ge ‘t krijgt, enfin, omdat ‘t moet, omdat de gever vriendschap van u heeft genoten, die hij op een andere wijze niet reciproceeren kan, of omdat ge hem met ‘t een of ander zijt van dienst geweest, ja, de woorden bij ‘t koopen geuit: “‘t Convenieert me niet, maar ik kan er niet buiten!” zoudt ge er haast wel bij kunnen denken.

Maar een presentje, dat van harte gegund is, men kan het herkennen bij den eersten oogopslag aan de bijzondere zorg waarmede ‘t gekozen is, en de onberispelijke wijze waarop ‘t is ingepakt.

Pak uw cadeautje altijd zorgvuldig in, doe het in een doos, of wikkel het in twee of meer papieren; moet het over de post, doe er dan een extra lakje en een dubbel touwtje om. In de drukke feestdagen hebben de pakketten altijd meer te lijden dan anders, en een beschadigd cadeau bezorgt den ontvanger grooter teleurstelling dan genoegen.

Vergeet ook nooit uw pakje te frankeeren, en den prijs van uw cadeau te verwijderen of uit te wisschen, ge zoudt u aan een groote onhandigheid schuldig maken, indien ge dit naliet.

Krijgt ge op den avond zelf een cadeau van iemand, van wien ge niets verwacht, en wien ge ook niets hebt gezonden, stuur dan niet dadelijk een geschenk terug, dit zou niet heel kiesch zijn. Stel voorop, dat het voor den zender een genoegen was u het cadeau te zenden, en dat het dus voor hem grievend wezen moet onmiddellijk iets terug te krijgen.

Hoe klein en leelijk een cadeau ook moge wezen, men moet toonen er dankbaar voor te zijn; blijdschap huichelen voor een ding, dat u hoogst onwelkom is behoeft natuurlijk niet, maar de goede bedoeling moet in ieder geval geapprecieerd worden.

Heeft men iemand verleden jaar op St. Nicolaasavond een cadeau gezonden, dan is het volstrekt onnoodig het dit jaar weer te doen. Sommige menschen nemen dit op als een drukkende verplichting, en geven elk jaar maar weer, alleen, omdat men ‘t eenmaal begonnen is. Maar dat is een dwaasheid; een St. Nicolaasattentie bindt tot niets, men geeft, omdat men er lust in heeft, en een volgend jaar als men er minder toe gestemd, en de beurs niet zoo ruim is voorzien als ‘t vorige, welnu, dan geeft men niet. Het wordt helaas maar al te dikwijls uit ‘t oog verloren, dat een cadeau altijd een verrassing blijven moet, en dat men ‘t nimmer mag verwachten.

Het behoeft natuurlijk geen betoog, dat men een pas ontvangen cadeau niet dadelijk weer aan een ander present geeft. In den beperkten kring uwer kennissen kan de geefster allicht te weten komen, hoe ge met haar cadeau gehandeld hebt, en dit weggeven moet haar een grievend bewijs zijn, dat haar geschenk u niet welkom was.

Alvorens een cadeau te kopen, ga men te rade met den smaak, den aard en de omstandigheden van den persoon aan wien men iets wil zenden. Iemand die niet van lezen houdt; zende men geen boeken; een jonge dame, die van nature ernstig en stemmig is, beglückt men niet met prullaria, waaraan zij niets heeft; en een huisgezin, dat slechts met grote moeite kan rond komen, verrasse men niet met voorwerpen van groote luxe, die het ten eerste niet gebruiken kan, en die ten tweede in de bescheiden huishouding niet op hun plaats zijn.

Indien men op St Nicolaasavond cadeaux ontvangt, waarvan men te vergeefs den gever zoekt, dan mag men dezen en genen niet zoo maar op den man af vragen: “Hebt u me dat gezonden?” of “Mag ik u daarvoor bedanken?” De persoon in quaestie kan aan ‘t zenden van het cadeau volmaakt onschuldig zijn en dan zou bij hem natuurlijk ‘t vermoeden opkomen dat ge van hem iets had verwacht. Tracht dus langs een omweg te weten te komen, wie u op zoo vriendelijke wijze heeft verrast, en zijt ge hiervan zeker op de hoogte, dan kunt ge gerust bedanken, eerder niet.

—-

Cadeaux van onbekende gevers, sieraden bijv. drage men liever niet, daar er aan ‘t dragen van een cadeau soms grooter waarde wordt gehecht, dan de draagster aangenaam kan zijn. Om maar eens een voorbeeld te noemen; Een jonge dame ontvangt op St. Nicolaasavond een gouden armband. Ze vindt den bracelet mooi, en draagt hem zonder te weten, wie haar de verrassing bereidde, eveneens zonder te vermoeden, dat ‘t geven van een gouden bracelet een declaratie inhoudt, en dat ‘t dragen daarvan een bevestiging van de te komen vraag beduidt.

Maar al is ‘t cadeau ook zonder eenige bedoeling, en alleen uit vriendelijkheid gezonden, toch is ‘t beter met dragen te wachten, tot men den gever kent, en men voor de attentie heeft kunnen bedanken.

Ook is het niet aan te raden lekkernijen, die men ontvangt, en waaraan men twijfelt of ze wel aan het juiste adres bezorgd zijn, dadelijk te verorberen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de loopjongens in de ontzettende drukte de letters, taart, borstplaat, bonbons of wat ‘t ook wezen mag, verkeerd afgeven, bijv. op No. 20 in plaats van op 21; in de Bankastraat in plaats van in de Bakjanstraat enz. enz., zulke vergissingen zijn mogelijk en gebeuren telkens, zie daarom goed toe, of uw adres gevoegd is bij de verrassing, en zoo niet, wacht dan liever een paar dagen, of informeer eens bij den banketbakker voor wie ‘t cadeau eigenlijk bestemd is.

Om niet van “avances maken” beschuldigd te worden, zendt een jonge dame op St. Nicolaasavond nooit een cadeau aan een ongehuwd heer; behoort de heer echter tot de familie, of tot de zeer intieme kennissen, dan mag men verwachten, dat er achter ‘t zenden van een cadeautje niets bijzonders wordt gezocht.

Zendt een heer aan een jonge dame een bouquet met bijvoeging van zijn kaartje, dan kan het jonge meisje volstaan met het terugzenden van een kaartje, waarop een paar vriendelijke woorden, of met een kort briefje in den derden persoon, bijv.: Mejuffrouw Van Rhenen dankt den Heer Ten Oever zeer voor de mooie bloemen, die hij haar gezonden heeft, of voor de vriendelijke attentie, die hij haar heeft bewezen, enz. enz.

Is de bouquet echter gezonden als herinnering aan den souperdans, dien men vooruit reeds heeft afgesproken, dan dankt de jonge dame den gever onmiddellijk, als hij haar op ‘t bal komt aanspreken.

Het vieren van Kerstmis is in ons land nog niet zoo algemeen in zwang als in Duitschland en Engeland, toch zijn er reeds veel families, die in kleinen kring St. Nicolaas houden, en voor den kerstboom invitaties aan de goede kennissen rondsturen.

Men kan de cadeaux dan reeds een dag van te voren zenden met een beleefd verzoek aan de gastvrouw ze onder, of aan den boom een plaats te willen geven.

Nieuwjaarsdag, le jour des étrennes, viert men in Frankrijk en België. De dames blijven dan meest thuis van 1 tot en met 6 of 7 Januari om de gelukwenschen en cadeaux (meest in den vorm van bloemen en bonbons) van vrienden en kennissen in ontvangst te nemen.

Huwelijkscadeaux zende men een dag vóor de receptie of veertien dagen voor ‘t trouwen, de geschenken moeten voorzien zijn van een naamkaartje of begeleidend briefje. De bruid dankt dan hare kennissen schriftelijk voor de bewezen attentie, de bruigom doet dit aan zijne vrienden; op de receptie vergeten zij echter geen van beiden de gevers nog eens hun erkentelijkheid te betuigen.

Het tentoonstellen van bruids- of verjaarscadeaux raakt reeds meer en meer in onbruik; men moge de geschenken laten zien in intiemen kring, maar de lange reeks tafels met kostbare cadeaux, die aan een winkeluitstelling doen denken, ziet men nog maar heel zelden. Gelukkig voor haar, die zich met ‘t geven van een bescheiden cadeau moet tevreden stellen, en die alzoo de teleurstelling bespaard wordt haar cadeautje door de groote luxe-voorwerpen geheel overschaduwd te zien.

Sylvia Regina. Den Haag, 30 nov. 1900

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: geven en ontvangen van cadeaus

Filed under Vormen

De Handschoen

[In De Hollandsche Lelie van 11 december 1901. ‘Uit het Duitsch door A.Z.’]

Handschoenen zijn een kostbaar toiletartikel. Daar men naar den handschoen de dame beoordeelt, en een vuile of gescheurde handschoen altijd zeer leelijk staat, moet men steeds zorg dragen dat dit onderdeel van het toilet onberispelijk is.

Wie zuinig wil zijn, moet, vóór alles, slechts de allerbeste, zij ‘t dan ook de allerduurste, handschoenen dragen. Elke goedkoope handschoen wordt, door den korten tijd, dien men hem dragen kan, duur. Verder mag men goede handschoenen nooit zoo eens ‘eventjes aantrekken.’ Lichte, nette handschoenen, die men draagt, wanneer men bezoeken aflegt, zijn door het eventjes aantrekken bedorven.

Men moet den handschoen altijd langzaam en zorgvuldig aandoen, iederen vinger geheel gladstrijken, op ‘t laatst de duimen er in steken, en den ondersten knoop langzaam dicht maken. Nieuwe handschoenen moet men vooral nooit haastig aantrekken.

Met lichte, fijne handschoenen vatte men geen deurknoppen aan, ga er niet mee op reis, enz. Balhandschoenen behooren altijd pas in de garderobe aangetrokken te worden, evenzoo handschoenen voor schouwburg of soirées.

Voor het dagelijksch gebruik des zomers zijn grijze of zandkleurige gemslederen handschoenen boven alle andere te verkiezen. Zij staan keurig, kunnen gemakkelijk met wat glycerine gewasschen worden en zijn zeer duurzaam. Nog beter zijn die van wit waschleder of glacé, welke echter ook van de beste qualiteit genomen moeten worden.

Voor morgenwandelingen, om boodschappen te doen, enz., is de garen handschoen, ook wel de mitaine zeer practisch.

In voor- en najaar is de roode hondsleeren handschoen beslist boven alle andere te verkiezen.

Men neme steeds handschoenen met drukknoopen, daar men dan van het aftrekken van knoopjes geen last heeft.

Ieder klein torntje van den naad moet dadelijk gerepareerd worden; heeft men het leer ingescheurd, dan legt men een klein stukje leer er onder en zoomt dat van den handschoen er netjes op.

Bij het uitdoen trekt men den handschoen zorgvuldig in het fatsoen, iederen vinger afzonderlijk en op ‘t laatst den duim, welke men, zooveel mogelijk, evenzoo legt als bij den nieuwen handschoen. Dan legt men het paar plat in de doos. Is de handschoen van binnen misschien wat vochtig, dan moet hij opgeblazen worden en goed drogen.

Lichte handschoenen kan men heel goed schoonmaken, door ze met een stuk zachte gummi af te wrijven, nadat men ze aangetrokken heeft. Dan behoeft men ze slechts zelden in benzine te wasschen.

Goede handschoenen, waarvan de kleur leelijk geworden is, kan men in iedere chemische wasscherij zeer mooi, even licht of in iets donkerder kleur laten verven. Vooral gekleurde heerenhandschoenen, die door het schoonmaken allicht leelijk werden, krijgen daardoor nieuwe frischheid en geven volstrekt niet af.

Men wordt ernstig gewaarschuwd tegen het zelf verven der handschoenen, vooral tegen het zwart-verven. Zulke handschoenen geven altijd af en maken dan zeer leelijke vlekken.

Reacties uitgeschakeld voor De Handschoen

Filed under Dagelijksleven

Het slapen bij verschillende Volken

[Uit De Hollandsche Lelie van 20 november 1895]

“Slapen is een algemeene gewoonte bij alle volken,” schreef een schooljongen in zijn opstel; even waar is echter dat er groote verscheidenheid bestaat in de manier van slapen bij verschillende volken. Omstandigheden, die den eenen mensch doen slapen, houden den ander wakker. Een verdoovende medicijn, welke dezen onmiddellijk in diepen slaap doet vallen, brengt genen in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid.

De Europeaan of Amerikaan slaapt dan rustig, als hij een zacht kussen onder het hoofd heeft, doch de Japanner strekt zich op een mat op den grond uit, en schuift een hard, vierkant blok hout onder zijn hoofd: zonder dit blok zou hij slecht slapen.

De Chinees is zeer kieskeurig op zijn slaapplaats, die wel heel eenvoudig, maar meestal mooi uit hout gesneden is. Zijn bed is evenwel niet zacht, hij gebruikt daar matten voor..

Terwijl de bewoners van noordelijke landen niet kunnen slapen, als zij geen ruimte genoeg hebben om hunne beenen uit te strekken, rollen de bewoners der tropen zich evenals de apen in elkander en slapen het best in deze houding.

De Hollander bedekt zich met een paar dekens en slaapt, dikwijls in den winter, met een open raam.

De Rus daarentegen slaapt nergens liever dan op den grooten oven in zijne woning. Kruipt hij ‘s morgens uit dit warme bed, dan neemt hij een koud bad, ook al moet hij het ijs er eerst voor verwijderen.

De Laplander kruipt met het hoofd in een zak van rendiervel en slaapt daarin warm en naar zijn zin.

De Oost-Indiër, aan het andere eind der wereld, heeft ook een slaapzak, maar deze is heel wat luchtiger dan die der Lappen en heeft ten doel de muskieten op afstand te houden.

De Engelschman heeft een veeren hoofdkussen, maar slaapt verder op stroo- en haarmatrassen.

De Duitschers slapen onder een veeren dekbed. Het is voor vreemdelingen dikwijls een raadsel en een kunst om den geheelen nacht onder zulk een bed te blijven liggen.

Reacties uitgeschakeld voor Het slapen bij verschillende Volken

Filed under Dagelijksleven

Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Onder de titel ‘Vorming van den toekomstigen echtgenoot’ geeft J.v.W. in het hoofdartikel van De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901 een genadeloze beschrijving van het mannelijk deel van de Nederlandse bevolking.

“In Amerika, waar men het vasteland in alles een vijf en twintig jaar vooruit is, wordt de vrouw gesteld boven den man, waarschijnlijk omdat zij in gedrag en waardigheid reeds jarenlang werkelijk stond boven den man. Dienstboden zijn er schaarsch en als de man thuiskomt, is het opdat zijn vrouw zal kunnen uitgaan. Hij zorgt tijdens hare afwezigheid voor de kleintjes en voor de pot, schuiert het kleed voor haar en spaart haar wat hij kan, en als de vrouw thuiskomst, verfrischt en opgefleurd door de beweging in open lucht en door de afleiding van geest verkregen bij gesprekken met menschen, is zij weer een opgewekt moedertje binnenshuis en een zonneschijntje voor man en kinderen.

Wat zijn we daar in Holland nog ver van af! Onze jongens worden door de meeste moeders als egoïsten opgevoed. Zij hebben hare zoons afgodisch lief, en gevoelen reeds vooruit een zekeren afkeer van een indringende schoondochter. Zeer natuurlijk; want de groote moederliefde gevoelt da men haar lieveling haar ontnemen gaat en dat zij wordt achtergesteld voor een vreemde. En mag zij nu al hare kinderen al tot goede zonen, tot brave menschen opvoeden, zij vergeet toch meestal één punt in die opvoeding – de vorming voor het huwelijk, welke hem juist ten zegen zou kunnen worden in zijn verder leven. En zij ziet geheel voorbij dat zij daardoor zelf de kans op zijn toekomstig geluk verkleint.

Het is niet genoeg een braaf en achtenswaardig man te zijn; – brave en achtenswaardige mannen zijn dikwerf zeer onaangename echtgenooten. En evenmin is een goede zoon altijd een goede echtgenoot, en dat is alleen de schuld der moeder, die door hare opvoeding verzuimd heeft de voor een gelukkig huwelijk onmisbare hoedanigheden in haar zoon te kweeken.

Hoe worden de meeste jongens opgevoed? Omdat zij jongens zijn, worden zij boven hunne zusters voorgetrokken en aan hunne vorming wordt veel meer ten koste gelegd dan aan die hunner zusters, ja, die zusters moeten meermalen veel ontberen, om den broer een schijn van welvaart te geven in de kringen, waar hij verkeert.

Spreekt hij van zijne zusters met vlegelachtige lompheid als van ‘maar meisjes’, dat wordt niet zelden nog aardig gevonden ook.

Studeert het jongmensch, dan ‘kost hij veel geld’, en hij vindt het heel natuurlijk dat moeder en zuster om zijnentwil ontberingen dragen. In families, waar volstrekt geen geld te veel is, verteren de zonen het leeuwenaandeel. Zij leggen zich geen beperkingen op, zij geven menigen avond aan amusementen, die ‘bij hun stand passen’meer geld uit dan waarover een hunner zusters een maandlang te beschikken heeft, en terwijl de zusters hunne goedkoope japonnetjes zelf moeten naaien, acht de heer broeder zich te goed om losse manchetten te dragen en draagt daarvoor in plaats manchethemden, wier geregelde wassching alleen veel meer kost dan de kleedprijs der zusters kan beloopen in een jaar.

Tehuis spreekt het vanzelf dat de zusters hunne broeders bedienen, hun alles aanbrengen, voor hen heen en weer loopen, hunne kasten schoonhouden, in één woord hunne slavinnen zijn. ‘Daar zijn de vrouwen nu eenmaal voor.’

En menige moeder ziet rustig toe hoe de zoon, als hij toilet maakt of iets op te zoeken heeft, alles in de kamer van de plaats rukt en alles ondersteboven keert. ‘Net zijn papa!’ zucht zij dan.

Maar het komt niet in haar op deze gewoonte des vaders, waardoor zij toch dagelijks verdriet heeft, in den zoon te onderdrukken.

Over orde en netheid heeft de broeder zoo zijn eigen meening. Overal ligt zijne asch, zijne potloodsnippers, enz. ‘Om ze weer op te ruimen – daar zijn de vrouwen voor.’

En zoo gaat het in alles; galanterie voor huisgenooten is hem ten eenenmale vreemd. Ja, als het nu op een concert is of in een theetuin, dan moet hij – vis-à-vis het publiek – wel de gewone beleefdheden bewijzen, maar thuis stelt hij zich weer schadeloos voor deze moeite.

Dat bij ongesteldheid der moeders of zusters de zoon de noodige zorgen in acht zal nemen om hen zoo mogelijk niet te hinderen – dat moet ge niet denken.

De moeder zelf, die in haar eindelooze liefde en zelfverloochening tracht haar pijn nog te verbergen, en de zusters zijn in zijn oog maar ‘kleinzeerige sukkels,’ die al jammeren als een vinger zeer doet. Hij zal geen frisch glas water voor hen halen, geen drankje aanroeren, noch zich op andere manier nuttig maken. Da is een man onwaardig.

Een zóó opgevoede of eigenlijk niet opgevoede jonge man mag nu deugden bezitten – voor echtgenoot deugt hij niet. Als de wittebroodsweken voorbij zijn en de eerste geluksroes is verflauwd, dan wil de heer gemaal in zijn huis ‘op zijn gemak’ komen. Dat zijn vrouwtje hem dat tracht te geven, vindt hij vanzelfsprekend. Thuis was dat ook zoo. Al de kleine opmerkzaamheden, waarmede een man het hart eener vrouw zoo geheel inpakt, dat zij daarvoor groote gebreken vergeeft, vindt hij thuis onnoodig. Hij valt in al zijne gewoonten van het ouderlijk huis terug. Zijn egoïsme, dat een weinig was ingesluimerd, ontwaakt met nieuwe kracht. En het jonge vrouwtje, dat thuis met teederheid omringd was, gaat zich diep ongelukkig voelen als voor al hare liefdedienstjes, al haar kleine en groote attenties geen woord van waardeering schijnt te kunnen overschieten.

Is zij eens ziek, dan denkt hij er niet aan haar verlichting te verschaffen, maar voelt haar ziek-zijn als een beleediging van zijn persoon. En zoo ontstaan de mannen, die maar voor hun genoegen leven en geld uitgeven, zonder te vragen of vrouw en kinderen daardoor ook tekortkomen, mannen, voor wie het beste uit keuken en kelder wordt opgedragen en die aan niemand denken dan aan hun eigen Ik…. omdat ze dat nu eenmaal van jongs af gewoon zijn.

Daarom moet een moeder hen zóó opvoeden dat zij niet alleen knap en fatsoenlijk worden, maar ook beminnenswaard; – dat zij niet alleen liefde ontvangen willen, maar die ook geven; – dat ze niet alleen zullen zeggen hun vrouw lief te hebben, maar haar die liefde ook te toonen in allerlei kleinigheden; die warme koesterende liefde, waaraan iedere vrouw behoefte heeft als een bloem aan de zon.

Zonder haar kan het huwelijk wel goed zijn, o ja, zelfs voorbeeldig, maar het zonnige geluk ontbreekt, dat toch het beste nog is in den grauwen levensdag. En alleen een moeder kan dat aan een kind leeren. Egoisten worden gekweekt, niet geboren.

De zonen moeten van jongsaf zich gewennen hunnen huisgenooten aangenaam te zijn en de offers, die hun gebracht worden, moeten zij hoog waardeeren; dan zullen zij innig met hunne familie medeleven.

Een zóó opgevoede zoon wordt later ook een lieve, zorgzame en – – gelukkige echtgenoot. Want de bewering dat gelukkig maken eigenlijk gelukkig zijn is, geldt niet alleen voor de vrouw, maar ook voor den man. En in zeker opzicht zelfs nog meer voor den man dan voor de vrouw. Want een vrouw weet het hoog te schatten, wanneer haar echtgenoot dit ‘gelukkkigmaken’ verstaat; – en zij is hem daarvoor zóó dankbaar, dat hun huwelijksgeluk daardoor alleen reeds verzekerd is.

En gelukkig willen wij toch allen zijn, in de korte spanne tijds, die wij hebben te leven!

J. v. W.

Reacties uitgeschakeld voor Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Filed under Hoofdartikel

Onze meisjes op de Fiets (Slot)

[In De Hollandsche Lelie van 7 april 1897, vervolg van deel I en deel II).

We nemen aan dat ge nu geleerd hebt alleen te rijden. Vol moed en met een prettig gevoel van trots en opgewektheid, trapt ge dapper voort tot – ge een dikken steen op uw weg ziet liggen! Uw ontstelde verbeelding maakt van dien steen een berg. Al praat ge u zelf voor, dat een berg niet op een straatweg kan staan, dat er wel ruimte voor vijf velocipèdes aan weerskanten overblijft, de angst heeft u te pakken en ondanks uw vurige begeerte, uw krampachtige inspanning om er langs te komen, stuurt ge er vlak op aan en tuimelt – al uw tegenwoordigheid van geest verliezend – met fiets en al onderst boven. Is het echter ook maar eenmaal gelukt veilig langs een paard en rijtuig te sturen dan stelt uw zelfvertrouwen u al heel gauw in staat kalm door een volte heen te laveeren.

Gebruik in uw leertijd nooit uw rem: dat is nadeelig voor uw voorband. Leer terug peddelen d.w.z. ga op den trapper staan, die naar boven komt en stop zoo de beweging van uw achterwiel. Gij hebt natuurlijk opgemerkt, dat de eene pedaal neergaat, terwijl de andere opgaat; om de machine voort te bewegen, volgt ge de wentelingen van de trappers, tewijl ge om uw fiets te stoppen juist een tegenovergestelde beweging uitvoert.

Om een safety [zo werd de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen genoemd – GS] te leeren bestijgen wacht te links van uw fiets ‘t oogenblik af, waarop uw rechter pedaal juist van zijn hoogste punt naar beneden daalt, zet er dan uw rechtervoet op, geef de machine door uw gewicht een zet en ge zijt op gang. Tegen dat de linkertrapper naar boven is gekomen, onder uw linkervoet, zit ge al goed op uw zadel. Om af te stappen, rijdt ge langzaam en wanneer de linker-pedaal bijna zijn laagste punt bereikt heeft, brengt ge uw rechterbeen handig tusschen zadel en stuur door en staat ge op den grond.

Nu  nog uw houding. Zit vooral gemakkelij; niet te laag, niet te hoog. De voetholte moet tot aan den trapper reiken, het stuur mag niet zoo laag zijn dat ge krom zit, maar ook niet zoo hoog, dat ge niet tegen een heuvel op kunt komen. Op een fiets staat een ronde rug even leelijk als de voorgeschreven stijve, hygiënische houding.

Kunt ge een bicycle goed berijden, dan zal het u maar heel weinig moeite kosten andere soorten van velocipèdes te beheeren.

Over de voordeelen en de genoegens van het wielrijden zijn we niet gauw uitgepraat. Een oude dame, die ik eens bij een van mijn fietsvriendinnen ontmoette, riep in verbazing uit: “Jullie wielrijdsters hebt altijd discours. In jullie wereld valt altijd wat te praten over nieuwe banden, zadels of lantarens, prachtige tochten, ongelukken enz. Je gaat er allemaal in op, of je leven er van afhangt!”

Zou in deze klacht voor veel meisjes ook niet een lichtzijde schuilen; is het niet beter over een gezonde liefhebberij te praten, dan over de mode en de stadsnieuwtjes?

De nooit-eindigende, kleine, dagelijksche beslommeringen, waarin het leven van vele onzer meisjes opgaat, voldoen haar dikwijls zoo weinig. Behalve de beweging, die de huiselijke bezigheden met zich brengen, kennen ze geen andere dan hun middagwandelingetje. Geen flinke, gezonde loop buiten de stad door het bosch, waar ze werkelijk natuur kunnen genieten – zooiets is door de groote afstanden onbereikbaar – maar een langzaam gedrentel door straat en plantsoen.

Nu verschijnt de fiets om haar een nieuwe wereld te ontsluiten. Wat is haar wandeling, vergeleken bij een opwekkenden rit op haar wiel? In weinig maanden tijds kan ze een streek geheel doorkruisen en elk schoon plekje leeren kennen. Zij koopt een goede kaart van den omtrek harer woonplaats, bestueert die nauwkeurig en maakt aanteekeningen van langere of kortere tochten al naarmate ze tijd heeft om haar fiets te gebruiken en na verloop van een maand zal zij zooveel schoons in haar omgeeving zien, dat ze haar een nieuw ontdekt land toeschijnt.

Te lang is ons leven aan banden gelegd door de eischen der beschaving. Onze sluimerende bekwaamheden beginnen te ontwaken. De fiets vergunt ons op een volkomen vrouwelijke wijze van onze physieke krachte te profiteeren; hij komt te gemoet aan onzen drang naar beweging door de snelheid, waarmee hij ons verplaatst en scherpt onzen geest door de noodzakelijkheid om altijd op ons qui vive te zijn voor mogelijke gevaren.

Er zijn geen bijzondere talenten noodig om dit soort van sport volop te kunnen genieten. Met hoeveel genot bestijgen wij allen niet onzen eersten heuvel; hoe vroolijk en opgewekt stemt ons het heerlijke gevoel, dat wij na inspanning van alle krachten den top bereikt hebben!

Maar grooter dan dit alles is het genot, dat de natuur u biedt; smaak het toch met volle teugen! Overal vindt ge, soms op geringen afstand, aantrekkelijke, onvergetelijke plekjes. Na een matig harden rit, stappen we, een beetje moe, stoffig en warm, af, leggen ons paard in het gras, gaan er zelf naast liggen en genieten kalm wat zich aan ons oog voordoet. Alle muizenissen worden op de vlucht gejaagd, hetzij school of kinderkamer, salon of keuken ze deden ontstaan. Kalm en weldadig werkt de omgeving; de natuur neemt onze ziel zoo geheel en al in, dat er geen plaats overblijft voor verdriet en kleinzieligheid. We hoeven niet precies op onzen tijd te passen, geen trein of tram te halen; ons paard staat rustig tot onzen dienst, geduldig wachtend tot het ons belieft weer op te stijgen.

Schatten wij vooral de physieke voordeelen niet gering, die het rijwiel ons bezorgt. Gebruik uw fiets als bewaarder, niet als verwoester van de gezondheid en hij kalmeert de zenuwen, versterkt te spieren, bevordert den bloedsomloop en schenkt een gezonden slaap.

Met mate gedaan, d.i. als wij onze krachten nooit overspannen, staalt het wielrijden alle deelen van het lichaam. Zoodra het echter gevolgd wordt door gebrek aan eetlust, gejaagdheid en slapeloosheid, dan zijn de grenzen overschreden en is onmiddellijke rust dringend noodig.

Ik druk u nog eens op het hart te zorgen, dat uw fiets goed voor uw lichaam gesteld is, zoodat ge gemakkelijk zit. Zijn zadel of stuur te hoog of te laag geplaatst, dan zal het rijden ons groot, soms blijvend nadeel doen. Ook is oververhitting bij het rijden streng af te keuren, omdat zij het gestel zeer vatbaar maakt.

Om de ontelbare voordeelen van het wiel te kunnen waardeeren, moeten wij ons niet vergenoegen met te hooi en te gras eens een uitstapje te maken. Een dagelijksch ritje van een half uur is veel aangenamer dan een tocht van vier à vijf uur per week, als weer en wegen precies naar uw zin zijn. Bij het fietsen moeten we de elementen het hoofd bieden, kou en hitte kunnen verdragen. Het nu en dan rijden zal het gestel eerder irriteeren dan versterken. Kunt ge u onmogelijk dagelijks oefenen, stel u dan tot taak b.v.b. eens per week zeven uur gaans af te leggen, ondanks de afwisseling van het klimaat. Op die wijze zult ge leerzame ervaringen opdoen; hoe hevig de wind u ook tegenwerkt, ge weet, hier gelt het “bukken en overwinnen”.

Voor de meeste wielrijdsters is fietsen op mooie, niet te warme zomerdagen het ideaal. Ik voor mij geniet het meest ‘s winters. Laat de wind blazen en loeien, laat het vriezen dat het kraakt, wat hindert het mij? Geef mij mijn wiel, mijn bonten mantel, muts en handschoenen en ik haal mijn hart op. Blijft gerust bij de kachel kleumen, gij allen, die mij bibberend beklaagt; ik geef de voorkeur aan de roode wangen, schitterende oogen en een gelukkig gevoel van blijde gezondheid.

Een nieuwe wereld ligt voor ons! Het staat slechts aan ons of we haar willen gebruiken of misbruiken. Zijn we onze vrije voorrechten waardig, dan is er geen eind aan ons genot, maar bedenk, dat we door overdrijving en roekeloosheid ons heele verdere leven spijt kunnen hebben, ons bij de gelukkige schare wielrijdsters te hebben aangesloten.

Naar het Engelsch.

Zwolle, Maart ’97. 

G.E.

Verder lezen: ‘De fietsende vrouw’, over wat de uitvinding van de fiets voor de emancipatie van de vrouw heeft betekend. Met advertenties uit De Hollandsche Lelie jaargang 1897.

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (Slot)

Filed under Dagelijksleven

Onze meisjes op de Fiets (II)

[In De Hollandsche Lelie van 31 maart 1897; vervolg van de week ervoor]

“Gebrek aan zelfvertrouwen,”zegt ge onmiddellijk en spreekt daarmee uw eigen vonnis uit. Gebrek aan zelfvertrouwen en de hardnekkige neiging om uw oogen onafgewend op uw slingerend voorwiel te vestigen, maken u angstig. Wij moeten ons lichaam dwingen automatisch ons verstand te gehoorzamen. Inderdaad, elke nieuwelinge mist de geruststellende overtuiging, dat ze haar voorwiel in bedwang kan houden. Om volkomen heerschappij over uw ijzeren paard te voeren, is het absoluut noodig dat ge niet naar uw voorwiel kijkt.

Hebt ge er wel eens op gelet, hoe een kind leert loopen? Mama staat of zit vlak bij de plek, waar baby zich met zijn speelgoed amuseert. op een oogenblik vertrouwt de kleine plotseling zijn beentjes en, aangemoedigd door den korten afstand en moeders open armen, steekt hij in een vaart van wal. Nu heeft het kind vertrouwen op zijn physieke kracht gekregen en plaagt het zijn hoofdje niet meer met de vraag, of het al dan niet rechtop kan staan.

Dit geldt ook voor het fietsen. De groote kunst van leeren bestaat daarin, dat men altijd voor zich uitziet, de oogen gericht op het doel, dat in een rechte lijn voor u ligt. Laat uw voorwiel zooveel slingeren als het wil, het kan niets geen kwaad; kon het niet slingeren, dan zou het rijden onmogelijk zijn. Ge zoudt even goed kunnen wenschen dat de kop van een paard, of uw eigen hoofd niet draaien kon. Verheugen we ons liever over de groote beweegbaarheid van ons voorwiel en vinden we er ons genoegen in, het zelfvertrouwend, handig en, daardoor onbewust sierlijk, te regeeren. Ga eens voor al van de overtuiging uit dat gij uw stuur meester zijt, niet omgekeerd, en begin uw eerste les.

Ge hebt u natuurlijk voorzien van een gebruikte machine en een handigen, sterken knecht.

Ik veronderstel dat ge op een wijze gekleed zijt, die de fiets eer aandoet, d.w.z. dat ge draagt: een wijde pantalon, korten rok, een paar laaggehakte schoenen en geen korset. Bij het rijden komt het in hoofdzaak aan op het peddelen, op de juiste enkelbeweging. Konden we ons zelf maar eens zien zooals anderen ons zien, hoe spoedig zouden we de overdreven kniebeweging achterwege laten en begrijpen, dat de kracht van onze dijen uit moet gaan en het trappen zeer gelijkmatig behoort te zijn. Zit niet als een domme gans op het zadel, afwachtende of de pedalen uw voeten naar boven zullen duwen; hef uw been op, wanneer de beweging dat meebrengt. Denk er aan dat de mensch een schoongevormden enkel bezit, die allerlei bewegingen toelaat. Toon u dien enkel waardig door goed te leeren trappen.

Sommige menschen meenen te kunnen wielrijden als ze zich maar op een velocipède in balans weten te houden – door een reeks onregelmatige rukken aan het stuur en door het op en neer bewegen der pedalen.

Over zulke wielrijdsters moeten we een niet te streng oordeel vellen, al noemen we ze heimelijk ook caricaturen.

Hoe kunnen we goed onze enkels leeren gebruiken, – dat is de moeilijkheid! Het beste middel is misschien, op een safety te gaan zitten, die vast staat in een stander. Iedereen kan door oefening de beweging in den slag krijgen. Heeft men dien eenmaal beet, dan vermeerdert zij uw rijvermogen, dan stelt ze de wielrijdster in staat heuvels te beklimmen en een goeden gang er in te houden met een minimum van kracht en inspanning. Ik raad u aan, dat gij elken dag tien minuten aan de enkelbeweging besteedt; gij zult daaroor eerder een schoonrijdster worden dan door wekelijks urenlang te fietsen, zonder op die oefening te letten.

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Uit de aard der zaak is een bicycle moeilijker te berijden dan een tricycle. Toch hebben de machines verscheiden punten van overeenkomst en zijn dus de algemeene aanwijzingen die ik geef, op  beide toepasselijk; het peddelen is natuurlijk hetzelfde, evenals het regeeren van ‘t stuur, de houding der rijdster enz. Men zal mij toegeven dat velen van onze jonge dames lang geen bevallig figuur maken op een fiets. Als men een velocipède langs den weg kan voortbewegen, wil dat nog niet zeggen dat men kan wielrijden. Om de bekoring van het balanceeren geheel te kunnen genieten, heeft men niet alleen een flinke machine noodig, maar ook de kunst om volkomen gelijkmatig voort te glijden, zonder dan men zich zijn sturen bewust is. Wil de rijdster het tot dezen trap van vervolmaking brengen, dan moet ze lenig zijn in haar bewegingen, niet met het bovenlijf zwaaien, rechtop zitten en toch onmerkbaar door haar lichaam de richting van het voorwiel aangeven.

Het al of niet wenschelijke van het leeren rijden in een overdekte school, heeft heel wat discussies uitgelokt. Sommigen houden de oefeningen binnenshuis voor hoogst ongezond; anderen komen zij bijzonder goed voor, omdat daardoor het zoo nadeelige hijgen vermindert, en omdat het bedachtzaam ontwijken van de muren, de leerlingen met de kunst vertrouwd maakt later de onvermijdelijke drukte op de wegen handig te passeeren.

Als argumenten tegen het oefenen in een besloten ruimte, voert men nog het volgende aan: ten eerste wordt de atmosfeer bezwangerd met fijne stofdeelen, wat zeer nadeelig is voor borst en longen: ten tweede neemt de nieuweling, niet gewend aan de snelle beweging, onwillekeurig de slechte gewoonte aan om door den mond te ademen en ten derde maakt de voortdurende angst tegen een der muren aan te komen, de leerling zenuwachtig, overspannen of duizelig.

Als de heeren doctoren het niet eens zijn, wie zal dan beslissen? Het komt mij voor dat elke nieuwelinge haar eigen constitutie moet raadplegen. Veroorzaakt de les in een gebouw haar onaangename symptomen, dan probeere ze het in de open lucht.

Wat het ademhalen betreft, men kan hier alle gevaar voorkomen, als men van te voren goed leert ademen door de neusgaten. Niet alleen beginnelingen, maar ook geroutineerde rijders hebben het groote nut ingezien van het oefenen der hartkleppen en longen, nadat ze een steilen heuvel waren opgereden, door een eenvoudig middel. Men sluit de lippen stijf op elkander, strekt de schouders naar achteren, spant de borst en ademt geregeld en diep door den neus. Ik raad iedereen sterk aan, zich dagelijks voor een open raam of in de buitenlucht in zulk ademhalen te oefenen; het is prachtige longengymnastiek en zal haar bij het fietsen uitstekende diensten bewijzen.

Rijd niet tot ge geheel buiten adem zijt en stijg af, wanneer gij hartkloppingen krijgt. Een tweede punt van belang is het volgende: zoodra het dwaze gevoel van vrees zich van u meester maakt, dat alle wielrijdsters, geloof ik, kennen en u de vreeselijkste onheilen voorspiegelt, verzet u daartegen met alle macht, en laat het zich niet op de vlucht jagen, houd dan een oogenblik op, om daarna met nieuwen moed te beginnen.

Deze angst is slechts de overspanning van zekere spieren en zenuwen, die zich onmiddellijk aan de hersens meedeelt en ons een beklemmend gevoel bezorgt. Er valt dikwijls niet tegen te redeneeren; behandel het zooals ge een bang kind zoudt behandelen. Wandel naast uw wiel en kalmeer uzelf, door uw gedachten bij iets anders te bepalen. Uw krachten zijn uitgeput, en ge doet wijs met voor eenige oogenblikken een ander stel zenuwen en spieren aan ‘t werk te zetten.

(Wordt vervolgd.)

[Er volgt nog één slotdeel.)

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (II)

Filed under Dagelijksleven

Onze meisjes op de Fiets (I)

[In De Hollandsche Lelie van 24 maart 1897]

Het wielrijden is een der opwekkendste, gezondste en nuttigste uitspanningen, doch als we terug denken aan de verouderde, zware driewielen, dan staan we verbaasd over den moed en de volharding der pioniers, die zoo dapper den weg baanden voor onze hedendaagsche fietsen.

In vroeger jaren was dit voertuig weinig populair en eischte het van de liefhebbers niet alleen moed, maar ook zeer veel lichaamskracht. Veertig à vijftig pond log metaal over dikwijls zeer slechte wegen voort te trappen, was geen aangename bezigheid, gezwegen nog van de hellingen, die heel wat van de krachten eischten.

Maar gelukkig zijn deze verouderde machines verdwenen en kunnen we nu met welgevallen de mooie metaalscheppingen van onzen tijd beschouwen. Op twee wielen het evenwicht te bewaren en bevallig, als een zwaan voort te glijden, verdient ten volle de bewondering en sympathie van onze meisjes.

Die teere stalen machine – welk een nieuwe wereld ontsluit ze ons! Met haar hulp kunnen we afstanden afleggen, die de helden van Homerus verbaasd en Achilles beschaamd zouden hebben.

Om het vermaak naar hartelust te kunnen genieten, moeten we ons in de eerste plaats een wiel aanschaffen dat aan onze individueele behoeften voldoet. Voor een nieuwelinge mogen alle machines ongeveer hetzelfde schijnen, een ingewijde kan met één blik den bouw en bijzonderen stijl van een velocipède zien en beoordelen. In de menigvuldige fabrieken heeft men zich niet alleen sinds jaren op het maken van fietsen toegelegd, maar ook zijn voordeel gedaan met het talent van den teekenaar en van practische werktuigkundigen. Het in elkaar zetten van het rijwiel en al zijn onderdelen heeft – ook buiten de ingewikkelde quaestie van het materiaal – de helderste hoofden bezig gehouden. Wij meisjes, dikwijls zoo ingenomen met onze safety [zo werd de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen genoemd, gebouwd door John Kemp Starley in 1855 – dit model was veel veiliger dan zijn voorganger ‘de hoge bie’ – GS] , mogen wel een woord van dank wijden aan hen die zooveel tot ons genot en gemak bijdroegen.

Een uitgezochte collectie machines staat ter onzer keuze: tricycles, bicycles, tandems, zoowel met twee als met drie wielen, sociable-tandems enz. Van al deze soorten is de safety het meest in gebruik. Toch wordt de tricycle tegenwoordig ook zoo licht gebouwd, dat ze een belangrijke mededingster kan worden voor haar slankere zuster, de tweewieler. Een der groote voordeelen van een tricycle is, dat ze zonder steun kan staan. Ook is ze erg gemakkelijk om boodschappen te doen, daar men er verscheiden pakjes op kan laden.

Daar staan evenwel overwegende bezwaren tegenover; ten eerste heeft men veel ruimte noodig om haar te bergen; ten tweede maakt haar breedte het lastig zoo niet onmogelijk door allerlei passages te rijden; ten derde hangt men voor een tochtje per driewieler meer af van weer en weg. Alles gaat van een leien dakje als de rijder den wind achter zich heeft en de baan zoo glad is als een mahoniehouten tafel, maar berijdt men een slechten weg, stijf in den wind, dan vereischt het werk geduld, overleg en lichaamskracht. Ongelukkig voor de populariteit van de tricyle bezitten niet alle wielrijdende vrouwen deze noodzakelijke eigenschappen. Een fiets met drie wielen eischt natuurlijk drie sporen, voor elk wiel moet al rijdende een nieuw spoor gemaakt worden. Glijden we over bovengenoemde gewreven tafel, dan verkeeren we in zalige onwetendheid omtrent het bestaan van zoo iets als sporen, maar op den publieken weg is onze positie dikwijls niet te benijden.

Een ander bezwaar noemen we dat men van een tricycle niet kan afstijgen wanneer zij in beweging is. De rijder is als ‘t ware tusschen de groote wielen en het frame ingesloten en deze hulpelooze toestand maakt het op- en afgaan van heuvels eenigszins gevaarlijk. Ook is het besturen van zulk een fiets, zelfs voor een geoefend rijder, een vrij lastig werk, omdat de machine door een onhandige, of te plotselinge wending licht omslaat.

Een der voordeelen van een tricycle is de onmogelijkheid om te slippen. Berijdt men een tweewiel of raakt men in een tramrail vast, dan is men bijna altijd verplicht op een ongewenschte, min bevallige manier af te stijgen, hetgeen niet met een driewiel kan gebeuren. Ook wordt beweerd dat iemand gauwer een tri- dan een bicycle kan leeren berijden; men behoeft geen evenwicht te houden. Mij komt het echter voor, dat in deze moeilijkheid tevens een van de grootste bekoorlijkheden van de safety schuilt.

De tandem-bicycle staat niet hoog aangeschreven bij de vrouwen, in hoofdzaak omdat ze wegens het slippen minder veilig is dan een ander rijwiel. In snelheid is zij echter ongeëvenaard. Mits de rijders van gelijke kracht en aan elkaar gewend zijn, ian men er heerlijk en gauw uitstapjes op maken. De tandem-tricycle is een uitstekend familierijwiel; ze is practisch en veilig.

Toch blijft, ondanks alle mededinging, onze tweewieler de lieveling en heeft ze haar populariteit wel verdiend. In geval van een ongeluk is het tien tegen één, dat de berijdster op haar voeten terecht komt. Zelfs als haar machine in vaart is kan ze na eenige oefening er afspringen, of met behulp van haar rem onmiddellijk stoppen. Ook zwakke meisjes kunnen zelfs over een heuvelachtig terrein, zonder bezwaar tien uur gaans per dag afleggen; oefening en bedrevenheid, gevoegd bij een goede enkelbeweging, vergoeden het gemis aan veel spierkracht.

Het groote voordeel van de safety-bicycle boven het driewiel zit behalve in haar sierlijker vorm, in haar meerdere lichtheid en geschiktheid om slechte wegen te berijden. Voor een tweewiel toch, is dikwijls een karrespoor voldoende.

Door onze ingenomenheid met de safety, zouden we de sociable-tandem bijna vergeten. Deze velocipède heeft ook twee wielen en de rijders zitten elk aan een kant van het voorwiel; de machine eischt nauwgezet sturen. Vermoedelijk zal ze meer in de smaak vallen van oudere menschen, dan van onze jonge vrouwen, daar het niet meer dan natuurlijk is, dat wij liever elk ons eigen bootje sturen.

Sociable tandem (via wheelbike.blogspot.com)

Sociable-tandem 1896 (via wheelbike.blogspot.com)

We zien de bekoring van het rijwiel onze verstoktste conservatieve vriendinnen doet afwijken van de paden die het decorum hen vroeger voorschreef. Het spreekt vanzelf dat wij, eenmaal door de wielermanie aangetast, niet anders wenschen, ons niets heerlijkers kunnen voorstellen, dan een tweewiel te leeren berijden, om het even of onze kennissen het elegant of onbevallig doen.

Misschien is het hier de plaats onzen lezeressen het bekende spreekwoord “haastige spoed, gaat zelden goed”, in herinnering te brengen. Het meisje, dat even in de gauwigheid wil leeren wielrijden, wachten vele teleurstellingen. Ook is het onverstandig onze oefeningen te laten bederven door dat akelige spook, Angst, dat allen zonder onderscheid nu en dan in hun leven schrik aanjaagt. Wees voorzichtig, niet bang.

Bijna altijd hoort men van beginnelingen den uitroep: “O, ik zal mij nooit in balans leeren houden!” Wisten we dan, hoe ons evenwicht te bewaren, toen we als kleine kinderen op allerlei koddige wijzen op den grond rolden?

Een kind leert niet gemakkelijk rechtop loopen, omdat zijn ongeoefende oogen voortdurend op zijn voeten staren en zijn kinderverstand meent niet zonder steun te kunnen staan.

(Wordt vervolgd.)

[Er volgen nog twee delen, lees hier het tweede deel]

Reacties uitgeschakeld voor Onze meisjes op de Fiets (I)

Filed under Dagelijksleven

Koffie zetten

[In De Hollandsche Lelie van 9 september 1896]

Menige klacht van goede kennissen over hunne koffie heb ik, door mededeeling dezer bereidingswijze, die een smakelijken drank oplevert, tot mijn genoegen reeds dikwijls uit den weg geruimd.

Ik koop altijd rauwe koffie, die ik sorteer en zelf brand. Sedert jaren gebruik ik denk koffiebrander uit ijzeren cilinders bestaande, die over de geheele lengte door een spiritusvlam verhit worden; een half kilo heeft 10-20 minuten noodig; de koperen kogels, die slechts even verhit worden, drie kwartier.

In ‘t begin moet langzaam, maar zoodra de koffie donkerder wordt, moet sneller gedraaid worden. Wij mogen geen blauwen rook waarnemen en oppassen dat de boonen niet knappen.

Is nu de kleur geelbruin en de boon gemakkelijk breekbaar, dan moet de koffie zoo gauw mogelijk in steenen of porceleinen schotels gedaan worden.

Nu moeten de boonen beginnen te zweeten; was dit reeds eerder het geval, dan zij zij te sterk gebrand en zal de koffie scherp en bitter smaken; wordt ze te weinig gebrand, dan behoudt ze een onaangenamen, rauwen smaak.

Onder behoorlijk omschudden wordt, na verdamping, de koffie toegedekt en geheel afgekoeld in bussen bewaard. Het best en smakelijkst is een mengsel, van verschillende soorten: b.v. Java, half Mokka, of half Menado (deze het best zeer oude; ze is dan groot, roodachtig, en wormstekig, het kenteeken voor koffiekenners,) ook Ceylonkoffie alleen of een mengsel van Santos met Guatemala koffie.

Groene koffie alleen is scherp zuurachtig van smaak; de gele is flauw, maar een mengsel van verschillende  soorten geeft den echten koffiesmaak. Betere soorten leveren meer uit dan slechte; zuinigdheidshalve behoeft men waarlijk geen goedkoopere soorten te drinken, en het is niet mogelijk met de beste suikerij een geurige aangename koffie te bereiden.

In de eerste plaats moet nu voor een regelmatig, fijn malenden molen gezorgd worden; het is dwaasheid en verkwisting om van grove korrels koffie te zetten; de mijne is altijd zoo fijn als tafelzout. Van oud, afgekookt, zoogenaamd koffiedik kan nooit een smakelijke koffie bereid worden; zij smaakt altijd als ware zij opgewarmd; bovendien bekomt zij slecht, daar men er een opgeblazen gevoel na krijgt. Hoe frisscher het water, des te meer lucht en koolzuur het bevat. Het water uit de kraan laat ik eenigen tijd wegloopen, en kook nu frisch water.

De koffiekan en filtreer beide moeten van te voren met kokend water worden uitgespoeld en daarna goed afgedroogd. Nu kan eindelijk de koffie, 8 gram voor één kop, in het filtreer gedaan worden en men laat de koffie filtreeren. De tuit sluiten wij met een prop papier af, om te verhinderen dat het aroma vervliegt. Het water moet bepaald goed gekookt hebben, anders zou de koffie niet smakelijk zijn.

Verder moet de handbeweging bij het overgieten flink en krachtig wezen, en er moet niet eerder ander water bijgedaan, vóór alles is weggeloopen; schudden veroorzaakt verlies van kracht en mooie kleur en moet dus nagelaten worden! De temperatuur van het water in de kastrol moet op het kookpunt blijven, doch het mag nooit koken; men verwijdere het dan direct. Droge verwarmingstoestellen leveren nooit een zoo voortreffelijken drank, als deze apparaten.

Wat schenken onze beminnelijke huismoeders uit zilveren kannen vaak onsmakelijke lauwe koffie en wat erger is, soms vergiftige aftreksels!

De op bovenstaande, zorgvuldige manier bereide koffie, kan desnoods, zonder onaangemaan van smaak te worden, 15-20 minuten in het zoogenaamde waterbad blijven staan; integendeel smaakt ze er beter door, omdat de fijne olie na het laatste opschenken zich volkomen afscheidt.

Aardappeleters

De aardappeleters’ van Vincent van Gogh (1885): hier wordt ook koffie geschonken.

Nu nog die gewichtige factoren bij een smakelijke kop koffie! Om den smaak te kunnen beoordeelen zou men ze zonder melk moeten drinken; bij goede koffie moet alleen room gebruikt worden. Melk en room moeten vooral gekookt worden, anders bederft zelfs de beste koffie. Door de melk vooraf te kloppen, ontstaat er een mooi, dicht schuim ls geslagen room, dat er heel smakelijk uitziet; door den klopper tusschen de vlakke hand snel heen en weer te bewegen wordt dit verkregen. Is de geslagen room klaar, en zijn de gasten er nog niet, dan kan de klopper er gerust in blijven staan; men gebruikt hem maar weer eens, om te voorkomen dat er een vlies opkomt. Bij het kloppen mag de kan niet te vol zijn, maar een gedeelte mag zoolang in een anderen pot gedaan worden tot naderhand het schuim klaar is, en er bijgegoten wordt; het schuim komt dan boven. Voor het inschenken behooren de kopjes zacht verwarmd te worden. Ik zelf heb met machines van verschillende naties de proef genomen, en ben overtuigd dat bovengenoemde manier verreweg de beste is. Bij groote haast is het Weenertoestel wel aan te bevelen, doch liefst van porcelein, omdat bij het staan dan geen metaalsmaak ontstaat.

Zoogenaamde Russische machines zijn ook wel goed, maar leveren niet zulk een goede koffie als genoemde, omdat ze de koffie kracht ontnemen.

Goede wil en oefening zullen rijkelijk beloonen!

Ideaal en praktijk.

 

Reacties uitgeschakeld voor Koffie zetten

Filed under Dagelijksleven

Etiquette: op reis

[De Hollandsche Lelie van 26 augustus 1896, in de rubriek ‘Vormen’]

Reizen! Wèl is het “een kostelijk deel des korten levens waard!”

Het verheft boven het kleingeestige, alledaagsche, het verruimt den blik, beschaaft den geest, veredelt hart en gemoed!

Als wij oogen hebben om te zien, en bovenal een gemoed vatbaar voor nieuwe indrukken, dan is het een heerlijk, een rein genot.

Mogen velen onder u tot de gelukkigen behooren die thans de koffers pakken om, ver van stadsgedruisch, in een of ander bekoorlijk hoekje van onze wonderschoone aarde ontspanning en rust te zoeken.

Onder veel goeds en schoons heeft onze eeuw aan jonge vrouwen en meisjes vrijheid gegeven zich onder mannelijk geleide op reis te begeven. Wel zullen onze grootmoeders, en moeders misschien ook nog, hare eerwaardige hoofden schudden en het zéér ongepast vinden, dat jonge meisjes tegenwoordig maar zoo alleen, of slechts in gezelschap van elkaar door de wereld zwerven, maar het “men” in het algemeen breekt er gelukkig niet meer den staf over.

Laten wij er voor waken dat dit zoo blijft.

Iedere vrouw moest bedenken, dat, hoe vrijgevochten zij ook is, hoe weinig zij ook moge gegeven om kleingeestig gebabbel, zij aan haar “vrouw-zijn” verplicht is, zich bescheiden, waardig en vrouwelijk te gedragen. Haar onvrouwelijke gebaren, luide stem, joviale kout met iedereen, moge haar zelve niet schaden, de vrouw in het algemeen zal den noodlottigen invloed daarvan gevoelen.

Menig man legt in zijn optreden tegenover een vreemde vrouw, getuigenis af van het moreel en intellectueel peil waarop de vrouw uit zijn naaste omgeving staat.

Ieder van ons bedenke dus, dat mogen wij in de oogen van ouderwetsche menschen geémancipeerd zijn onze handelingen niets behoeven te verliezen van het echt-vrouwelijke, zachte, dat zoo bekoorlijk is in iedere vrouw.

Gaan wij in den vreemde, dan verliezen wij de bescherming, die wij in onze woonplaats genoten door onzen goed klinkenden naam, den stand of de positie die wij daar bekleeden.

Op reis zijn wij slechts een atoom in het groot maatschappelijk gedwarrel.

Dáár zullen een beschaafde, welluidende stem, rustige, bevallige allures, een eenvoudig, smaakvol toilet de beste beschermers zijn.

Sommige dames zijn van meening dat een oude japon voor de reis op spoor en boot goed genoeg is. Anderen daarentegen denken dat zij heel chic en bereisd schijnen, als zij zich dossen in een excentriek reistoilet met korten rok, dikgezoolde laarzen, alsof zij onmiddellijk een berg moeten bestijgen.

Beiden dwalen.

Een oude japon, veelal eenigen tijd achter de mode, staat slordig en is soms belachelijk.

In een spoorwegcoupé, waar men dikwijls uren achtereen met hetzelfde gezelschap vertoeft, vallen allerlei onvolkomenheden in uw kleeding veel meer in het oog, dan ergens anders.

Kies voor uw reiskleeren duurzame, donkere stof, die een flinke regenbui kan doorstaan. Laarsjes en handschoenen dienen van de beste qualiteit te zijn. Deze goedkoop te nemen is, op reis zeer zeker, een économie aux bouts de chandelle. Maak uw bagage zoo beknopt mogelijk; voor u zelve is het een gemak en voor uw beurs een niet te versmaden voordeel.

Gaat gij voor langen tijd dan kunt gij niet buiten een koffer, maar vermijd zooveel mgoelijk kleine pakjes, hoedendoosjes enz. Het meeste gerief zult gij hebben van een plaid-rol die, behalve het voordeel dat zij licht is en veel kan pakken, ook nog als sluimerrol of kussen dienst doen.

Aan douane-stations maakt zij uw koffers open eer men er u om vraagt; hierdoor voorkomt men gewoonlijk het onbescheiden rondwoelen, dat in één oogenblik de keurige orde, die zooveel hoofdbrekens kostte, doet veranderen in een jammerlijken chaos.

Maak uw reisplan op vóór uw vertrek, en dus val niet in de fout van zooveel dames die nooit precies weten te zeggen waar zij heen gaan en van uren van aankomst en vertrek niet de minste “Ahnung” hebben. Och wij kennen ze allen, die aan de stations als radelooze vogeltjes rondfladderende schepseltjes; iedereen, beambten en reizigers klampen zij aan; ontvangen veel aanwijzingen, veel goeden raad en komen ten slotte nog dáár aan waar zij geen plan hadden te gaan. Die hulpeloosheid, dat altijd te laat komen, doet juist het schouderophalend oordeel ontstaan dat sommige heeren zoo gaarne over zusters vellen.

Passagiers stappen op het station van Bussum in een tweede-klasserijtuig (via jenneken.nl)

Op het station van Bussum (via jenneken.nl)

Echte beschaving, die haar oorsprong vindt in lieftalligheid en zachtheid van gemoed, doet zich, vooral op reis zoo spoedig kennen in uw hulpvaardigheid, in den tact waarmee gij bescheiden weet te zijn zonder beschroomdheid.

Zie niet van uw gemakkelijk hoekje uit de hoogte neer op iemand beladen met pakjes en doozen en dikwijls nog met de zorg voor een paar kinderen, die uit zenuwachtigheid niet weet, wat zij het eerst in veiligheid zal brengen. Reik haar liever de behulpzame hand, en plaats, jong, vlug en bereisd als gij zijt, haar bagage in het net, zoo dat het de hoofden der medepassagiers niet in gevaar brengt. Reist ge met eenvoudige, minder beschaafde menschen, die u, in hun naïveteit, allerlei verhalen doen, och, verschuil u dan niet achter uw boek, of zie de stakkers niet aan met één uwer verstijvende blikken, dáármee toont gij uw meerderheid niet. Wel behoort gij voorzichtig te zijn in het maken van kennis, in het voeren van gesprekken, of het wisselen van kaartjes.

Een elegant toilet, beschaafde manieren en het reizen eerste klasse zijn geen voldoende waarborg.

Neem nooit op reis, nog minder bij een lang verblijf op een badplaats, beleefdheden aan van menschen die gij niet kent, en waarmee gij in uw woonplaats zeer waarschijnlijk niet zoudt willen omgaan. Het kan tot groote onaangenaamheden leiden. Het is voor dames alleen toch niet geraden in den vreemde spoedig kennis aan te knoopen, zelfs niet met de meest achtenswaardig-uitziende personen. Men kan zich dan zoo gemakkelijk vergissen, ondanks alle mogelijke menschenkennis. Jongen dames, die uit neiging of noodzaak alleen reizen, zou ik ontraden aan de table d’hôte te eten. Zij doen beter hun middagmaal op haar kamer te nemen of bij langer verblijf een pension te zoeken.

Dineert gij aan een table d’hôte of in een hotel waar gij slechts enkele dagen vertoeft, dan is het niet noodig met uw tafelburen in gesprek te treden; beleefdheidsphrases en opmerkingen daar buitengelaten.

De spijzen voor zoover zij niet worden rondgediend, geeft gij met een zwijgende buiging en met de rechterhand door. Met een reisgezelschap aan tafel of in een spoorwegcoupé fluisterende gesprekken houden is niet beschaafd. Evenmin op- of aanmerkingen over uw medereizigers te doen in uw eigen taal.

Zelfs al verstaan zij uw woorden niet, dan kunnen uw blikken hen spoedig genoeg verraden dat zij het onderwerp van uw gesprek zijn. Intimiteiten te bepraten of te kibbelen in hun tegenwoordigheid is niet alleen gevaarlijk maar ook onbeschaafd. Het kan zoo licht gebeuren dat men u verstaat en hoe beschamend dan voor u zelf en voor hen.

Doet een ander iets dergelijks in uw tegenwoordigheid, meenende dat gij hen niet verstaat, verraad dan door woord noch blik dat zulks wel het geval is. Daarmee zult gij u welopgevoeder en bedeeld met meer gemoedsbeschaving toonen dan wanneer gij in een soort van kinderachtigen triomf hen laat merken hun gesprek te hebben verstaan en gevolgd; een gesprek te volgen dat niet met u gehouden wordt, is trouwens overal en altijd onbeleefd.

Hoewel de geldquaestie geen punt van bespreking in “Vormen” is, wil ik toch een enkel woord zeggen over het geven van fooien. Wat uw persoonlijke meening ook moge zijn over het zooveel besproken en afgekeurde fooienstelsel, zoolang het niet is afgeschaft kunt gij  als beschaafd mensch er u niet aan onttrekken. Het is een belangrijke uitgaaf op een reisbudget, maar een onvermijdelijke.

Wilt gij goed, spoedig en beleefd geholpen worden, wees er dan niet karig mee en beschouw het als een soort reisbelasting die menigen armen drommel ten goede komt.

Juli ’96.      Tante Jo.

Reacties uitgeschakeld voor Etiquette: op reis

Filed under Vormen

Baden en Zwemmen

[De Hollandsche Lelie, 1 juli 1896]

Nu eindelijk de zomer weer in het land is en de warmtegraden tusschenbeide reeds eene belangrijke hoogte bereiken, ziet menigeen met smachtend verlangen naar de gelegenheid uit, om het lichaam door middel van een verfrisschend bad, zij het ook voor eene korte wijle, eenige afkoeling te bezorgen. Het komt mij voor, dat, vooral in onzen tijd, nu de jonge dames meer en meer aan het open bad gewend worden, al is het gebruik daarvan nog verre van algemeen, het niet overbodig mag heeten, een enkel woordje daaromtrent in het midden te brengen.

Zwembad in 1923 (Geheugen van Nederland)

Zwembad in 1923 (Geheugen van Nederland)

Wij leven in een klimaat, dat de uit onderscheidene oogpunten voordeelige eigenschap bezit, van zeer afwisselend te zijn. Zelfs in deze warme zomerdagen zijn b.v. verschillen in warmte van 20 graden en meer volstrekt niet zeldzaam.  Deze en dergelijke afwisselingen leggen ons echter den plicht op, ons lichaam bestand te maken tegen den nadeeligen invloed, die daardoor op onze gezondheid kan worden teweeggebracht, d.w.z. wij moeten ons harden. Het beste geschiedt dit, door onze huid te harden en wel door ‘s winters het geheele lichaam met matig koel water in aanraking te brengen en des zomers door middel van baden en zwemmen in water van de natuurlijke warmte hetzelfde te verrichten.

Het zal wel niet noodig zijn, met vele woorden de noodzakelijkheid van het water voor en zijn invloed op het lichaam te betoogen. Elk mensch van eenige beschaving is voldoende van die noodzakelijkheid overtuigd; betrekkelijk weinigen echter gevoelen zich door deze overtuiging gedrongen om zich voldoende aan dien invloed bloot te stellen.

Een van de voornaamste invloeden, waardoor het bad op ons lichaam heilzaam werkt is wel deze, dat door het water de huidporiën worden geopend en dat de aan de huid klevende, deels van haar zelve afkomstige, deels van buiten er op gebrachte stoffen er door worden verwijderd. In het kort: de huidventilatie, zooals men het noemt, wordt er door bevorderd en men betitelt deze inwerking met den naam van mechanische.

Maar het water heeft nog een anderen invloed op ons lichaam, dien wij de dynamische kunnen noemen, nl. een opwekkende, verlevendigende op de bloedvaten en zenuwen van de huid, die hunne terugwerking op den algemeenen bloedsomloop en op het geheele zenuwstelsel doen gevoelen. Terwijl toch de bloedsomloop in kracht toeneemt, vermeerdert dienovereenkomstig de wisseling van gassen in het bloed, de spijsvertering zoowel als de geheel stofwisseling van het lichaam verkrijgen grootere werkdadigheid, daardoor wordt de voeding des lichaams verbeterd, dus de gezondheid ten zeerste gebaat.

De kracht waarmede het waterbad de verrichtingen van ons lichaam bevordert, is grootendeels afhankelijk van de temperatuur van het water en vervolgens van den mechanischen invloed, door de meer of minder sterke bewegingen, in het kunstbad te maken, door wrijven der ledematen en lichaamsdelen en door de kunstmatige beweging die aan het water (regen en douche) wordt gegeven.

Laat ons eerst den toestand van den warmtegraad des waters nagaan.

Een bad wordt koud genoemd, als het een temperatuur van 10-200C. heeft, koel van 20-250C., lauw van 25-33C. en warm van 34-40C.

In een koud bad nemen wij, naar gelang van de ons omgevende temperatuur, een gevoel van koude waar, die ons eene rilling over het lijf kan jagen en ons zelfs kan doen klappertanden, de ademhaling wordt belemmerd, en de huid krijgt een bleek-paarse tint.

Personen met een zwakke hartwerkzaamheid en vetlijvigen behooren zich van zulke baden te onthouden, evenzeer zij, die neiging hebben tot bloedaandrang naar hersenen en longen.

Om zich aan het koude bad te gewennen, beginne met met baden van 35C. en dale allengs tot de temperatuur van het koele badwater. Zoo is het mogelijk zelfs voor ode bedoelde gestellen, zich voor het koele open bad voor te bereiden. Maar elfs dan nog mogen zij niet lang in het koele water vertoeven. Onder deze omstandigheden kan het koele bad een verlevendigenden invloed op de huid en den bloedsomloop teweegbrengen; de baders worden genoodzaakt diep adem te halen en daardoor worden tevens de bloedsomloop en stofwisseling versneld.

Warme baden, boven 350C., veroorzaken gewaarwordingen, aan de bovenbedoelde geheel tegenovergesteld. Eerst ontstaat verslapping van de huid en de huidvaten, dientengevolge uitzetting dier vaten, sterker vulling met bloed, roodheid en verhoogde warmte. De werkdadigheid van het hart neemt toe, de pols slaat voller en sneller; later ontstaat zelfs overvloedig zweet.

Uit deze verschillen ten opzichte van de werking van het koude en warme bad, vloeit het onderscheid in zijne practische toepassing voort.  Terwijl het warme bad hoofdzakelijk tot herstel van zekere aandoeningen, dus als geneesbad, wordt aangewend, gebruikt men het koude bad voornamelijk met een hygiënisch doel.

Voor het gebruik van het koude water komt het rivier- en zeebad het meest in aanmerking. De strooming en golfslag werken prikkelend op de huid en de daarin aanwezige bloedvaten en zenuwen. Aanvankelijk moge deze wijze van baden minder aangenaam zijn dan het bad in een kuip genomen, weldra ondervindt men den verlevendigenden invloed, daar de inwerking van zon en frissche lucht op de huid en op de ademhalingswerktuigen het geheele lichaam aangrijpt.

Wordt de beweging in het water nu methodisch, d.w.z. al zwemmende, gemaakt, dan werkt dit als gymnastiek dubbel heilzaam op huid, spieren en longen.

Gezonde jonge dames behooren dus gedurende de zomermaanden, natuurlijk bij een geschikte temperatuur, zich aan het open bad te gewennen en meer bepaald door te zwemmen. Het is de gezondste gymnastiek, die tevens het meest tot ontwikkeling van schoone vormen, van lenigheid, vaardigheid en moed leidt.

Wie de twee of drie zomermaanden geregeld heeft gezwommen, zal des winters minder van de koude hebben te lijden en ook de overige ongemakken van den winter beter kunnen trotseren.

Natuurlijk zijn deze baden ook aangewezen voor dames, die aan zekere zenuwaandoeningen lijden, doch voor deze zijn geene algemeene voorschriften op papier te stellen. Elk geval moet op zichzelf door een geneeskundige worden beoordeeld.

Ten slotte volgen hier, voor mijne geachte lezeressen, eenige algemeene voorschriften bij het gebruik van baden.

1. Men gebruike geen bad terwijl de maag het voedsel verteert, derhalve niet binnen 3 uren na den maaltijd.

2. Men ga niet in het bad, alvorens geheel afgekoeld te zijn en ook niet met een opgewonden geest.

3. De meest geschikte tijd voor een bad is de voormiddag, een paar uren na het ontbijt, dus ongeveer ten 10 uur. Baden in den laten avond te gebruiken, ontrooft velen den slaap of maakt deze bezwarend.

4. Alvorens in het koele bad te gaan, wrijve men hoofd en borst met een doek met koud water en ga langzaam te water.

5. Wie niet zwemt, make steeds bewegingen in het open bad en houde den romp tot den hals onder water. Zoodra men zich onbehaaglijk gevoelt, verlate men het bad. Wie zwemt spanne zich niet te veel achtereen in en vertoeve niet te lang in het water; afwisselende houdingen vermoeien het minst.

6. Het is af te keuren, meer dan eens per dag een verfrisschingsbad te gebruiken.

7. Na het open bad vertoeve men niet ontbloot in de open lucht, maar begeve zich terstond naar het kleedvertrek, waar men zich snel van het badhemd moet ontdoen en het lichaam flink met ruwe doeken moet afwrijven.

8. Wie zich vermoeid gevoelt na een bad, ruste een poosje uit; anders is eene matige wandeling zeer aan te bevelen.

9. Personen, die tot kouvatten geneigd, bleekzuchtig of rheumatisch zijn, moeten bij koele en winderige weersgesteldheid geen open baden gebruiken.

L.       Dr. K.

Reacties uitgeschakeld voor Baden en Zwemmen

Filed under Gezondheid