Tag Archives: beroemdheden

Op jacht met keizer Wilhelm

Wilhelm II, de laatste keizer van Duitsland, regeerde van 1888 tot 1918. Bij ons is hij vooral bekend vanwege zijn verblijf na 1918 in Huis Doorn waar hij al houthakkend zijn laatste jaren sleet. Na zijn dood in 1941 is hij bijgezet in een mausoleum op het landgoed. Zijn gebalsemde lichaam is daar nog steeds aanwezig en zal pas naar Duitsland terugkeren wanneer dat land weer een monarchie is geworden – aldus zijn laatste wens.

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Rond 1910 was hij nog springlevend en een man met aanzien. Hoofdredacteur van De Hollandsche Lelie Anna de Savornin Lohman kon echter geen respect voor hem opbrengen. In de editie van 6 december 1911 schreef zij, onder de titel ‘Afschuwelijk!’:

“De Keizer van Duitschland jaagt voor de eerste maal bij den graaf von Francken Sierstorpff, in Silizië. Deze is met die eer zoo blij dat hij al het mogelijke doet om zijn jachtterrein voor den ‘hoogen gast’ (groote-couranten-stijl) aangenaam te maken. Daartoe heeft hij laten komen uit Boheme 6000 (zegge zes-duizend) fazanten à 6 mark per stuk. Deze worden dan op het terrein vrijgelaten, opdat er zóóvelen zijn dat de Keizer niet kàn misschieten!!

Dan staat er later in de vleierige couranten, dat hij zoo’n groot jager is, en dat hij daarom zoo en zooveel stuks wild doodschoot! Van het walgelijk-kinderachtige van zulk gedoe wil ik niet spreken; alleen maar van ‘t verachtelijke ervan. En dan wil men dat wij ‘gewone menschen’ iets zullen voelen voor vorsten, die van hunne ‘staatsbeslommeringen’ (‘t mocht wat!) uitspanning zoeken op zoo’n laaghartig-wreede-minne manier!

Ik doe niet aan vorstenbewondering!”

 

Reacties uitgeschakeld voor Op jacht met keizer Wilhelm

Filed under Beroemdheden

De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

De Noor Roald Amundsen (1872-1928) had als jongen al een droom: ontdekkingsreiziger worden en als eerste de Noordpool bereiken. Na twee expedities (de Belgische Antarctische expeditie en de Noordwestelijke Doorvaart) was het zo ver: hij richtte zijn vizier op de Noordpool. Tijdens de voorbereidingen kwam hij er echter achter dat anderen hem voor waren geweest: zowel Frederick Cook als Robert Peary beweerde de Noordpool te hebben bereikt.

In het diepste geheim paste hij zijn plan aan: hij ging nu richting Zuidpool, in de hoop daar als eerste te arriveren. Zelfs een deel van zijn expeditieleden hoorde pas onderweg van het uiteindelijke doel van deze tocht zuidwaarts. Zijn broer Leon maakte het nieuws bekend tijdens een persconferentie in Oslo op 1 oktober 1910 en via een telegram werd ook Robert Falcon Scott geïnformeerd. Die was met zijn schip de Terra Nova ook onderweg naar de Zuidpool. Scott was aanvankelijk van plan het kalm aan te doen en veel tijd te besteden aan wetenschappelijk onderzoek, maar toen hij hoorde over de koerswijziging van Amundsen zette hij de sokken erin. En zo startte er een historische race naar de Zuidpool, die door Amundsen werd gewonnen: na een barre tocht zagen Scott en zijn reisgenoten tot hun ontzetting de Noorse vlag al op de Zuidpool staan.

Ook de terugtocht verliep voor Scott en zijn mannen rampzalig. Eén van hen, Lawrence Oates, kon als gevolg van gangreen nauwelijks meer lopen. In het besef dat hij de anderen ophield verzocht hij één van hen zijn dagboek aan zijn moeder te geven en met de woorden “I am just going outside and may be some time” verliet hij de tent – om nooit meer terug te keren. Uiteindelijk zouden ook de overgebleven expeditieleden, waaronder Scott zelf, de reis niet overleven. Maanden later werden ze gevonden, en uit het nagelaten dagboek van Scott bleek hoe hun tocht was verlopen. Naar Oates is daarna nog tevergeefs gezocht, maar alleen zijn slaapzak is terug gevonden.

Juist doordat ze de expeditie niet overleefden, kreeg de reis van Scott veel meer aandacht dan de succesvolle tocht van Amundsen, die wel terugkeerde. Scott zelf kreeg een heldenstatus, die pas bij publicatie van het boek Scott & Amundsen van Roland Huntfort in 1979 wat verbleekte: de expeditie was achteraf niet bepaald goed georganiseerd en Scott had een aantal ondoordachte beslissingen genomen.

Opvallend genoeg had Anna de Savornin Lohman, de eigenzinnige freule die vanaf 1902 hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie was, in die tijd al een zeer kritische kijk op de expeditie van Scott. Onder de titel ‘Heldhaftigheid’ schreef zij op 26 maart 1913:

“Alle bladen, couranten, tijdschriften, enz., zijn vol van den noodlottigen afloop der Zuidpool-expeditie van Captain Scott. En bovenal deze laatste wordt daarbij steeds verheerlijkt als ‘de’ held bij uitnemendheid. Heeft hij niet tot het laatste toe zijn dagboek bijgehouden? Heeft hij niet, nog stervend, een beroep gedaan op de Engelsche natie, ten behoeve der weduwen en weezen van hem en zijn lotgenooten, en daarmede getoond hoe ook in den dood zijne gedachten niet zichzelf maar anderen golden?

Zeker, dit alles dwingt eerbied af en bewondering. Mannen als Captain Scott en zijn makkers, die de volharding en de wilskracht zóó ver drijven, dat zij geen gevaar, geen ontbering te groot achten om hun doel te bereiken, steken uit als reuzen boven ‘t gros van ‘t kleinzielige menschdom. Daar gaat niets van af. Toch is er m.i. nog een andere zijde van de quaestie ook! Ten eerste rijst de vraag: welk nut, welk practisch doel, hebben deze expedities eigenlijk? Bewijst niet het feit-zelf, dat iedereen Captain Scott ten diepste beklaagt, omdat Amundsen hem tenslotte bleek vóór te zijn geweest aan de Pool hoe niet zoozeer een wetenschappelijke ijver maar wel een persoonlijke eerzucht vóórzit, waar het dergelijke ondernemingen geldt? Maar, in de tweede plaats – en daarop voornamelijk wil ik wijzen – wordt – terwille van den leider der expeditie, – niet vergeten al te veel de m.i. véél grootere ware heldhaftigheid aan den dag gelegd door zijn metgezel Oates? Van dezen laatsten schrijft Captain Scott, met Engelsche pedanterie van uitdrukking, ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’ Als men echter verneemt waarin die gentleman-dood bestaan heeft, dan is men geneigd zich af te vragen, of Captain Scott en de twee andere overblijvenden wel even gentleman-like handelden ten zijnen opzichte als Oates het deed wat hen betreft. Immers Oates heeft feitelijk zichzelf van het leven beroofd, om daardoor Scott en de beide anderen een sneller voorwaarts komen mogelijk te maken. In hevige mate lijdend, met half bevroren voeten, was hij een struikelblok geworden op den toch reeds zoo moeilijken tocht, omdat men hem moest meesleepen. Toen bezat hij den zelfverloochening van geheel alléén de tent, die hen in een storm tot verblijf diende, te verlaten, zeggende, ‘Ik zal lang wegblijven.’ Zoo ging hij den ‘blizzard’ in, den vrijwilligen dood in sneeuw en ijs accepteerend, ten behoeve zijner makkers.

Iets meer subliems is niet denkbaar! En klein – schoon in die omstandigheden vergefelijk klein – staat hier tegenover de houding van Captain Scott, die volkomen begreep wat Oates doen ging, en die hem liet gaan, en koelbloedig schreef in zijn dagboek: ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’

Dat feit, van hem, den stervende, te hebben laten heengaan in dien sneeuw-dood, dat blijft een vlek op de nagedachtenis van Captain Scott. O, ik herhaal het, in zulke verschrikkelijke ellende is het een alleszins denkbare zwakheid, dat de drie nog op uitkomst hopenden hun eigen leven trachtten te sparen ten kost van hunnen reeds zoo-zwaar-zieken vriend. Maar het is met dat al weer een zooveelste bewijs van de menschelijke onrechtvaardigheid en onnadenkendheid, dat iedereen nu achterna veel meer geïmponeerd wordt door het eenigszins bravoure-achtig dagboekverhaal van den stervenden Captain Scott, dan door dat zwijgend, zonder een enkel woord van zelf-beklag uiten, stoïcijns zich-zelf-offeren van Oates. ‘t Lijk van Captain Scott is gevonden! Dat van Oates niet. Wie zal zeggen welk een naamloos wreeden kamp met den dood deze reeds toen hij de tent verliet stervende ongelukkige heeft moeten voeren, temidden van sneeuw, ijs, storm, en omringd door de gruwelijke eenzaamheid dezer poolstreek, alvorens eindelijk de dood hem verloste!”

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem Oates), via Wikpedia

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem staat Oates), via Wikipedia

Voor wie meer wil weten over de Terra Nova Expeditie van Robert Falcon Scott: zie o.a. de documentaire ‘Race to the South Pole’ op Youtube.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

Filed under Wereld

De laatste jaren van Nietzsche

De onderwerpen die in De Hollandsche Lelie aan de orde komen, zijn zeer divers. In het nummer van 11 juni 1902 is een artikel opgenomen over de laatste jaren van Friedrich Nietzsche (1844-1900, hier geschreven als ‘Nietsche’). De auteur is ‘Snowa’.

“De dood van Friedrich Nietsche, den beroemden wijsgeer en dichter, kon geen verrassing voor ons zijn; immers reeds sedert tien jaren sukkelde hij en dus was men op de doodstijding voorbereid.

Deze wijsgeer en dichter heeft zich een menigte aanhangers verworven.

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Nietzsche in 1882 (via Wikipedia)

Toen hij in 1889 ziek werd, kwam mevrouw Förster-Nietsche, zijn zuster, van Zuid-Amerika naar Zuid-Italië om haar broeder te verplegen. Zij zocht een rustige plek op, waar de zieke zijn laatste levensdagen kalm kon slijten.

In 1897 verhuisde zij met haar broeder naar Weimar, waar zij een kleine villa betrokken, ‘Silberblick’ genaamd. Dit huisje, omringd door een kleinen tuin en omgeven door een hek, was het eigendom van mevrouw Metta von Salles, die het te hunner beschikking stelde.

Ten einde dit huis te bezichtigen en inlichtingen te bekomen omtrent de laatste levensdagen van Friedrich Nietsche, begaf ik mij, toen ik van een Rijntocht huiswaarts keerde, naar Weimar.

‘Silberblick’ ligt buiten de stad aan het einde der Luisenstrasze en is geheel met klimplanten en bloemen begroeid, terwijl in het voorportaal de oorkonde van Nietsche hangt. Binnen is alles tentoongesteld wat op zijn leven betrekking heeft.

Na kennis gemaakt te hebben met de zuster van wijlen Nietsche, vertelde mijn vriendelijke gastvrouw mij, dat hij zijn gedachten en werken in stevig gebonden boeken schreef, die hij steeds bij zich droeg. Zij vestigde vooral de aandacht op zijn werk ‘Also sprach Zarathustra’.

‘Om de tien dagen schreef mijn broeder zaliger een deel,’ vertelde mevrouw Förster; ‘hij werkte van ‘s morgens vroeg tot laat in den nacht en gebruikte dan om in slaap te komen een groote hoeveelheid chloralhydraat, hetgeen zijn toestand aanmerkelijk verergerd heeft.’

Op mijn vraag of dit middel hem door een dokter aangeraden was, antwoordde zij: ‘O neen, mijn broeder is zoo lang onder doktershanden geweest, dat hij de esculapen eindelijk niet meer vertrouwde en ten slotte zijn eigen arts werd.’

Toen gingen we in de volgende kamer, waar zich zijn archief bevindt. De wanden zijn er behangen met verschillende portretten en herinneringen uit zijn vroeger leven zooals o.a. een groep van den jongelingenbond: ‘Franconia’ in Bonn; aan den anderen wand hangt een sabel, gedachtenis aan den tijd, toen hij nog officier was; verder verscheidene portretten als van C. Stöving en een schilderij hemzelf voorstellende zittende in de warande van zijn huis in Naumburg. Op een étagère staat zijn bibliotheek, die hij op reis placht mee te nemen; deze bestaat hoofdzakelijk uit Duitsche bewerkingen van Daudet, Brunetière, voorts G. v. Hartmann enz. In den hoek staan twee glazen kasten, waarin zijn geschriften bewaard worden. Behalve de twaalf deelen, die reeds verschenen zijn, is er nog een groote voorraad,d ie langzamerhand ter perse kan gaan.

De gedichten zijn door mevrouw Förster-Nietsche zorgvuldig verzameld en eenigen tijd geleden uitgegeven onder den titel: ‘Gedichte und Sprüche’ (Leipzich, C.G. Naumann). Zij heeft dit gedaan om te bewijzen, dat haar broeder tegelijkertijd wijsgeer en dichter is geweest, hetgeen, zooals men weet, door vele letterkundigen bestreden is.

De driehonderd Aphorismen zijn door Nietsche zelf tot een werk vereenigd, genaamd: ‘Böse Weisheit’.

Ook heeft mevrouw Förster de eerste schets van ‘Omwertung’, die hij opgesteld had, voor uitgave bewerkt.

De sympathieke dame vertelde mij verder , dat haar nog heel wat werk te wachten stond, voordat zij den overigen nagelaten arbeid van Friedrich Nietsche op een wijze zijner waardig de wereld ingestuurd heeft.

Het gesprek ging toen over zijn levenswijze in den laatsten tijd. In de woning in Weimar gevoelde hij zich, dank zij den goeden zorgen van zijn zuster, zeer wel.

Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

De zieke Nietzsche op het balkon van de villa, foto Hans Olde (via http://de.wikipedia.org/wiki/Nietzsche-Archiv)

Gewoonlijk stond hij ‘s morgens tegen zeven uur op, waarna hij zijn ontbijt gebruikte; dan ging hij op de sofa liggen, waarop hij òf insluimerde, òf ‘s middags wakker bleef, dan las men hem de courant voor of eenige korte vertellingen en gedichten.

Het middagmaal bestond hoofdzakelijk uit plantaardig voedsel; vleesch werd slechts in zeer kleine hoeveelheden gebruikt.

Als het ‘s middags mooi weder was, zat Nietsche in een gemakkelijken stoel in den tuin, of hij maakte met zijn zuster en zijn onvermoeide verpleegster, Alvine, een wandeling.

Over het algemeen was de toestand van Nietsche in den laatsten tijd bevredigend; hij sprak veel en goed en moet zelfs eens tegen zijn zuster gezegd hebben: ‘Nu zijn we volkomen gelukkig, niet waar?’

Er waren echter ook dagen, dat hij niet spreken on en tengevolge eener verlamming in zijn linkerzijde pijnlijk steunde. Als men hem dan vroeg of hij pijn had, ontkende hij dit steeds. Zijn geliefkoosd plaatsje was aan het venster, vanwaar hij onafgebroken tuurde naar een verlaten molen zonder wieken en een alleenstaand huis. Dit eentonig uitzicht ontlokte den wijsgeer van tijd tot tijd karakteristieke gezegden.

Nu heeft een beroerte een einde gemaakt aan het leven van Friedrich Nietsche; zijn aardsche overblijfselen zijn naar zijn geboorteplaats Röcken overgebracht.”

Reacties uitgeschakeld voor De laatste jaren van Nietzsche

Filed under Beroemdheden

Het dagelijks leven van Graaf Leo Tolstoj

In De Hollandsche Lelie van 2 december 1896 verscheen een artikel over de ook toen al zeer beroemde Russische schrijver en denker Leo Tolstoj (1828-1910). Het stuk is vertaald uit het Duits en geschreven door ene M. Bessmertny.

“Een der interessantste persoonlijkheden van onzen tijd is ongetwijfeld Graaf Leo Tolstoï. Tot zijn eigenaardigheden behoort ook een buitengewone gastvrijheid, die de reeds spreekwoordelijk geworden Russische gastvrijheid nog verre overtreft. Sedert jaren is Jasnoe Poljana – het tusschen Moskou en Tula liggende landgoed van Graaf Tolstoï – een bedevaartsoord voor buitenlandsche en Russische geleerden en kunstenaars en wie in deze kringen leeft, heeft dikwijls het voorrecht uit hun eigen mond bijzonderheden over het huis Tolstoï te vernemen.

Foto: Sergej Prokoedin-Gorski

Foto: Sergej Prokoedin-Gorski (via Wikipedia-pagina)

Het is karakteristiek om op te merken, hoe Tolstoï’s uiterlijke levenswijze steeds meer aan zijn karakter en persoonlijkheid gaat beantwoorden en aan eenvoud en oorspronkelijkheid toeneemt.

Ongeveer zes jaar geleden vroeg de juist uit Parijs teruggekeerde, talentvolle beeldhouwer Ginsbourg den Graaf, of hij tot hem komen mocht, om zijne buste te modelleeren. Omgaande ontving de kunstenaar de beleefde uitnoodiging om te komen en te blijven, zoolang het hem beviel.

In de eerste dagen hield de studie der omgeving den kunstenaar zoo bezig, dat de stemming om te werken hem ontbrak. Tolstoï onderhield zich dikwijls met hem, maar zelden over beeldhouwkunst. Toen de kunstenaar reeds aan de buste werkte, bood de Graaf op de beleefdste wijze aan, dikwijls te komen poseeren, en sprak daarbij zeer interessant over kunst en beeldhouwkunst in het bijzonder.

Toen ter tijde heerschte bij den meeste ongedwongenheid in den omgang, – de kunstenaar verdween dikwijls halve en heele dagen in het naburige dorp, zonder dat iemand in het slot er naar vroeg, – nog een volkomen aristocratische levenswijze in het huis van Tolstoï. Er waren verscheidenen bedienden en aan tafel werden vleeschspijzen en verschillende andere gerechten gediend, waarbij alleen de Graaf zelf zich aan zijn vegetariaansch menu hield.

Na een verblijf van drie weken verliet de kunstenaar Jasnoe Poljana, en bij zijne terugkomst in Petersburg vond hij in zijne woning een photographie van het talrijke gezelschap aan tafel in het huis van Tolstoï met een eigenhandig onderschrift van den dichter.

Op de photographie was ook de jongste zoon van den Graaf, toen een ongeveer vijfjarige knaap, op het oogenblik dat hij achter den rug van zijn buurman een lepel gelei aflikt, iets waarover zich de kunstenaar toen zoo vermaakt had.

Van anderen kant hoor ik, dat Tolstoï’s uiterlijk in de laatste jaren zeer veranderd is. Hij is zeer grijs geworden, de lippen hebben een minder energieken trek en het gelaat heeft vele rimpels. Maar voor zijn 67 jaar is Leo Nikolajewitsch nog zeer kras en in het volle bezit van zijne physieke en geestelijke vermogens. Alle gasten van Jasnoe Poljana zijn verwonderd over zijn jeugdigen gang, zijn zekere bewegingen, en de voor zijn jaren bewonderenswaardige onvermoeidheid. Den geheelen dag is Tolstoï bezig. De morgenuren brengt hij door met schrijven en lezen. Hoe snel en energiek hij werkt, bewijst wel, dat dadelijk na de voleindiging van zijn ‘Zondagen’, terwijl eene oude, in het huis van Tolstoï wonende dame begon met het overschrijven daarvan, de dichter reeds weer aan een nieuwe vertelling werkte.

Wie weet of de grijsaard nog niet met zijn jeugdige frischheid en zijne stormachtige ziel de stof vindt tot een meesterwerk!

Iederen dag maakt Tolstoï een groote wandeling in het bosch, dikwijls met de bijl in de hand.

In den laatsten tijd reed hij ook veel velocipède. De dichter van ‘Oorlog en Vrede’ heeft bijzonder veel liefhebberij voor deze sport, welke zijne beide dochters met hem deelen.

Dikwijls zien de bewoners in den omtrek van Jasnoe Poljana een vliegenden troep wielrijders waarin zij den Graaf en zijne dochters herkennen. Een tweede geliefkoosde bezigheid van Leo Nikolajewitsch is het hoepelspel, waarmee hij zich gewoonlijk na het eten in den salon bezig houdt.

Voor eenige weken reisden de bekende schilder Walz en de regisseur Tschernewsky naar den schrijver van de ‘Macht der Duisternis’ om zich nadere informatie te verschaffen, betreffende de eerste opvoering van dit drama in den schouwburg te Moskou. Hij vertelde mij, hoe het hem en zijn reisgenoot gegaan was in Jasnoe Poljana.

Wij vertrokken Vrijdagavond van Moskou en waren ‘s morgens om 8 uur reeds voor het huis van den beroemden dichter. Een oude vrouw kwam ons te gemoet, die tegenwoordig de eenige bediende in de grafelijke woning is. Zij voerde ons naar de eerste verdieping in de bibliotheek, die tegenwoordig tegelijk ontvangkamer is. Tolstoï sliep nog, maar een half uur later kwam hij reeds binnen en begroette ons hartelijk.

Door Ilja Repin, 1901

Door Ilja Repin, 1901

In vergelijking van de bestaande portretten ziet de dichter er moede en oud uit. Hij had een langen kiel aan, die aan een misgewaad herinnerde. Hij was zeer voorkomend, en nadat hij het doel van ons bezoek vernomen had, verzocht hij ons naar de eetkamer te gaan, terwijl hij zich wilde verkleeden.

Aan de theetafel vonden wij een groot gezelschap, bestaande uit de dochter van den graaf en verscheiden kennissen der familie. Na weinige minuten verscheen Tolstoï weer, die nu een blouse droeg in plaats van den kiel. Er werd een levendig gesprek gevoerd, hetwelk ook kwam op de aanstaande opvoering van de ‘Macht der Duisternis’.

‘Nu, wat zeide de Graaf hiervan?’ vroeg ik later de Moskousche gasten.

‘O, Leo Nikolajewitsch wijdde er de grootste opmerkzaamheid aan,’ luidde het antwoord, ‘een belangstelling, zooals alleen de dichter voor zijn geesteskind heeft, dat hij in de grootst mogelijke volkomenheid voor het publiek wil opgevoerd zien. Zooals de meeste dramaschrijvers, verdiepte hij zich in de kleinste bijzonderheden en velde over alles, de opvoering betreffend, zijn weloverlegd oordeel. Hij verlangde b.v. dat het decoratief niet alleen waar, maar ethnographisch waar zou zijn, dat het niet alleen een dorp, maar een dorp in het gouvernement Tula, waar het stuk speelt, zou voorstellen!

Na de thee gingen wij wandelen, om teekeningen en schetsen te maken. Om 8 uur werden wij aan het diner verzocht. Er was veel karakteristieks in dit diner! Bedienden waren er niet. De talrijke gasten bedienden elkaar wederkeerig. Nu gaat de eene, dan de andere dochter van den Graaf naar de keuken om een anderen schotel te halen.

Tolstoï wordt een hoe langer hoe strengere vegetariër. In den laatsten tijd wordt er ook geen boter meer gebruikt. Champignonsoep, gortspijzen, vruchten, geroosterde aardappelen, gekookte rapen – uit deze gerechten bestaat het enu hetwelk steeds weder de verwondering der gasten opwekt.

Na het diner maakten wij met den Graaf en zijne dochters inkoopen van kostumes en huisraad bij de boeren in het Gouvernement Tula.

Wij toonden toen den dichter nog het ontwerp van het decoratief. Hij interesseerde zich zeer voor alle details, gaf aan waar iedere deur, ieder venster zijn moest, waar de tafel, de bank en de stoelen staan moesten, en zeide, den acteurs het stuk nog te zullen voorlezen.

Met veel nieuwe indrukken over den persoon van den dichter keerden de Moskousche reizigers huiswaarts.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Het dagelijks leven van Graaf Leo Tolstoj

Filed under Literatuur

Koningin Victoria

Toen koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk op 22 januari 1901 overleed, had zij maar liefst 63 jaar, zeven maanden en twee dagen geregeerd. In De Hollandsche Lelie verscheen twee weken later een In Memoriam, in de rubriek ‘Londensche brieven’ (6 februari).

Koningin Victora, ter gelegenheid van haar diamanten jubileum juli 1893 (Getty)

Koningin Victora, ter gelegenheid van haar diamanten jubileum in juli 1893 (Getty)

“Eenige woorden gewijd aan de nagedachtenis van een vrouw, die gedurende een menschenleeftijd aan het hoofd stond van een der machtigste en grootste Rijken, zijn zeker niet van onpas in een blad dat zich tot taak heeft gesteld de belangen der vrouw te behartigen.

Het is nog geen twaalf maanden geleden, dat ik – dank zij de voorkomendheid van den Stationschef – het voorrecht had bij hare komst in Paddington-station hare onvergetelijke gelaatstrekken van nabij te aanschouwen. Zeer zeker had de ouderdom zijne onmiskenbare sporen op dat gelaat geteekend, had een waas van doorschijnendheid – die tot eene andere wereld scheen te behooren – het reeds overtogen. Nochtans hadden de staatslieden – aan wie zij m et al hare koninklijke macht onderworpen was – het noodig geoordeeld haar aan de millioenen van Londen’s inwoners te aanschouwen te geven, ten einde het verflauwde enthusiasme voor eene ongerechte zaak opnieuw op te wekken. Eenige weken later voerde men dit wreed vertoon nog verder om de hoogbejaarde vorstin de reis naar Ierland te doen ondernemen. Het heette natuurlijk, dat het de eigen wil der Koninging was, doch een ieder weet dat het te doen was om het volk te verzoenen met den staat der zaken en het te doen voorkomen alsof de Koningin volkomen het ondernemen van den Transvaalschen oorlog goedkeurde. Immers een ieder, die de Engelsche toestanden kent, weet dat het iets volkomen ongerijmds was om de liefde – de de vorstin met hare onderdanen verbond – sterker te maken, dan zij reeds was, dat die liefde onwrikbaar in de harten van rijk en arm, jong en oud gezeteld was. En die liefde, die bijna afgodische vereering heeft de edele vrouw – die thans helaas ook tot hoogere gewesten is gegaan – ten volle verdiend.

Ik zal haar niet schetsen als Koningin en Regeerster over het uitgestrekt gebied, waarover zij het bewind voerde. De geschiedenisboeken, de uitgebreide necrologies in dagbladen en tijdschriften geven gelegenheid in overvloed om te raadplegen, wat onder hare Regeering gewrocht en tot stand gekomen is. Het zijn slechts hare hoedanigheden van gade en moeder, die de bewondering en vereering van ieder hebben afgedwongen, die haren naam onsterfelijk hebben gemaakt, die dezen naam vereenzelvigen met al wat goed, edel, zuiver en verheffend is.

Men eert hare geschiedenis. Men weet, dat zij reeds in hare jeugd de zeldzaamste geestesgaven ontplooide, dat zij toen reeds hare voorliefde voor eenvoud, zoo zonderling in contrast met het goudgeschitter om haar heen, openbaarde, dat zij toen reeds de oogappel was van een ieder, die het voorrecht had met haar in aanraking te komen. Was het te verwonderen, dat deze vrouw weigerde naar diplomatieke vertoogen in de keuze van een echtgenoot te luisteren en dat zij slechts haar eigen hart wenschte te raadplegen? En zij is in deze keuze buitengewoon gelukkig geweest. Haar huwelijk met den edelen Albert van Saksen-Coburg kan gerustelijk gezegd worden gezegend te zijn door de zuivere liefde, die beide vorstelijke personen verbond, die het Engelsche hof spreekwoordelijk maakte voor de daar heerschende zuiverheid van van zeden. Hoe aandoenlijk is de lezing der correspondentie, die tusschen hen als verloofden gevoerd is. Hoe schetst het de vrouw, als zij aan hare toekomstige schoonmoeder schrijft, ‘om toch vooral goed zorg te dragen voor iemand, die mij zoo dierbaar is geworden.’ Haar huwelijksjaren waren de gelukkigste in haar langdurig leven en zij heeft den schok, dien het afsterven van den beminden echtgenoot haar heeft toegebracht, nooit ten volle overwonnen. Gedurende de eerste jaren van haar weduwschap leefde zij bijkans een kluizenaarsleven en de zwarte kleeding, het teeken van rouw, heeft zij nooit afgelegd.

Men weet dat, hoewel sinds dat afsterven bijna veertig jaren verstreken zijn, zij telken jaren zich op den sterfdag met hare kamervrouwen opsloot, zich verdiepende in de lezing der brieven en in de beschouwing der herinneringen van den zoo innig betreurden echtgenoot. Men vertelt dat de Koningin kort nadat haar de slag getroffen had, die haar tot weduwe maakte, eene wenende boerin ontmoette. Op hare vraag naar de oorzaak van hare droefheid antwoordde het vrouwtje snikkend en stamelend, dat zij echtgenoot en verzorger verloren had. Diep geroerd zeide de Koningin ‘weest gerust, vrouwtje, wij verstaan elkander; wij zijn toch lotgenooten ook ik heb een o zoo goeden man vroegtijdig in het graf zien dalen, ook ik ben weduwe even als gij.’

Koningin Victoria, portret door Alexander Bassano

Koningin Victoria, portret door Alexander Bassano

En dan de zelfopgelegde taak nu eene moeder te zijn voor de talrijke kinderen, waarmede hare echt gezegend was. Neen, niet eene moeder zooals de nieuwmodische moders, die alle zorg voor hare kinderen slechts aan betaalde handen toevertrouwen, het beneden hare waaradigheid achtend zich onledig te houden met de opleiding en karaktervorming harer eigen kinderen, docht de Koningin was steeds eene moeder in den volsten zin van dit heilig woord. Bijna van de geboorte af tot het tijdstip waarop zij den volwassen leeftijd hadden bereikt, leidde de Koningin de verzorging en opleiding van haar talrijk kroost en in de conscientieuse nakoming van deze taak is zij noot te kort gekomen. Zij vertelt zelve, dat zij de gelukkigste uren van den dag steeds in de kinderkamer doorbracht, zich verheugend en met geestdrift deelnemend in de kinderlijke spelen.

Onnoodig is het te spreken van de weldaden die zij met milde hand om zich heen strooide. De Voorzienigheid had haar de middelen geschonken, en zij beschouwde zich slechts als het instrument, om goede daden te verrichten, om armoede te lenigen om hulp te verleenen, waar deze vereischt was. Men kende haar onder den titel van ‘Lady Bountiful’ die als eene fee uit de Arabische vertellingen zich de taak had opgelegd eene verzorgster van armoede en ellende te zijn. In hoevele gezinnen zal zij thans gemist worden, hoevele weduwen en weezen zullen haar nagedachtenis zegenen! Het noodlot heeft de edele vrouw zwaar getroffen.

Na het overlijden van haar dierbaren gade, was zij tien jaren gekluisterd aan het ziekbed van haar oudsten zoon, den tegenwoordigen Koning, aan wiens herstel toen gewanhoopt werd en moet zelve vrouw en moeder zijn om te beseffen welke gevoelens de koninklijke verpleegster toen bezielden. Is het niet menschelijk, dat zij bij de dankplechtigheid in de St. Paul voor het herstel van den troonopvolger in tranen uitbarstte? Vervolgens heeft zij eene beminde dochter en zoon Prinses Alice van Hessen en den Hertog van Albany ten grave zien dalen om verder getroffen te worden door het verscheiden van den veelbelovenden Hertog van Clarence, den oudsten zoon van den Prins van Wales, en van Prins Henry van Battenberg, den gade harer jongste dochter Beatrice, die sinds voor de moeder eene trouwe hulp, eene nooit van haar zijde wijkende gezellin is geworden.  Zelfs heeft zij nog gedurende de laatste maanden het verlies van haar tweeden zoon moeten betreuren en haar kleinzoon, Prins Victor Christiaan moest ten gevolge van eene door den oorlog veroorzaakte venijnige ziekte in een verafgelegen land, vroegtijdig zijn leven offeren! Deze slagen zouden voldoende geweest zijn om een minder sterk gestel een vroegtijdig graf te bereiden, doch de Koningin heeft steeds met ernstige kalmte die slagen beschouwd als door de Voorzienigheid haar opgelegd, waartegen een mensch niet mag worstelen.

Die stille berusting in de Voorzienigheid, is gewis ook de reden geweest waarom zij niet reeds voor een tiental jaren de regeering heeft neergelegd en tot het einde toe de teugels van het bewind in handen heeft gehouden. Zij beschouwde zich toch als de Majesteit bij Gods Gratie en zou het in strijd met den goddelijken wil gehouden hebben, indien zij niet, zoolang adem in haar was, de haar opgelegde taak vervulde.

Men verwijt haar, dat zij ooit hare toestemming tot den onzaligen Transvaalschen oorlog gegeven heeft. Doch men vergeet dat zij slechts eene constitutioneele Koningin was, die slechts te teekenen had wat ministers haar voorschrijven en dat zij in dit opzicht onmachtig was. Ware haar koninklijk advies gevraagd, ik houd mij verzekerd dat zij met al hare kracht, die nog in haar oud en afgeleefd lichaam overgebleven was, het ondernemen van den lichtvaardigen oorlog zoude hebben ontraden. Nog kortelings zeide zij tot twee achterkleinkinderen, die in de speelkamer om het bezit eener pop kibbelden: ‘lieve kinderen, kibbelt niet; er is toch helaas zoveel getwist en gekijf op deze aarde’ daarbij zinspelende op den oorlog.

Vriend en vijand van Engeland zullen met de hand op het hart moeten erkennen, dat een edele vrouw is heengegaan, maar dat haar verscheiden niet alleen voor Engeland maar voor de geheel beschaafde aarde beteekent. Engeland is in diepen rouw gehuld! Rijk en arm beijvert zich om aan de beminde overledene, die de eeretitels van Victoria de Goede en Moeder van het Vaderland, ten volle verdiend heeft, teekenen van liefde en vereering te betoonen. Die liefde toch zij was niet gedwongen, zij was niet gehuicheld of voorgewend, maar zij sproot voort uit het innigste van het menschelijk gemoed.

Zacht ruste hare assche!

En thans is het ‘God save the Queen’ vervangen door een ‘God save the King’. Onze ooren zijn nog niet gewend aan deze verandering van benaming, doch de tijd zal ons hierin te hulp komen.

Gij Eduard VII, hebt verklaard in de voetstappen der roemrijke vrouw te zullen treden. Is het evenwel te verwachten dat gij er genoegen mee zult nemen om het blind werktuig van een Chamberlain of andere intrigeerende staatslieden te worden? Zult gij niet, met handhaving van het constitutioneel recht van het volg uwe koninklijke rechten meer laten gelden, en zult Gij er niet op aandringen dat het vertrapt recht en gerechtigheid opnieuw regeeren?

Uw verleden wettigt deze verwachtingen. Engeland omvat reeds een groot deel der aarde. BEhalve Koning van het vereend koninkrijk bestuurt Gij geheel Australië, Canada, een deel van Zuid-Amerika en van Afrika en zijt gij Keizer van het uitgestrekte Rijk van Indie. Is het noodig om nog een stuk grond meer toe te voegen aan uwe bezittingen waar de zon nooit ondergaat? Heeft er niet genoeg bloed gestroomd, zijn er niet reeds meer dan genoeg tot weduwen en wezen gemaakt? Een Engelsch spreekwoord zegt ‘It is an ill wind that blows no good’ en derhalve hoop ik dat uit de nationale ramp, die U en geheel Engeland getroffen heeft iets goed moge geboren worden. Ik houd mij verzekerd dat millioenen uwer eigen onderdanen en van andere volken zich met mij zullen vereenigen in den bede ‘dat het Uwen Koninklijken en Keizerlijken wil moge behagen een einde te maken aan den rampzaligen krijg en aan eene kleine, hare vrijhei en onafhankelijkheid verdedigende natie de rechten te hergeven die zij bewezen heeft ten volle waardig te zijn.’ Kunt gij voor uwe regeering een benijdenswaardiger en schooner titel wenschen dan Edward de Vredelievende?”

Reacties uitgeschakeld voor Koningin Victoria

Filed under Geschiedenis

Herinneringen aan Sarah Bernhardt

In De Hollandsche Lelie van 24 juni 1931 bespreekt L. de Wildt-Beversen het boek ‘La grande Sarah’ van musicus Reynaldo Hahn. Het bevat zijn herinneringen aan de beroemde actrice Sarah Bernhardt, die hij als kind had zien spelen. Jaren later maakte hij kennis met haar en hij bleef met haar bevriend. Uit het artikel:

‘Toen hij haar zijn aanteekeningen voorlas riep ze uit: “Dank zij je dagboek en het sonnet van Rostand, zal ik rustig de reis naar de eeuwigheid kunnen ondernemen!”.’

‘Toen de musicus deze aanteekening maakte was Sarah niet jong meer en al grootmoeder. Toch maakte zij nog een jeugdigen indruk, dank zij haar rijzige gestalte, haar levendigheid en kracht. Nooit scheen ze vermoeid. Ze bezat de eigenschap op ieder tijdstip, te midden van het groote tumult, rustig te gaan zitten en onmiddellijk in een vasten slaap te vallen. Na een kwartier ontwaakte ze en alle vermoeidheid was verdwenen.’

‘In haar rollen moest Sarah verscheidene malen flauw vallen of sterven. Bezeeren deed zij zich nooit, het ging haar gemakkelijk af. “Nooit heb ik dit geoefend”, zei ze, “ik laat me zonder angst vallen, het doet er niet toe, hoe! ‘t Is eenvoudig een quaestie van lenigheid. Ik werp me op den grond en nooit heb ik er nadeelige gevolgen van ondervonden.’

Sarah Bernhardt

Sarah Bernhardt

‘Sarah doorleefde wel degelijk haar rollen en bij groote scènes kon zij geheel overstuur zijn. Eens, het was in Frou-frou, vond men haar tusschen de coulissen, te ontroerd om een woord te kunnen uitbrengen. Schreiend kwam ze op het tooneel en haar rol werd telkens door snikken onderbroken. Sarah was volstrekt niet ongevoelig, zooals men het maar al te dikwijls wilde laten voorkomen, en haar grilligheden waren sterk overdreven. Een goede daad, haar bewezen, vergat ze nooit en ze kon zeer goed een echte van een onechte vriendschap onderscheiden.’

‘Dikwijls haalde ze oude herinneringen op. Ze vergaf het zichzelf nooit, dat ze, toen ze jong was, in den overmoed van haar glorie Victor Hugo eenigszins geringschattend behandeld had. “Ik was dom genoeg om het gezelschap van een paar elegante leegloopers te verkiezen boven het zijne en ik heb hem eens midden in een gesprek in de steek gelaten!” ‘

‘In dit boek, waaruit de bewondering voor de groote tragédienne zoo duidelijk spreekt, roemt Hahn vooral haar energie en geestkracht, die ze tot aan haar dood (1923) behield.’

Artikel Sarah Bernhardt 1

 

Artikel Sarah Bernhardt 2

Reacties uitgeschakeld voor Herinneringen aan Sarah Bernhardt

Filed under Beroemdheden