Tag Archives: emancipatie

Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Onder de titel ‘Vorming van den toekomstigen echtgenoot’ geeft J.v.W. in het hoofdartikel van De Hollandsche Lelie van 5 juni 1901 een genadeloze beschrijving van het mannelijk deel van de Nederlandse bevolking.

“In Amerika, waar men het vasteland in alles een vijf en twintig jaar vooruit is, wordt de vrouw gesteld boven den man, waarschijnlijk omdat zij in gedrag en waardigheid reeds jarenlang werkelijk stond boven den man. Dienstboden zijn er schaarsch en als de man thuiskomt, is het opdat zijn vrouw zal kunnen uitgaan. Hij zorgt tijdens hare afwezigheid voor de kleintjes en voor de pot, schuiert het kleed voor haar en spaart haar wat hij kan, en als de vrouw thuiskomst, verfrischt en opgefleurd door de beweging in open lucht en door de afleiding van geest verkregen bij gesprekken met menschen, is zij weer een opgewekt moedertje binnenshuis en een zonneschijntje voor man en kinderen.

Wat zijn we daar in Holland nog ver van af! Onze jongens worden door de meeste moeders als egoïsten opgevoed. Zij hebben hare zoons afgodisch lief, en gevoelen reeds vooruit een zekeren afkeer van een indringende schoondochter. Zeer natuurlijk; want de groote moederliefde gevoelt da men haar lieveling haar ontnemen gaat en dat zij wordt achtergesteld voor een vreemde. En mag zij nu al hare kinderen al tot goede zonen, tot brave menschen opvoeden, zij vergeet toch meestal één punt in die opvoeding – de vorming voor het huwelijk, welke hem juist ten zegen zou kunnen worden in zijn verder leven. En zij ziet geheel voorbij dat zij daardoor zelf de kans op zijn toekomstig geluk verkleint.

Het is niet genoeg een braaf en achtenswaardig man te zijn; – brave en achtenswaardige mannen zijn dikwerf zeer onaangename echtgenooten. En evenmin is een goede zoon altijd een goede echtgenoot, en dat is alleen de schuld der moeder, die door hare opvoeding verzuimd heeft de voor een gelukkig huwelijk onmisbare hoedanigheden in haar zoon te kweeken.

Hoe worden de meeste jongens opgevoed? Omdat zij jongens zijn, worden zij boven hunne zusters voorgetrokken en aan hunne vorming wordt veel meer ten koste gelegd dan aan die hunner zusters, ja, die zusters moeten meermalen veel ontberen, om den broer een schijn van welvaart te geven in de kringen, waar hij verkeert.

Spreekt hij van zijne zusters met vlegelachtige lompheid als van ‘maar meisjes’, dat wordt niet zelden nog aardig gevonden ook.

Studeert het jongmensch, dan ‘kost hij veel geld’, en hij vindt het heel natuurlijk dat moeder en zuster om zijnentwil ontberingen dragen. In families, waar volstrekt geen geld te veel is, verteren de zonen het leeuwenaandeel. Zij leggen zich geen beperkingen op, zij geven menigen avond aan amusementen, die ‘bij hun stand passen’meer geld uit dan waarover een hunner zusters een maandlang te beschikken heeft, en terwijl de zusters hunne goedkoope japonnetjes zelf moeten naaien, acht de heer broeder zich te goed om losse manchetten te dragen en draagt daarvoor in plaats manchethemden, wier geregelde wassching alleen veel meer kost dan de kleedprijs der zusters kan beloopen in een jaar.

Tehuis spreekt het vanzelf dat de zusters hunne broeders bedienen, hun alles aanbrengen, voor hen heen en weer loopen, hunne kasten schoonhouden, in één woord hunne slavinnen zijn. ‘Daar zijn de vrouwen nu eenmaal voor.’

En menige moeder ziet rustig toe hoe de zoon, als hij toilet maakt of iets op te zoeken heeft, alles in de kamer van de plaats rukt en alles ondersteboven keert. ‘Net zijn papa!’ zucht zij dan.

Maar het komt niet in haar op deze gewoonte des vaders, waardoor zij toch dagelijks verdriet heeft, in den zoon te onderdrukken.

Over orde en netheid heeft de broeder zoo zijn eigen meening. Overal ligt zijne asch, zijne potloodsnippers, enz. ‘Om ze weer op te ruimen – daar zijn de vrouwen voor.’

En zoo gaat het in alles; galanterie voor huisgenooten is hem ten eenenmale vreemd. Ja, als het nu op een concert is of in een theetuin, dan moet hij – vis-à-vis het publiek – wel de gewone beleefdheden bewijzen, maar thuis stelt hij zich weer schadeloos voor deze moeite.

Dat bij ongesteldheid der moeders of zusters de zoon de noodige zorgen in acht zal nemen om hen zoo mogelijk niet te hinderen – dat moet ge niet denken.

De moeder zelf, die in haar eindelooze liefde en zelfverloochening tracht haar pijn nog te verbergen, en de zusters zijn in zijn oog maar ‘kleinzeerige sukkels,’ die al jammeren als een vinger zeer doet. Hij zal geen frisch glas water voor hen halen, geen drankje aanroeren, noch zich op andere manier nuttig maken. Da is een man onwaardig.

Een zóó opgevoede of eigenlijk niet opgevoede jonge man mag nu deugden bezitten – voor echtgenoot deugt hij niet. Als de wittebroodsweken voorbij zijn en de eerste geluksroes is verflauwd, dan wil de heer gemaal in zijn huis ‘op zijn gemak’ komen. Dat zijn vrouwtje hem dat tracht te geven, vindt hij vanzelfsprekend. Thuis was dat ook zoo. Al de kleine opmerkzaamheden, waarmede een man het hart eener vrouw zoo geheel inpakt, dat zij daarvoor groote gebreken vergeeft, vindt hij thuis onnoodig. Hij valt in al zijne gewoonten van het ouderlijk huis terug. Zijn egoïsme, dat een weinig was ingesluimerd, ontwaakt met nieuwe kracht. En het jonge vrouwtje, dat thuis met teederheid omringd was, gaat zich diep ongelukkig voelen als voor al hare liefdedienstjes, al haar kleine en groote attenties geen woord van waardeering schijnt te kunnen overschieten.

Is zij eens ziek, dan denkt hij er niet aan haar verlichting te verschaffen, maar voelt haar ziek-zijn als een beleediging van zijn persoon. En zoo ontstaan de mannen, die maar voor hun genoegen leven en geld uitgeven, zonder te vragen of vrouw en kinderen daardoor ook tekortkomen, mannen, voor wie het beste uit keuken en kelder wordt opgedragen en die aan niemand denken dan aan hun eigen Ik…. omdat ze dat nu eenmaal van jongs af gewoon zijn.

Daarom moet een moeder hen zóó opvoeden dat zij niet alleen knap en fatsoenlijk worden, maar ook beminnenswaard; – dat zij niet alleen liefde ontvangen willen, maar die ook geven; – dat ze niet alleen zullen zeggen hun vrouw lief te hebben, maar haar die liefde ook te toonen in allerlei kleinigheden; die warme koesterende liefde, waaraan iedere vrouw behoefte heeft als een bloem aan de zon.

Zonder haar kan het huwelijk wel goed zijn, o ja, zelfs voorbeeldig, maar het zonnige geluk ontbreekt, dat toch het beste nog is in den grauwen levensdag. En alleen een moeder kan dat aan een kind leeren. Egoisten worden gekweekt, niet geboren.

De zonen moeten van jongsaf zich gewennen hunnen huisgenooten aangenaam te zijn en de offers, die hun gebracht worden, moeten zij hoog waardeeren; dan zullen zij innig met hunne familie medeleven.

Een zóó opgevoede zoon wordt later ook een lieve, zorgzame en – – gelukkige echtgenoot. Want de bewering dat gelukkig maken eigenlijk gelukkig zijn is, geldt niet alleen voor de vrouw, maar ook voor den man. En in zeker opzicht zelfs nog meer voor den man dan voor de vrouw. Want een vrouw weet het hoog te schatten, wanneer haar echtgenoot dit ‘gelukkkigmaken’ verstaat; – en zij is hem daarvoor zóó dankbaar, dat hun huwelijksgeluk daardoor alleen reeds verzekerd is.

En gelukkig willen wij toch allen zijn, in de korte spanne tijds, die wij hebben te leven!

J. v. W.

Reacties uitgeschakeld voor Over de slecht opgevoede Nederlandse man

Filed under Hoofdartikel

De Vrouw als Reporter

[In De Hollandsche Lelie van 16 juni 1897]

Ongeveer twintig jaren geleden werden voor het eerst vrouwen aangenomen als verslaggeefsters bij de groote New-Yorksche bladen. Nu zijn er vijftig vrouwen vast geplaatst aan couranten in New-York alleen. Sommige meisjes kiezen die loopbaan, omdat er feitelijk geen leertijd voor noodig is, ieder meisje met een weinig aanleg kan, na zich een paar maanden te hebben geoefend, een verslag geven van eene lezing, eene vergadering of een “interview”. Als de stijl vloeiend is en de ideeën goed zijn uitgewerkt, zal ze er flink voor worden betaald.

Voor sommige afdeelingen zijn vrouwen bijzonder geschikt. Artikelen over mode en huishouding liggen natuurlijk op het gebied der vrouw en wanneer eene beroemde vrouw moet worden “geïnterviewd” slaagt eene verslaggeefster vaak beter dan haar mannelijke collega.

Dikwijls is de beschrijving van kleine gebeurtenissen, mits aardig geschreven, eene goede introductie. Eenige jaren geleden ging een jong meisje naar New-York om daar te trachten door schrijven haar brood te verdienen. Ze bleef er zes maanden, maar slaagde niet, en schreef aan haar vrienden om geld voor de terugreis. De brief naar de bus brengende, woonde ze eene ontmoeting bij tusschen eene dame en den man, die haar hond had gestolen. Toen ze zich bij de groep voegde en luisterde naar de levendige beschrijving, die de dame gaf van het verlies van haar hond, trof het haar, dat hier ten minste stof voor een verhaal was. Ze wandelde met de dame en haar hond naar huis en vernam alles over Fido’s verlies en redding .Twee uren later bracht ze onder vreezen en beven haar manuscript naar den redacteur eener groote courant.

“Is dit phantasie of eene ware geschiedenis,” vroeg hij, een blik op het manuscript werpend.

“Het is twee uur geleden in de Vierde straat voorgevallen en alle namen zijn correct weergegeven,” antwoordde het meisje.

“We zullen trachten het morgen te gebruiken.”

In plaats van haar klaagbrief op de post te doen, wachtte ze den volgenden morgen af en kocht een exemplaar der courant. Hare geschiedenis besloeg bijna eene kolom. Het gevreesde blauwe potlood, waarmee redacteurs artikelen besnoeien, was weinig gebruikt. Vol hoop ging ze weer naar den redacteur en vroeg om werk.

Het volgend jaar verdiende ze alleen aan die courant 500 dollars. Zoo begon hare loopbaan. In den beginne was het werk vaak hard en ontmoedigend. Niet zelden moest ze een ganschen dag rondloopen en misschien ook nog een dag hard schrijven, terwijl het resultaat in druk niet genoeg was om haar tramgeld te betalen. Dit duurde tot ze een vaste betrekking kreeg.

Daarna kreeg ze steeds een opdracht van den redacteur, die hare bekwaamheid om het belangrijkste van een gebeurtenis uit te vinden en geestig te vertellen op waarde schatte. Wanneer een verslaggever een opdracht krijgt, betaalt het blad den tijd voor de uitvoering gebruikt, als het resultaat in de courant niet voldoende is; een halve dollar per uur of 6 à 8 dollars per kolom.

Verdient een meisje meer dan 80 dollars in de week, dan wordt ze op de salarislijst geplaatst voor 20 of 25 dollars. Gewoonlijk wordt hieraan de voorkeur gegeven, omdat er dan dikwijls nog tijd overschiet voor andere bladen of tijdschriften te schrijven.

Het werk is soms onaangenaam voor eene vrouw, doch niet gevaarlijk, zooals wel eens wordt verondersteld. Verslaggeefsters hebben in de laatste tien jaren honderden artikelen geschreven over de donkere en misdadige zijde van het New-Yorksche leven. Te oordeelen naar hunne ervaringen durft men het aan gebrek aan tact of verstand toeschrijven, wanneer eene vrouw in haar werk wordt beleedigd. Het gevaar voor kouvatten is grooter dan dat voor beleediging. Het is geen uitzondering, dat een verslaggeefster met doorweekte voeten en vochtige kleeren naar het kantoor terugkeert, om daar uren lang te schrijven voor ze aan huis of voedsel kan denken. En ze kan niet zooals haar mannelijke lotgenoot haar toevlucht nemen tot een warme groc. Van geregelde uren is geen sprake. De teleurstellingen zijn vele. Soms moet een verslaggeefster uren lang in een koude ontvangkamer wachten, terwijl dan de gewenschte inlichting haar kortweg wordt geweigerd. Soms werkt ze een week om een enkel “ja” of “neen” op een belangrijke vraag te veroveren en dikwijls te vergeefs. Het is ontmoedigend als het werk waarop zij haar best heeft gedaan, door den redacteur wordt afgekeurd om redenen, die voor haar onpeilbaar zijn.

Sommige verslaggeefsters vinden het moeilijk het “nieuwsinstinct”, zooals de technische term luidt, te verkrijgen. Dat is eenvoudig vlug uit te vinden welke gebeurtenissen van waarde zijn voor de courant. Bij den redacteur staat die eigenschap hoog aangeschreven.

Eens werd Miss A. opgedragen een verslag te schrijven van een kleine schilderijen-tentoonstelling in een clubgebouw. Er was een oponthoud, wat haar toevallig werd verteld, door de afwezigheid van een bekend en gezien lid der club, die plotseling ernstig ziek was geworden onder het arrangeeren der schilderijen. Onze verslaggeefster dacht niet verder over de zaak na, maar ging door met haar werk.

Een uur later kwam een andere verslaggeefster Miss B. en tegen haar vermeldde zij de gebeurtenis als excuus voor hare lange afwezigheid. Miss. B. zei niets, maar een half uur later was ze op weg naar het huis van den man, vernam dat hij een beroerte had gehad, sprak een der doctoren en eenige der clubleden, noteerde alle bijzonderheden over de ziekte van den geachten man en had de voldoening, dat haar blad het eenige was waarin dit nieuws verscheen. Wat de tentoonstelling betrof, geen courant wijdde er meer dan tien regels aan.

Toen Miss A. de courant zag leerde ze een les meer over de waarde van nieuws.

Elk blad betaalt goed voor z.g.n. “uitsluitend” nieuws, wat geen enkel ander blad heeft. De ervaren verslaggever “ruikt” het nieuws en een enkel woord leidt hem dikwijls tot belangrijke ontdekkingen.

Een verslaggeefster werd naar een rijke dame gezonden om een beschrijving van een groot bal te krijgen.

“Ik weet niets van Mrs. A.’s costuum,” zei de dame, “sedert haar man en de mijne samen een millioen in spoorweg-speculatiën hebben verloren, spreken we elkaar niet meer.”

Het bal had alle aantrekkelijkheid verloren voor onze verslaggeefster en ze haastte zich naar het kantoor met het nieuws, dat den sleutel gaf tot vele vreemde gebeurtenissen in de financieele wereld. Onmiddellijk werd een half dozijn verslaggevers uitgezonden en de uitslag was een bladzijde hoogst belangrijk financieel nieuws.

Volgens eene ervaren verslaggeefster moet eene vrouw zich nooit achter hare rokken verschuilen, zooals zij het uitdrukt, ze moet geen werk afslaan omdat ze een vrouw is.

Eens kwam het bericht op het kantoor eener groote, dagelijksch verschijnende courant te New-York, dat Sarah Bernhardt dien middag in Philadelphia zou arriveeren en ‘s avonds zou optreden. De beroemde actrice was juist van hare Zuid-Amerikaansche reis teruggekeerd en had veel belangrijks te vertellen. Geen der verslaggevers der courant sprak Fransch en Sarah Bernhardt spreekt geen Engelsch. Er was echter een jong meisje aan de courant verbonden, dat Fransch kende en zij kreeg de volgende opdracht. “Ga naar Philadelphia, zoek Sarah Bernhardt op en schrijf vier kolommen over hare reis.” Alleen honderd mijlen ver te reizen naar eene vreemde stad, naar de theaters te gaan totdat ze de haar onbekende actrice had gevonden en dan van haar genoeg bijzonderheden te hooren om vier kolommen over te schrijven, was waarlijk geen aantrekkelijk werk voor een beschaafd, jong meisje. Maar de verslaggeefster in quaestie antwoordde eenvoudig “ja”.

Om zeven uur bereikte ze Philadelphia, vond de actrice in het theater, sprak met haar tusschen de bedrijven, kreeg een uitnoodiging met haar te soupeeren na afloop van het stuk en accepteerde, uitgebreide aanteekeningen makend gedurende het souper. Om drie uur ‘s morgens nam ze den trein terug naar New-York, begon om acht uur haar verslag te schrijven en was er om vier uur ‘s middags mee klaar, nog geen vier-en-twintig uren na het ontvangen der opdracht.

Het artikel viel algemeen in den smaak, werd overgenomen in bijna alle andere bladen en bracht de schrijfster roem en wat nog beter was, werk in overvloed.

Een dergelijk staaltje van Miss Bisland. ‘s Morgens om elf uur droeg men haar op een reis om de wereld te ondernemen en ‘s avonds zes uur vertrok ze.

De twee voornaamste vereischten voor een verslaggeefster zijn: een goede gezondheid en sterke zenuwen. Het werk is uiterst vermoeiend, zelfs voor een man.

Een verslaggeefster zegt dat het haar zenuwachtig maakt te weten, dat er van haar elken dag een artikel wordt verwacht beter dan zijne voorgangers. In de hoogste en beste klasse van werk is geen routine, men moet voortdurend trachten niet alleen eigen vroegeren arbeid te overtreffen maar ook die van anderen. Het langdurige ingespannen werken als er bijzonder belangrijk nieuws is, vergt veel van kracht en zenuwen en vele verslaggeefsters zijn dan ook gedwongen geweest het vak op te geven.

Dikwijls krijgt een vrouw een lager salaris dan een man, omdat ze physiek niet voor elk werk geschikt is, ook bepaalt ze zich vaak tot een te nauwen kring, waardoor haar salaris zelden meer dan twintig dollars per week bedraagt.

Wanneer ze wil kan een vrouw bijna elk werk in dat vak verrichten. Jaren lang was Miss Norgan de beste reporter in New-York voor alles wat vee en veestapel betrof.

De journalistiek verschaft een geregelder inkomen dan ander literarisch werk, bv. het schrijven voor tijdschriften. De Zondagsche couranten te New-York alleen geven in één oplage meer artikelen van verschillenden aard dan alle tijdschriften van het gansche land te zamen in een maand. Er is dus voortdurend vraag naar courantenartikels, zoodat de redacteurs het niet al te nauw kunnen nemen.

Voor hen, die literairen aanleg hebben is het werken voor een courant en de ruime ervaring, die ze er door opdoen van onschatbare waarde als ze later tot het meer waardige en blijvende werk zijn opgeklommen.

Naar het Amerikaansch.    H.J. SMIT

Reacties uitgeschakeld voor De Vrouw als Reporter

Filed under Vrouwen

De fietsende vrouw

“Let me tell you what I think of bicycling. I think it has done more to emancipate women than anything else in the world. It gives women a feeling of freedom and self-reliance. I stand and rejoice every time I see a woman ride by on a wheel…the picture of free, untrammeled womanhood.”

Uit deze woorden van de bekende Amerikaanse feministe Susan B. Anthony (1820-1906) blijkt dat het belang van de fiets voor de emancipatie van de vrouw moeilijk kan worden overschat. Met hun fiets konden vrouwen zich voor het eerst zelfstandig door de wereld bewegen en daar maakten velen graag gebruik van.

Aletta Jacobs was bijvoorbeeld een zeer fervent wielrijdster. In haar memoires schrijft zij dat zij in iedere grote of kleine vakantie met haar man op reis ging: “In het eerst waren het grootendeels voetreizen, maar van 1894 af maakten we bij voorkeur gebruik van onze rijwielen om ons eigen land en het buitenland goed te leeren kennen. Wij hadden daarbij de gewoonte om op reis aanteekeningen te maken en die ook uit te werken en in druk te geven als ‘Reisbrieven’. Dikwijls bleven ze in portefeuille en dienden ons dan tot inlichting om sociale toestanden, wetten en gebruiken in ons land met die van andere landen te vergelijken. We bezochten immers zelden een land of een streek alleen voor het natuurschoon, het was ons meer te doen om kennis over land en volk te vergaren […] Op dergelijke manier bezochten wij Denemarken, Noorwegen en Zweden. Op verschillende tijden leerden we bijna heel Duitschland kennen, evenals een groot deel van Frankrijk, Engeland en Schotland, Zwitserland, Noord-Italië, Oostenrijk en Hongarije.”

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

Aletta Jacobs en haar echtgenoot op de Brennerpas (DBNL)

 

 

 

 

 

 

 

Ook op een andere manier gaf het fietsen de vrouwen rond 1900 meer bewegingsvrijheid. Tot ongeveer 1870 droegen vrouwen altijd lange rokken en een keurslijf van baleinen en corsetten. Die kleding was totaal ongeschikt voor de activiteiten die door vrouwen steeds meer werden ontplooid, zoals tennissen en fietsen. Ook voor het werken buiten de deur, in de kantoren en de nieuwe warenhuizen, was meer praktische kleding nodig. Er was tussen 1899 en 1926 zelfs een Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleding (V.v.V.v.V.) actief, die pleitte voor kleding waarin vrouwen zich beter konden bewegen. Het lichaam moest lucht en bewegingsvrijheid krijgen in plaats van ingesnoerd te worden. Een speerpunt van de beweging was dan ook de afschaffing van het korset. Als oplosssing werd de reformjurk ontworpen, een loszittend model jurk, dat zonder corset kon worden gedragen. Dat kledingstuk was niet geheel onomstreden, velen vonden het maar een vormloze hobbezak. Op de fiets droegen vrouwen soms ook wel een broek, iets wat destijds echt als aanstootgevend werd ervaren. Niettemin werd hiermee de richting van de broek als gangbaar kledingstuk voor de vrouw toch voorzichtig ingeslagen.

De fiets werd in 1816 uitgevonden door Carl von Drais. Dat was nog een loopfiets; in 1867 bedacht  Ernest Michaux de velocipède, de eerste fiets met trappers. Deze trappers zaten wel vast aan het voorwiel, wat het trappen erg zwaar maakte. Bovendien was het niet eenvoudig om het evenwicht te bewaren. Na ‘de hoge bi’ volgde in 1887 de Rover savety of Rover veiligheidsfiets, die zo werd genoemd omdat je er niet zo snel mee omviel. Dit was de eerste fiets volgens het model dat wij nu nog kennen, met twee even grote wielen, een fietsketting en de trappers bevestigd aan een frame tussen de wielen in. Voor het eerst waren er dus fietsen waar iedereen op kon rijden. Vanaf ongeveer 1890 werden er ook speciale damesfietsen gemaakt.

Bij het doorbladeren van Hollandsche Lelies uit het einde van de negentiende eeuw valt het grote aantal advertenties voor fietsen op, het is duidelijk dat hier een nieuwe doelgroep wordt aangeboord. Een greep uit de periode maart-mei 1897:

17 maart 1897

17 maart 1897

 

 

 

 

 

 

 

 

 

17 maart 1897

17 maart 1897

 

 

 

 

 

 

17 maart 1897

17 maart 1897

 

14 april 1897

14 april 1897

 

 

 

21 april 1897

21 april 1897

 

28 april 1897

28 april 1897

 

 

 

 

 

 

 

 

19 mei 1897

19 mei 1897

 

Reacties uitgeschakeld voor De fietsende vrouw

Filed under Advertenties

De overwinning is behaald!

Het hoofdartikel van redactrice Johanna van Woude in De Hollandsche Lelie van 7 februari 1900 heeft als titel ‘De moderne vrouw’ en begint als volgt: “Neen, schrik niet van dien titel….. De tijd is gelukkig voorbij, toen de moderne vrouw een wanklank scheen in de onderworpen vrouwenwereld . De moderne vrouw is geen duivelin, zooals men eerst meende, evenmin een zottin, zooals anderen zeiden, noch een halve man, zooals men beweerde dat zij moest zijn, al trad wel hier of daar eens een enkele wat onvrouwelijk of dwaas of al te heftig op.

De moderne vrouw is een hoogst achtenswaardig wezen gebleken, dat, een vergeten rups gelijk, zich loswikkelend uit het rag van conventie, opsteeg als een schoone vlinder, hoog in het wijde luchtruim; en de moderne man kan zich niet meer over haar vroolijk maken, noch haar in couranten en tijdschriften ten toon stellen, zonder zijn eigen inferioriteit te verraden en zijn ten-achter-blijven bij zijn tijd.”

Verderop in het artikel schrijft zij: “De Hollandsche vrouw heeft een kennelijk gevoel van eigenwaarde, en de tijden zijn voorbij toen zij maar een man het jawoord gaf om ‘onder dak’ te zullen zijn bij het overlijden harer ouders. Wie heeft ze niet gekend, de arme teervoelende meisjes uit groote gezinnen, die al hare illusies offerend ter wille van vaders zorgen, hare hand reikten aan een bekenden losbol, die nu eindelijk maar trouwen zou, of aan drinkers en halve idioten uit het zich boven de vrouw voelende mannengeslacht! […]

Neen, te huwen om ‘onder dak’ te zijn, is voor de hedendaagsche vrouw onnoodig; dat was het noodlot der onbemiddelde vrouw van voor vijf en twintig jaren. Als de schooltijd was afgeloopen wachten op een man. Geen of weinig bezigheid, voor het venster zitten en in het spionnetje gluren, een doelloos handwerkje, veel uitgaan; maar geen levensdoel, geen prikkel om met lust uit bed te springen voor den komenden dag, geen reden om bij het slapen gaan te verlangen naar den komenden morgen. Geen fier bewustzijn van zich nuttig weten, maar, als de man niet kwam, in heerengezelschap gekkelijk opgewonden zich aanstellend, dan een spot voor jongeren en een doktersmelkkoetje, om het leven te eindigen in gezelschap van kanarievogels en poesen. […]

En nu zien wij ze gaan door de straten der steden en over de wegen der dorpen met rustigen tred en geheven hoofde, de moderne vrouwen. […] En ze gaan in grote drommen, de werkende en hervormende vrouwen, met gelukkigen glimlach en rijk gevoel van voldaanheid over het leven en zichzelf. Haar ingeschapen teederheid siert haar als doktores en ziekenverpleegster aan de bedden der kranken; – in verre landen zien wij hare scherpzinnigheid haar als rechtsgeleerde te stade komen. Wij zien hen optreden als leeraressen, ook aan Universiteiten, als bijenkweeksters en als hoofden van boerderijen; – zij jagen de machines in de telegraafkantoren en hunne stemmen roepen door de telefoonbuizen; – hunne teere vingers tikken op de schrijfmachines en voeren de stenografische pen; zij zijn achter de toonbanken en in de journalistiek; in de orchesten der concertzalen en in de rijen der componisten; in photografie, schilder- en beeldhouwkunst, zoowel als in letterkunde als op het tooneel. En toch zijn er nog altijd vrouwen in overvloed die potje koken en vloeren aanvegen, of waardig hare mooie plaats als huismoeder innemen, en het hart van de ‘moderne vrouw’ is niet kouder dan het hart van de kokende en vegende vrouw of der huismoeder. Waar is het woord ’emancipatie’ gebleven, dat men spottend uitsprak? … Alweer in onbruik geraakt. Men spreekt nu nog alleen met zeker ontzag over ‘de moderne vrouw’.

Een vrouwenhart blijft een vrouwenhart voor het fornuis of achter den lessenaar, in de dokterskoets of gebogen over een te mazen kous. Geen wijze van broodverdienen zal ooit hare vrouwelijkheid benadeelen, of hare eigenaardige bekoorlijkheid schaden; en in alle omstandigheden kan zij kinderen aan haar warm hart drukken en tranen storten over den dwalenden man.”

Van Woude eindigt bepaald juichend: “Gij, moderne vrouwen, gij wegbaansters voor duizenden uwer jongere zusters, wij danken u voor uw moed en rustige volharding, en denkende aan den strijd door u gestreden, wordt ons oog vochtig, als wij u rustig zien gaan door den menschenwereld. Maar de overwinning is behaald!”

 

Reacties uitgeschakeld voor De overwinning is behaald!

Filed under Hoofdartikel