Tag Archives: mode

De Handschoen

[In De Hollandsche Lelie van 11 december 1901. ‘Uit het Duitsch door A.Z.’]

Handschoenen zijn een kostbaar toiletartikel. Daar men naar den handschoen de dame beoordeelt, en een vuile of gescheurde handschoen altijd zeer leelijk staat, moet men steeds zorg dragen dat dit onderdeel van het toilet onberispelijk is.

Wie zuinig wil zijn, moet, vóór alles, slechts de allerbeste, zij ‘t dan ook de allerduurste, handschoenen dragen. Elke goedkoope handschoen wordt, door den korten tijd, dien men hem dragen kan, duur. Verder mag men goede handschoenen nooit zoo eens ‘eventjes aantrekken.’ Lichte, nette handschoenen, die men draagt, wanneer men bezoeken aflegt, zijn door het eventjes aantrekken bedorven.

Men moet den handschoen altijd langzaam en zorgvuldig aandoen, iederen vinger geheel gladstrijken, op ‘t laatst de duimen er in steken, en den ondersten knoop langzaam dicht maken. Nieuwe handschoenen moet men vooral nooit haastig aantrekken.

Met lichte, fijne handschoenen vatte men geen deurknoppen aan, ga er niet mee op reis, enz. Balhandschoenen behooren altijd pas in de garderobe aangetrokken te worden, evenzoo handschoenen voor schouwburg of soirées.

Voor het dagelijksch gebruik des zomers zijn grijze of zandkleurige gemslederen handschoenen boven alle andere te verkiezen. Zij staan keurig, kunnen gemakkelijk met wat glycerine gewasschen worden en zijn zeer duurzaam. Nog beter zijn die van wit waschleder of glacé, welke echter ook van de beste qualiteit genomen moeten worden.

Voor morgenwandelingen, om boodschappen te doen, enz., is de garen handschoen, ook wel de mitaine zeer practisch.

In voor- en najaar is de roode hondsleeren handschoen beslist boven alle andere te verkiezen.

Men neme steeds handschoenen met drukknoopen, daar men dan van het aftrekken van knoopjes geen last heeft.

Ieder klein torntje van den naad moet dadelijk gerepareerd worden; heeft men het leer ingescheurd, dan legt men een klein stukje leer er onder en zoomt dat van den handschoen er netjes op.

Bij het uitdoen trekt men den handschoen zorgvuldig in het fatsoen, iederen vinger afzonderlijk en op ‘t laatst den duim, welke men, zooveel mogelijk, evenzoo legt als bij den nieuwen handschoen. Dan legt men het paar plat in de doos. Is de handschoen van binnen misschien wat vochtig, dan moet hij opgeblazen worden en goed drogen.

Lichte handschoenen kan men heel goed schoonmaken, door ze met een stuk zachte gummi af te wrijven, nadat men ze aangetrokken heeft. Dan behoeft men ze slechts zelden in benzine te wasschen.

Goede handschoenen, waarvan de kleur leelijk geworden is, kan men in iedere chemische wasscherij zeer mooi, even licht of in iets donkerder kleur laten verven. Vooral gekleurde heerenhandschoenen, die door het schoonmaken allicht leelijk werden, krijgen daardoor nieuwe frischheid en geven volstrekt niet af.

Men wordt ernstig gewaarschuwd tegen het zelf verven der handschoenen, vooral tegen het zwart-verven. Zulke handschoenen geven altijd af en maken dan zeer leelijke vlekken.

Reacties uitgeschakeld voor De Handschoen

Filed under Dagelijksleven

Dameshoeden in de schouwburg

In een serie artikelen ‘Uit de hoofdstad’ schetst Johan de Waard het dagelijks leven in Amsterdam. Zijn bijdrage in De Hollandsche Lelie van 6 januari 1897 sluit hij af met een oproep:

“Ik heb een beleefd verzoek aan mijn vrouwelijke stadgenooten en dat is of zij zoo vriendelijk willen zijn op de stallesplaatsen in de schouwburgen de hoeden af te zetten.

Vele collega’s en ook ik zelf hebben er menigmaal in de krant op gewezen, doch de dames schijnen op dat punt niet te willen medewerken.

In den Stadsschouwburg is het ten langen leste verplichtend gesteld, doch komt men bij Prot of Van Lier of in den Hollandschen Schouwburg, dan zitten bijna alle dames met de vrije-uitzicht-belemmerende hoofddeksels op.

Ik neem nu maar de vrijmoedigheid mij rechtstreeks in uw eigen orgaan tot u te wenden, want och, als uw wist hoe vervelend en lastig het is wanneer men naar links en rechts moet buiten, bijwijlen even opstaan, om te zien wat er op het tooneel gebeurt, dan zoudt ge u deze kleine opoffering voor anderen wel willen getroosten.

Stel het geval, dat de heeren met hunne hooge hoeden op bleven zitten! Een storm van verontwaardiging zou losbarsten van uwe zijde en terecht.

‘t Schijnt, dat die dameshoeden tegenwoordig hoe langer hoe grooter worden en de veeren en andere versierselen hiermede gelijken tred houden.

‘t Is verschrikkelijk!”

Amsterdam, 14/XII. ’96.  Johan de Waard.

Zie voor meer etiquette in de schouwburg: https://www.dehollandschelelie.nl/uncategorized/etiquette-in-de-schouwburg/

En over de hoedenmode rond 1900: https://www.dehollandschelelie.nl/kleding-2/dameshoeden/.

Reacties uitgeschakeld voor Dameshoeden in de schouwburg

Filed under Dagelijksleven

Tegen dameshoeden met dode vogels

Aan het eind van de negentiende eeuw was het onder welgestelde dames mode om hoeden met bijzondere veren of zelfs hele vogels te dragen. Tiny Meihuizen (1944-2014)  bezat zo’n tweeduizend hoeden; die met vogels en veren vormden het hart van haar verzameling. Vlak voor haar overlijden werd zij in Trouw geïnterviewd over haar verzameling.

‘Jaarlijks werden er in die tijd in Europa zo’n vijf miljoen vogels gedood, vertelt Meihuizen, waarvan de veren op de beurs in Londen werden verhandeld. Fabrieken in Berlijn, München, het toenmalige Breslau (nu Wroclaw) maar ook in Parijs verwerkten de veren in hoeden, totdat deze voor de dames te gewoontjes werden en in het vervolg maar hele vogels op het hoofd gedrapeerd werden. Hoe uitbundiger hoe beter, en was de vogel wat aan de kleine kant, dan kwamen er toch meerdere op de rand zitten? Vooral de stern en kleine zilverreiger waren gewild. Deze mode leidde aan het eind van de negentiende eeuw tot een tegenreactie én de oprichting van een van de eerste natuurbeschermingsorganisaties van Nederland: De ‘Bond ter Bestrijding eener Gruwelmode’ in 1892. In feite was dat de voorloper van de huidige Vogelbescherming.’

Telegraaf, 24 april 1999

Telegraaf, 24 april 1999

In De Hollandsche Lelie van 31 maart 1897 vinden wij een oproep van deze bond.

‘INGEZONDEN.

Geachte mevrouw,

Zoo dikwijls stelt u de kolommen der Holl. Lelie open voor ene goede zaak; mag ik nu uwe hulp eens inroepen voor de vogeltjes? Ik bedoel den “Bond ter bestrijding eener Gruwelmode.” Die bond bestaat nu al zoo lang en toch blijkt het telkens, dat er nog zoovelen zijn, die er nooit van hoorden. Mag ik er de Lelielezeressen nog eens op attent maken?

Reeds lang werd er door de pers en van andere zijde op gewezen, hoeveel wreedheid en schade voor den landbouw de gevolgen waren van de smakelooze mode om dameshoeden met vogellijken op te sieren (?) toen in verschillende landen vrouwen, bij wie zachtheid en barmhartigheid boven ijdelheid en het slaafsche volgen van de mode gingen, zich vereenigden om de zaak der vogeltjes en daarmee die van den landman, ter hand te nemen. In Duitschland, Engeland, Zweden, Amerika, Finland, ons land, nu kort geleden weer in Oostenrijk, werden bonden opgericht om het vermoorden der vogels op groote schaal tegen te gaan.

De leden van onze Nederl. bond verbinden zich geen opgezette vogels of veeren van gedoode vogels te dragen of te koopen, uitgezonderd die van struisen, hanen, pauwen, ganzen, die de veeren in den ruitijd toch verliezen. Bij toetreding betaalt men 25 à 50 cent; verdere contributie bestaat niet. Het voornaamste, wat ge als lid van den Bond doet, is door uw naam te geven protesteeren tegen eene even ergerlijke als belachelijke mode, en anderen opwekken uw voorbeeld te volgen. Niet alleen door persoonlijken invloed protesteert ge, maar wij hopen reeds op eene internationale overeenkomst om den vogelhandel te beperken.

Zeg niet, dat we overdrijven. Is het niet verschrikkelijk, dat er jaarlijks naar Londen, Europa’s marktplaats voor vogelvederen, millioenen lijken van colibri’s, levend gestroopt om den glans hunner veeren te behouden, van paradijsvogels en watervogels, van leeuweriken en meezen, de beste helpers van den landman, worden ingevoerd? Dat een Japansch tijdschrift moet zeggen: “De Europeesche dames verlangen de schoone en nuttige vogels van ons land ter versiering harer kleederen. Als zij zich hiermee mooi maken, is dit niet alleen een zwaar onrecht jegens Europeesche beschavind, maar ook tegen ons”- ? De schoonste en nuttigste vogelsoorten sterven uit, de schadelijke insecten, de vreeselijkste plaag van den landman, kunnen ongestoord alles vernielen. Weet ge wel, dat vele kleine vogels dagelijks zooveel schadelijke dieren opeten, als ze zelf wegen?

Van de vrouwen, dus ook van u, Lelielezeressen, hangt het voornamelijk af, of onze zaak zal slagen. Ik weet zeker, dat ge allen voelt, hoe dwaas het is dat zoovele wezentjes, die woud en veld door hun gezang en kleurenpracht vervroolijken, wreed worden vermoord, dat heele landstreken, zooals in Italië, Frankrijk, Zuid-Tyrol, lijden onder de afschuwelijkste insectenplaag, enkel en alleen om een modegril.

Wat moet men van uwe zachtheid denken, als ge u siert (?) met vogellijken? Hoe kan eene moeder haren kinderen barmhartigheid, ook voor dieren inprenten, als zij zelf een wreed gedood vogeltje op haren hoed draagt!

Sluit u dan bij ons aan, steunt ons door uwen invloed, maakt u uwen naam van zachte vrouw waardig! Secretaresse van onzen Bond is Mevr. Diepenbrock – de Jong van Beek en Donk, Parkweg 175 Amsterdam, bij wie men zich als lid kan aanmelden.

Met hartelijken dank voor de plaatsruimte

achtend,

Haarlem, Maart 1897, Chr. Ligtenberg”

Reacties uitgeschakeld voor Tegen dameshoeden met dode vogels

Filed under Kleding

Giftige mode

Eén van de interessantste stukken op de tentoonstelling ‘Romantische mode’ in het Gemeentemuseum Den Haag is een avondjapon die geverfd is met arseengroen. Dit is een verfstof (’emerald groen’ of ‘Parijs groen’) die het dodelijke arsenicum bevat en die nog tot laat in de negentiende eeuw is gebruikt, onder meer voor baljaponnen. Het risico was in medische kringen al wel bekend en er werd langs alle mogelijke wegen gewaarschuwd voor de gevaren die de naaisters, fabrikanten, verkoopsters en natuurlijk de draagsters van de jurken liepen.

Avondjapon geverfd met arseengroen, ca. 1865-70, katoen, zijde (expo Romantische mode, foto GS)

Avondjapon geverfd met arseengroen, ca. 1865-70, katoen, zijde (expo Romantische mode, foto GS)

Ook in De Hollandsche Lelie van 14 oktober 1896 was een artikel opgenomen, getiteld ‘Vergiftige kleeding’:

“Als wij tevreden waren met de oorspronkelijke kleur van de gesponnen draden, zouden er geene japonstoffen zijn met vergiftige eigenschappen; maar wij eischen van de kleeding niet alleen, dat zij ons zal beschermen tegen de guurheid van het weer, maar zij moet ons ook tot een sieraad strekken. Nu zijn er wel is waar vele onschadelijke verfstoffen, maar onze zucht – moet men haar betreuren of toejuichen? – om een rijke keus te hebben, is oorzaak, dat de ververs in het gebruik van niet-onschadelijke stoffen een al te ruim geweten krijgen.

Het zijn juist dikwijls de mooiste kleuren, die het meeste gevaar opleveren. Zoo is b.v. het bijzonder frissche groen van vele stoffen voor baljaponnetjes een van de ergste vergiften, te weten het Schweinfurter groen, d.i. arsenicum-azijnzuur koper: dat bestaat dus uit een vermenging van de twee zwaarste vergiften: arsenicum en koper. Als een kleedingstuk, dat met dat groen geverfd is, in aanraking komt met de huid, ontstaan daarop dadelijk puistjes; ook geeft het dragen van zulk een kleedingstuk allicht aanleiding tot zweertjes op de lippen of ontsteking van de oogen.

Soms ziet men baljaponnen, die met goud of zilver bestrooid schijnen te zijn. ‘t Is waar, dat het zeer mooi staat, maar die japonnen zijn zeer schadelijk voor de gezondheid. Wat men voor goud- en zilverpoeder aanziet is een vermenging van koper met zink en bestaat uit scherphoekige loovertjes, die slechts zeer los op het weefsel bevestigd zijn, bij de beweging van het dansen losgaan en opwaaien, dan al heel licht ingeademd worden en niet slechts aanleiding geven tot ontsteking van de gevoelige slijmvliezen van de keel en de longen en wat daarvan nog verder de gevolgen kunnen zijn, maar die bovendien het lichaam vergiftigen.

Sedert de uitvinding van de anilinekleuren kan men ook zeer goed figuren drukken op katoen en batist. De anilinekleuren zelve zijn niet vergiftig; maar om ze op den katoenen draad te kunnen bevestigen, wordt het weefsel dikwijls vooraf geweekt in een laag van arsenicum-zure pijpaarde. Stoffen met een paarse grondkleur en daarop gedrukte witte figuren, evenzoo katoentjes met bruingele of roodbruine figuren en ook stoffen, waarop met een grijze, zwarte of rose kleur gedrukt is, hebben allicht de kuur ondergaan van het weeken in arsenicum. De anilinekleuren zijn niet ‘waschecht’, en het is niet onmogelijk, dat zij ook tengevolge van de inwerking van de uitwaseming der huid arsenicum afgeven.

Kousen en omslagdoeken roodgeverfd met koralline hebben reeds dikwijls aanleiding gegeven tot puistjes op de huid, wat ook al een bewijs is, dat er arsenicum in zit.

Het zekerste middel om dierenhuiden tegen de mot te beveiligen is arsenicum; daarom worden die huiden vóór het opmaken aan de binnenzijde, dikwijls ook aan de buitenzijde bestreken met een oplossing van arsenicum. Daardoor kan nu niet zoo licht onheil ontstaan, maar wel, wanneer, zooals dikwijls gebeurt, bontwerkers en bontverkoopers arsenicum strooien op het bont, dat zij nog moeten verkoopen, of dat hun ter bewaring is gegeven; daar mag men wel om denken, voordat men het bont in gebruik neemt.

Het gebruik van koper en arsenicum is wel is waar verkeerd, maar heeft geene slechte bedoelingen, zooals dat bijna altijd het geval is bij het gebruik van lood. De fabrikant, die in de zwarte zijde voor japonnen zooveel lood tracht te brengen als maar eenigszins mogelijk is, of die de naaizijde – die helaas bij het gewicht verkocht wordt – zoozeer drenkt met loodsuiker, het gevaarlijkste van alle loodzouten, dat zij zoetachtig smaakt, wil niets anders dan het gewicht van zijne koopwaar zwaarder maken en den kooper bedriegen. Voordat men zijde koopt, moet men met een klein staaltje probeeren of er lood in is.

Daartoe moet men het staaltje zijde in azijn leggen, de vloeistof er eenige uren later afgieten in een helder glas en er een paar druppels zwavelzuur bijvoegen; dan mag er geen wit, vlokkig bezinksel komen. Men moet nooit een zijden draad in den mond nemen, voordat men hem in de naald steekt!

Hoewel kappen van kinderwagens  niet tot de kleedingstukken behooren, dient hier toch nog vermeld te worden, dat er een soort van wit (Amerikaansch) wasdoek is, dat vroeger heel dikwijls voor zulke kappen gebruikt werd, dat tot 46% van zijn gewicht uit loodwit bestaat. Als kindertjes, die dagelijks vele uren onder zulk een kap doorbrengen, vroeg sterven, behoeft men waarlijk niet verwonderd te zijn. Paardenhaar in de zittingen van stoelen, enz. bevatte bij een chemisch onderzoek ook veel lood (3%).”

Door Holda, ‘Uit het Duitsch van L.B.’

Reacties uitgeschakeld voor Giftige mode

Filed under Kleding

Wereldtentoonstelling 1900

De Exposition Universelle van 1900 was een wereldtentoonstelling die werd gehouden in Parijs, ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Ook werden de nieuwe ontwikkelingen van de volgende eeuw gepromoot.

Overzicht van de Exposition  Universelle

Overzicht van de Exposition Universelle

De tentoonstelling duurde van 15 april tot 12 november 1900 en maar liefst vijftig miljoen mensen bezochten het evenement. Enkele van Parijs bekendste gebouwen werden speciaal hiervoor gebouwd, waaronder treinstations, le grand Palais en de Pont Alexandre III (net als de Eiffeltoren 11 jaar eerder tijdens een vorige wereldtentoonstelling). De Parijse metro werd tijdens de tentoonstelling in gebruik genomen: op 19 juli 1900 werd lijn 1 geopend tussen Porte Maillot en Porte de Vincennes. Deel van de tentoonstelling waren de Olympische Zomerspelen 1900, die over een periode van vijf maanden plaatsvonden. Hier namen voor de eerste keer vrouwen aan deel.

Tijdens de expo werden voor het eerst films met geluid gepresenteerd (opnames van opera en ballet). Ook de roltrap beleefde er zijn première. Art nouveau was de alom aanwezige stijl.Het is mogelijk om bewegende beelden van deze wereldtentoonstelling te bekijken: Thomas Edison inc. maakte een serie filmpjes, waarvan een compilatie te vinden is op Youtube.

wereldtentoonstelling parijs 1900De Hollandsche Lelie besteedde ruim aandacht aan deze wereldtentoonstelling. In een serie van drie artikelen ‘Een praatje over de Parijsche Wereldtentoonstelling’ (‘Uit het Duitsch van Clara von Studnitz door A.Z. – Gezien met het oog van een Duitsche dame’; 29 augustus, 5 en 12 september) wordt gedetailleerd verslag gedaan van een veertiendaagse reis, georganiseerd door een Berlijns reisbureau. De auteur schrijft vooral over praktische zaken: “Aangezien alle couranten sedert maanden berichten over de Parijsche wereldtentoonstelling bevatten, komt ‘t mij natuurlijk niet in den zin, hier een beschrijving daarvan te geven. Zooeven van Parijs teruggekeerd, zou ik echter gaarne mijn geachten lezeressen eenige praktische wenken geven, waartoe ik door eigen ervaring in staat ben, en tevens de indrukken schilderen, die ik in de afgeloopen weken ontving.” Een aantal fragmenten:

“Daar bij deze veertiendaagsche rondreis slechts handbagage veroorloofd is, komt het er, vooral voor ons dames, bijzonder op aan rijpelijk te overwegen, wat er meegenomen moet worden. Te veel kleeren is lastig, te weinig toiletten heeft ook zijn schaduwzijden. Het is daarom het verstandigst, een donker kostuum van fijne wollen stof te nemen, bestaande uit rok, figaro, jaquet (‘t welk ingepakt wordt) en katoenen blouwe, benevens een stofmantel. Bovendien zijn nu in den zomer in het warme Parijs een katoenen japon, zoowel als een elegant licht toiletje en eenige zijden blouses zeer aangenaam. Ook doet men goed, op reis een zach vilten hoed op te zetten en een gekleeden mede te nemen, die men echter niet in een lastige doos, maar in een grooten papieren- of gummizak in ‘t net moet bewaren. Een gullen of foulard zijden japon is voor het bezoeken der Groote Opera bijzonder aan te bevelen, wijl het daar zeer warm is.”

“Minder gekleed dan in de Opera, kan men in de andere theaters verschijnen, b.v. in het theater, dat aan de beroemde Sara Bernhardt behoort, en waarin zij reeds gedurende de geheele tentoonstelling dagelijks in het stuk ‘l’Aiglon’ optreedt.”

“In het kleine theater van Sarah Bernhardt is ‘t echter zeer warm, zoodat men verstandig doet zich daarvoor zoo dun mogelijk te kleeden. Men wachte er zich echter voor, aan een zich in de nabijheid der loges bevindend buffet, in dit of in een ander Parijsch theater, een verversching te nemen. Wij moesten n.l. de in wit atlas en valsche edelstenden prijkende Hebe, twee francs voor een flesch Selzerwater betalen! Zooals wij later hoorden, moeten deze ‘dames’ zelf groote sommen voor de door haar geleverde dranken geven; het hangt echter geheel van haar af, hoeveel zij den niets kwaads vermoedenden vreemdeling daarvoor willen afzetten.

Ook lette men bij ‘t wisselen van geld nauwkeurig op de munten, welke men ontvangt. Er wordt n.l. gedurende de tentoonstelling op groote schaal handel gedreven in looden francstukken, zoowel als in Belgische en Zwitsersche pasmunt, welke in Frankrijk geen waarde heeft. Men wachte er zich daarom voor, francstukken aan te nemen, waarop een zittende Helvetia is afgebeeld.”

paris 1900Na opmerkingen over prijzen van hotels, kosten van consumpties in café’s, de drukte van het verkeer en de veiligheid op straat: “Met minder lof kan ik spreken over de reinheid der straten in Parijs, terwijl die in Brussel mij zeer aangenaam aandeed.” […] “Ja, de reinheid! Nergens zal de Duitsche huisvrouw die met meer smart missen, dan in de Parijsche marktlokalen. Wel is ‘t geen wonder, dat onze lokalen, die veel later ontstaan zijn dan de Parijsche, ook veel mooier en ruimer gebouwd werden, maar waarom een overigens zeer prijzenswaardige politie er niet voor zorgt, dat de voorbijganger b.v. Zondags om twaalf uur, niet over stroo, ja zelfs over visschenkoppen struikelen moet, zooals dat ons gebeurd is, is mij onbegrijpelijk!”

“Met even weinig lof kan ik over de Fransche wagons spreken. Wij spoorden in den nacht van Brussel naar Parijs. Zoo’n nachtreis 2e klasse echter doet iemand, ronduit gezegd, de haren te berge reizen! Stoffige afdeelingen, die slecht van kussens voorzien zijn, rondvliegende motten, achter personen, en daarbij geen ‘geriefelijkheid’- hu! Men reize daarom, wanneer men ‘t zich, wat zijn middelen betreft, eenigszins veroorloven kan, dit eind 1e klasse, die niet zoo overvol en vrijwel even goed als onze 2e klasse is.”

“Nergens kan men de rijkunst der koetsiers beter opmerken, dan in de Champs Elysées. Hier toch rijden dikwijls acht, soms zelfs tien rijen wagens naast elkander! Daar zijn geen tramrails; de behoefte daaraan schijnt niet zeer dringend te zijn, daar een groot deel der Parijsche bevolking welgesteld genoeg is, om in een droschke of zelfs in eigen equipage naar ‘t meer of naar de Long-champs-wedrennen te rijden. Daartusschen fietsen heeren en dames; de laatsten, zooals wij opmerkten bijna allen in wijde broeken. Er zijn geen straten, die voor fietsrijders verboden zijn, en toch schijnen er merkwaardig weinig ongelukken te gebeuren. De bekwaamheid der fietsreijders viel mij ook in ‘t bijzonder in Brussel op, waar de steil afhellende straten voortdurend druk door fietsrijders bereden worden.

Tot de Parijsche straat-eigenaardigheden behooren, naast de vele wagens, in de eerste plaats de krantenverkoopers, die op zingenden toon La Presse en andere bladen te koop  aanbieden. De krantenverkoop bepaalt zich hier, geheel anders dan bij ons, alleen tot de straat; want in Parijs kan men aan ‘t postkantoor geen abonnementen op kranten sluiten, en evenmin gaat de courantenvrouw de huizen langs.

Wie, voor een van de café’s zittend, de voorbijgangers opneemt, zal opmerken, dat de Parisienne zeer dikwijls in ‘t zwart gekleed is. Zij weet haar rok met bevalligheid op te nemen en de zich daaronder bevindende bontzijden onderrok, zoowel als de kleine elegant geschoeide voetjes tot hun recht te doen komen. Vele Françaises dragen echter ook nu in de warme Augustusdagen bekoorlijke kostuums van crêpe chiffon, die er uit zien, alsof ze uit was en kant geweven zijn; de boa, een dikke halsruche van zwarte en witte tule, ontbreekt nergens. Zij maken echter weinig gebruik van de bij ons zoo in zwang zijnde blouse, maar wel van een nauwsluitend jaquet, wanneer zij zonder cape of mantel op straat gaan.”

Er volgt een uitgebreide beschrijving van het Palais de Vêtements, waar de prachtigste toiletten te bewonderen zijn, en ‘t Palais de Costume, waar een overzicht van mode uit de voorbije eeuwen wordt gepresenteerd. Daar vlakbij is het Palais de Manufactures nationales, waarin ook de speelgoedindustrie rijk vertegenwoordigd is. “Als iets nieuws zou ik kunnen vermelden: poppen, op welker zacht-rose wangen valsche diamanten de tranen bedrieglijk nabootsen. Lachende poppen heeft men dikwijls gezien, – maar weenende?

De valsche poppentranen herinneren mij aan ‘t kostbaarste voorwerp ter tentoonstelling, een echte brillant van 139 karaat, die aan de eene zijde puntig, aan de andere zijde vlak geslepen is. Deze behoort aan een Amerikaan en moet een waarde van 10.000.000 franc hebben. Deze kostbare edelsteen is van ‘t reinste water en drait voortdurend rond op de punt van een naald, zoodat hij door het zich hier verdringende publiek van alle kant bewonderd kan worden. Onder een glazen stolp tentoongesteld, wordt hij dag en nacht door een wachter bewaakt. Deze staat binnen een ijzeren hek, waar achter natuurlijk niemand komen mag.

Rondom de brillant zijn kastjes met andere kostbare sieraden opgesteld; daar om heen echter wordt aan de imitatie een groot veld opengelaten. Nergens toch ziet men zooveel valsche brillanten als in Parijs. Zij zien er evenwel zoo echt uit, dat de oningewijde dit fabrikaat wel voor werkelijke brillanten moet aanzien. Behalve deze edelgesteenten oefent ook de kaart van Frankrijk, welke de Russische keizer den Franschen schonk, groote aantrekkingskracht uit. Zij vertegenwoordigt een groote waarde; ieder departement namelijk is in een andere marmersoort voorgesteld. Ingelegde gouddraden wijzen de rivieren aan en de steden worden door brillanten, Parijs door een grooten robijn aangeduid.

Palais Lumineux

Palais Lumineux

Nergens wordt de glans zoo gehuldigd, als in Parijs. Welk een prachtig effect deze te voorschijn roepen kan, ziet men b.v. aan ‘t Palais lumineux, het schitterende glaspaleis, dat des avonds van onder tot boven electrisch verlicht, tooverachtig in alle kleuren uitstraalt.”

Er volgt een beschrijving van een tocht per stoomschip naar de Pont de la Concorde. “De vaart duurt slechts ongeveer een kwartier. Doch welk een wereld vol wonderen uit alle ogelijke landen vertoont zich aan ons oog! Aan onze rechterhand zien wij het trotsche, met bonte wimpels versierde paleis, welks inwendige een beeld geeft van wat Frankrijk te zee en te land vermag, en aan onze linkerhand, d.i. aan den rechteroever der Seine verheft zich schilderachtig Oud-Parijs met zijn kerkje en zijn ouderwetsche, van gevels voorziene huizen.” Ook zijn de paviljoens van onder meer Servië, Griekenland, Monaco, Spanje, Noorwegen, Duitsland, België, Hongarije, Bosnië, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten te zien. “Italië heeft een hoogst smaakvol renaissance-gebouw gesticht, waarin kostbaar majolica en glaswaren, in het bijzonder ook gouden sieraden naar oud-Grieksch model tentoongesteld worden.”

Uiteraard wordt door de auteur uitgebreid aandacht geschonken aan het ‘Duitsche huis’ en aan het Duitse scheepspaviljoen. “Wij allen, die de Parijsche wereldtentoonstelling bezochten, zullen de ze gedachte met ons genomen hebben, dat Frankrijk door deze tentoonstelling zijn Duitsche  naburen pas goed heeft leeren kennen.” […] “Het is overigens niet onmogelijk dat de Duitsche reformkleeding in Parijs spoedig mode zal worden.”

Na enige alinea’s over het internationaal vrouwencongres dat in juni in Parijs is gehouden en de kwestie van de kinder- en vrouwenkleding sluit het drieluik af met een bespiegeling over de Franse bevolking: “De spreekwoordelijke beleefdheid der Franschen merkt men op bij iederen stap, dien men doet. Dat beschaafde menschen beleefd zijn, is wel is waar geen wonder, maar hoezeer de beleefdheid het Fransche volk eigen is, merkte ik b.v. op bij de verkoopsters en verkoopers, die den voorbijgangers tentoonstellingsbiljetten, bloemen, Ansichtskaarten enz. te koop aanbieden. Al koopt men ook niets van hen, dan zullen zij als men hen den weg vraagt, even beleefd antwoorden als een Duitscher zou doen, wanneer men hem al zijn waren had afgekocht.

De Franschen zijn trouwens niet alleen oplettend tegenover menschen, ze hebben ook hart voor dieren. Zoo b.v. dragen de paarden voor de rijtuigen in Parijs dikwijls stroohoeden, ja zelfs zonneschermen op den kop, die voor hen bij de groote hitte stellig zeer aangenaam zijn. De door den somtijds met bloemen versierden hoed, getrokken ooren, hebben dikwijls nog een afzonderlijke bedekking. In Duitschland zag ik iets dergelijks nog niet.” Ze rondt af: “Wij hebben dus nog zeer, zeer veel van de Franschen te leeren en niets zou dwazer zijn, dan ons boven hen te willen verheffen.”

Nederlands succes was er tijdens de wereldtentoonstelling voor de Singer-maatschappij die met haar naaimachines verschillende prijzen, waaronder de ‘Grand Prix’, won. In De Hollandsche Lelie van 3 oktober 1900 wordt hiervan trots melding gemaakt en in de weken erna verschijnen meerdere advertenties in het blad waarin verwezen wordt naar de ‘Grand Prix’.

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 3 oktober 1900

 

 

 

 

 

 

 

 

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

De Hollandsche Lelie 10 oktober 1900

Reacties uitgeschakeld voor Wereldtentoonstelling 1900

Filed under Uncategorized

Het korset

Tot en met 22 maart 2015 is in het Gemeentemuseum Den Haag nog de tentoonstelling ‘Romantische mode. Mr Darcy meets Eline Vere’ te zien. Naast de vele complete kostuums is er aandacht voor schitterende accessoires, strakke korsetten en originele modeprenten en foto’s. En er is een catalogus, met teksten van Madelief Hohé en  Ileen Montijn, en foto’s van Fotograaf des Vaderlands Koen Hauser.

Catalogus en tentoonstelling geven een mooi overzicht van de ontwikkelingen in de mode tussen 1800 en 1914. Een opvallend aspect is het voortdurend veranderende modesilhouet. Dat zat hem in de hoogte van de taille, de vormen van de mouwen, het volume van de rokken en het al dan niet insnoeren van de taille.

Tentoonstelling Gemeentemuseum (foto GS)

Tentoonstelling Gemeentemuseum (foto GS)

Het hoofdstuk over het korset in de catalogus is getiteld ‘Adembenemend ingesnoerd?’ en het begint met de vraag ‘Was het korset het grootste vrouwenmartelwerktuig van de 19de eeuw?’. Destijds waren de meningen zeer verdeeld. Sommigen vonden dat het korset vrouwen belemmerde bij het soppen, wassen en koken, waardoor zij hun vrouwelijke roeping niet konden vervullen. Ook uit medische kring waren er bezwaren. Te strak aangeregen korsetten veroorzaakten gezondheidsklachten, zoals kortademigheid en risico’s bij zwangerschappen. Een passend model bood echter juist weer ondersteuning: het verdeelde het gewicht van de onderrokken over het lichaam en gaf extra steun aan de rug. Een voordeel was ook dat het hielp bij het camoufleren van overtollige kilo’s en het behouden van een elegant figuur. Maar het belangrijkste was dat het dragen van een korset als een teken van beschaving werd gezien. Met een korset zag je er netjes uit en je kwam er modieus mee voor de dag.

Tentoonstelling Gemeentemuseum (foto GS)

Tentoonstelling Gemeentemuseum (foto GS)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ook in De Hollandsche Lelie is het korset vaak onderwerp van gesprek. In de rubriek ‘Leestafel’ van 8 augustus 1900 bijvoorbeeld staat een korte bespreking van het Maandblad der Vereeniging voor verbetering van Vrouwenkleeding. “Maandblad ter bestrijding van de in zwang zijnde modedwaasheden, als daar zijn: het korset (ieder, die het draagt late af van te lachen om het Chineesche voetje), de voile (eigenlijk plaatsvervangster van en, daarom even bespottelijk als de mouchesplakkerij.) De redactie vertraagt niet in het ijveren tegen deze grillen en voor de invoering van borstdrager, reformkleeding, schoentjes zonder punt, etc. Maar o, die tiran, die mode heet!”

In de weken ervoor stond echter wel de volgende advertentie in het blad:

Advertentie 11 juli 1900

Advertentie 11 juli 1900

Reacties uitgeschakeld voor Het korset

Filed under Kleding

De keuze van ons toilet

In de rubriek ‘Vormen’ geeft ‘Tante Jo’ op 22 november 1893 uitgebreid advies over welke kleding wel en niet mag worden gedragen.

“Wat tegenwoordig de hoofden van de meeste jonge meisjes bezighoudt, is de keuze van hun toilet. De modes wisselen dan ook zoo spoedig, de stoffen zijn zooveel minder degelijk dan vroeger, dat het ook zoo langzamerhand een groote kwestie is geworden zelfs voor hen, die nu niet zoo geneigd zijn zich slaafs te onderwerpen aan de heerschappij der grillige vorstin.

Maar evenals met zooveel, dient ook de keuze van ons toilet, onze geheele verschijning dat cachet te dragen, dat zelfs de meest oppervlakkige beschouwer ons eene beschaafde vrouw noemt. Slechte, ongekuischte smaak is meestal het kenmerk der minder beschaafde klasse. Een gedistingeerde vrouw draagt zorg haare kleeding in overeenstemming met de omstandigheden te kiezen en waakt er voor steeds keurig netjes te zijn. Het kostbaarste toilet zal de draagster tot schande zijn als het vuil of gekreukeld is. De kleeding van een dame, kostbaar of eenvoudig, behoort steeds zoo te zijn dat zij zich aan iederen bezoeker kan vertoonen.

Het gebeurt mij wel eens dat ik, ergens een bezoek afleggende, eenigen tijd moet wachten, tot men mij ontvangen kan; verschijnt dan eindelijk de huisvrouw of een harer dochters, zoo ontvangt men onmiddellijk den indruk dat zij zich even voor de gelegenheid heeft opgeknapt. Doe dat nooit, meisjes, het maakt een bezoekster verlegen, daar zij instinctmatig gevoelt niet bijzonder welkom te zijn. Voor goede vrienden behoeft men zich niet te schamen een ochtend- of huisjapon aan te hebben, mits deze schoon en netjes is.

Moeten wij dan noodzakelijk der wereld een ander beeld geven dan wij in werkelijkheid zijn? Mogen wij ons aan onze liefste betrekkingen vertoonen in een oud, morsig kleed, dikwijls hier en daar getornd, soms met rafeligen rok, ongekapte of zeer slordig gekapte haren, om op straat en partijtjes er als een modenufje uit te zien? Is dat het beeld eener beschaafde vrouw; zou eenig man zich ooit de vrouw, die koningin van zijn haard, zóó kunnen voorstellen? En toch ken ik helaas meisjes en jonge vrouwen, die op een dergelijke wijze handelen. Stel u voor dat de meid om een boodschap is, en zoo’n dame (?) moet zelf opendoen. Wat een beschamend gevoel moet het dunkt mij zijn, als men op het gelaat van den bezoeker verbazing of twijfel leest, als hij in die slordige vrouw niet dadelijk het elegante persoontje van gister herkent.

Hoe schamen zich zulke dames wel niet voor hunne dienstboden? Ik heb van zoo’n meisje wel eens bij wijze van verontschuldiging gehoord, dat zij met goede, nette kleeren geen huiselijken arbeid kon verrichten. En uw dienstboden dan, het vuilste, ruwste werk is voor hen, en gij eischt, dat hun japon steeds schoon, hun boezelaars hagelwit zijn, en muts en haren keurig netjes zitten. Neen, hoe lief en intelligent zoo’n meisje of jonge vrouw ook moge zijn, een dame in den rechten zin van het woord zal zij nooit zijn, en kan dat ook nooit worden.” […]

“Gedoogt uw beurs niet om in alles de grillen der mode te volgen, kies dan uw kleeding zóó dat zij een poosje mee kan, zonder dat gij er met een maand ouderwetsch of bespottelijk uitziet.” […]

“Gij gebruikt toch hoop ik nooit poudre de riz om den in de oogen van vele jonge meisjes hatelijken blos te bedekken, of wel om uw gezonde bruine teint, die zoo goed bij uwe donkere haren en oogen past, in een ziekelijk bleek te veranderen? Laat u daartoe onder geen enkel voorwendsel overhalen, het maakt u vóór uwen tijd oud en doet u verflensen. Over jeugd en gezondheid behoeft men zich niet te schamen. Gij benijdt in uw dwaasheid de kwijnende houding en het doorschijnend wit eener mondaine, die, al noemt zij u ook bakvischjes, u in haar hart benijdt om uw kostelijke jeugd en het frissche incarnaat op uw wangen. Er is ook ten opzichte van het toilet nog zooveel in aacht te nemen dat niemand u leeren kan. Gij moet dat zelf gevoelen. Hoe beschaafder gij zijt, hoe gemakkelijker het u in deze zal vallen te doen wat de étiquette van uw eischt.

Ten slotte wil ik nog wijzen op eene fout, waarin zeer veel menschen vervallen. Ik bedoel de op- en aanmerkingen, die zij zich veroorloven op het toilet van anderen. Men behoort mevrouw A. niet te toonen, dat men heeft opgemerkt dat zij een nieuwe japon aan heeft. Evenmin vertelt men Louise B. hoe men over haar nieuwen hoed denkt, en nog minder informeert men zich bij een derde naar den prijs van een of ander kleedingstuk, dat de eer heeft van in onzen smaak te valen. Dat wij geen afkeurend oordeel uitspreken over iets in de kleeding onzer vriendinnen of kennissen, dat verbiedt ons ieder begrip van welvoegelijkheid, als ten minste fijngevoeligheid en goedhartigheid in deze geen woordje meespreken.

Zelf iemand attent maken op iets nieuws of elegants in onze kleeding zou wel een zeer groot vergrijp zijn tegen den goeden toon.

Het Toilet, 22 november 1893

Het Toilet, 22 november 1893

Reacties uitgeschakeld voor De keuze van ons toilet

Filed under Kleding