Tag Archives: Anna de Savornin-Lohman

Op jacht met keizer Wilhelm

Wilhelm II, de laatste keizer van Duitsland, regeerde van 1888 tot 1918. Bij ons is hij vooral bekend vanwege zijn verblijf na 1918 in Huis Doorn waar hij al houthakkend zijn laatste jaren sleet. Na zijn dood in 1941 is hij bijgezet in een mausoleum op het landgoed. Zijn gebalsemde lichaam is daar nog steeds aanwezig en zal pas naar Duitsland terugkeren wanneer dat land weer een monarchie is geworden – aldus zijn laatste wens.

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Wilhelm II in 1914 (via Wikipedia)

Rond 1910 was hij nog springlevend en een man met aanzien. Hoofdredacteur van De Hollandsche Lelie Anna de Savornin Lohman kon echter geen respect voor hem opbrengen. In de editie van 6 december 1911 schreef zij, onder de titel ‘Afschuwelijk!’:

“De Keizer van Duitschland jaagt voor de eerste maal bij den graaf von Francken Sierstorpff, in Silizië. Deze is met die eer zoo blij dat hij al het mogelijke doet om zijn jachtterrein voor den ‘hoogen gast’ (groote-couranten-stijl) aangenaam te maken. Daartoe heeft hij laten komen uit Boheme 6000 (zegge zes-duizend) fazanten à 6 mark per stuk. Deze worden dan op het terrein vrijgelaten, opdat er zóóvelen zijn dat de Keizer niet kàn misschieten!!

Dan staat er later in de vleierige couranten, dat hij zoo’n groot jager is, en dat hij daarom zoo en zooveel stuks wild doodschoot! Van het walgelijk-kinderachtige van zulk gedoe wil ik niet spreken; alleen maar van ‘t verachtelijke ervan. En dan wil men dat wij ‘gewone menschen’ iets zullen voelen voor vorsten, die van hunne ‘staatsbeslommeringen’ (‘t mocht wat!) uitspanning zoeken op zoo’n laaghartig-wreede-minne manier!

Ik doe niet aan vorstenbewondering!”

 

Reacties uitgeschakeld voor Op jacht met keizer Wilhelm

Filed under Beroemdheden

Kinderachtige studenten

De afgelopen week was er veel te doen rond studenten van het Groningse Corps Vindicat Atque Polit die zich in een Sushi-restaurant zouden hebben misdragen. Dit soort incidenten zijn niet nieuw; ook in de tijd van De Hollandsche Lelie kwamen ze al voor. Onder de kop ”Geestig?’ veegt hoofdredacteur Anna de Savornin Lohman in het nummer van 15 november 1911 de vloer aan met de betreffende studenten. 

“Een ‘bah’ voor die herriemakers, die eens mannen van gezag heeten te worden!” Deze welverdiende woorden vind ik in een socialistisch weekblaadje, naar aanleiding van de in alle couranten de rondte gedaan hebbende geschiedenis der studenten-onhebbelijkheid in Scala, verleden Zaterdag; (waarlijk, dat uitbazuinen van deze kinderachtige rustverstoring was overigens te veel eer voor hen). De uitdrukking is wélverdiend. Bah. Dat is ‘t rechte woord ervoor. Aan kinderen, van veertien jaar reeds, zou men zeggen: Toe stel je niet zoo onnoozel aan. En deze ‘studenten’ verbeelden zich, dat zoo’n lamlendig de orde verstoren in een voorstelling ‘geestig’ zou zijn! ‘t Bewijs hoe zuiver een gezonde jongen, – niet eens eens jonge man maar een jongen – voelt in dezen, werd mij dienzelfden middag geleverd toen het relletje ‘s avonds gebeurd is. ‘t Waren vermoedelijk dezelfde geestige (?) studenten, die toen namelijk rondreden door Veenestraat enz., half-dronken (natuurlijk), met hun corpspetten op, en zich flauw te keer stellend met trompetten en andere ongemeen geestige (?) manieren om de aandacht te trekken. Natuurlijk gelukte dit ook, en kwam er een oploopje, maar ik hoorde een paar straatjongetjes die achter me aan liepen, verachtelijk tegen elkaar zeggen: “Gut, doe dáár nou geen moeite voor om dáárvoor hart te loopen. Wat is dáár nou aan?” De ventjes toonden meer gezond verstand dan de aanstaande ‘mannen van ‘t gezag’. Natuurlijk ook, zij waren immers niet dronken. God, wat hebben we toch een misselijke maatschappij, als je er goed over nadenkt! En, veranderen zal ‘t toch nooit, omdat de menschen nu eenmaal zoo zijn, als massa genomen. Dat is het ontmoedigendste nog ervan!

Reacties uitgeschakeld voor Kinderachtige studenten

Filed under Dagelijksleven

De ramp van de Titanic

In de nacht van 14 op 15 april 1912 kwam de RMS Titanic in aanvaring met een ijsberg. De gevolgen zijn bekend: binnen enkele uren zonk het schip en 1522 opvarenden kwamen om het leven. Een belangrijke oorzaak voor dat hoge aantal doden was de beperkte capaciteit van de reddingssloepen: er was maar plaats voor de helft van de passagiers en in de chaos zijn ze ook nog eens niet optimaal benut.

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Voorpagina New York Herald dinsdag 16 april

Destijds was de ramp uiteraard wereldnieuws, de schok was groot. In De Hollandsche Lelie van 24 april 1912 is al een reactie te vinden van hoofdredactrice Anna de Savornin Lohman, onder de kop ‘Aan wie de schuld?’

“Dat de ramp van de Titanic vreeselijk is, en ons allen met ontzetting vervult, dat is zoo’n waarheid als ‘n koe dat ik er niet bij behoef stil te staan.

Wat echter, bij al het geschrijf er over, pijnlijk-ergernis-opwekkend aandoet, dat is het geleuter en gejeremieer voortdurend, of Astor en Guggenheim en Strauss, en dito rijkaards, al of niet gered zijn, en hoeveel waarde geld deze vertegenwoordigen, terwijl men ondertusschen niets zegt van de honderden en nog eens honderden niet-rijkaards, die in dit geval om ‘t leven zijn gekomen, in de eerste plaats van de ongelukkige bemanning.

Deze rijkaards immers, (die tenslotte nog wel gered zullen zijn óók, pas eens op, Ismay Bruce, die ellendeling, is er al), zijn de oorzaak van ‘t heele ongeluk. Als zij niet, in hun onzinnige snelheid-woede, aandrongen op record-reizen, als zij niet, in hunne geblaseerdheid, eischten de meest onzinnige, ten hemel schreiende weelde, dan zouden de maatschappijen er niet aan denken zulke dwaze, veel te groote luxe-booten te bouwen, noch van hare ondergeschikten durven eischen, dat zij een gevaarlijken weg kiezen door de ijsbergen heen, alleen om nog iets gauwer dan anderen aan te komen – aan welke schandelijke record-woede de overige nietsvermoedende passagiers en de tot gehoorzamen verplichte bemanning zijn opgeofferd. Lees maar eens wat de scheeps-eigenaars zelf hieromtrent getuigen:

Werp den schuld van deze ramp niet op ons!” riep een beambte van een der grootste transatlantische stoomvaartmaatschappijen te New-York uit. “Werp de schuld op uzelven, en op al degenen, die snelle reizen vragen, tennisbanen, Romeinsche baden, gymnastieklokalen, wintertuinen aan boord; wij zouden niet aarzelen onze dekken vol te zetten met reddingbooten, maar deze zouden aan de weelderige inrichting schade doen – en die schijnt op hooger prijs te worden gesteld dan veiligheid”. (Telegraaf.)

De fitnessruimte in de eerste klas

De fitnessruimte in de eerste klas

Zoo is het. De macht van het geld, van het meestal langs vuile en onnoembare wijze verkregen geld van woekeraars en afpersers regeert de gansche wereld. En alles buigt en kromt zich ervoor. Vóór de revolutie was de adel oppermachtig, tegenwoordig zijn het de Amerikaansche varkenhandelaars en worstmakers en blikjesverkoopers, die hunne dochters uithuwelijken aan ‘t verloopen, verarmde Europeesche high-life. Met hunne auto-woestheid maken zij op alle groote wegen van Europa talrijke slachtoffers, en, niet daarmede tevreden, willen zij nu ook nog, op hunne reizen heen en weer naar Europa, alle comfort en luxe genieten van ‘t meest verfijnde hôtel, en tegelijk de maatschappijen dwingen hen in een onzinnig korten tijd over te brengen. Geld komkt er immers voor hen niet op aan. Dat hebben ze. Daarvoor moet alles wijken.

Maar, van tijd tot tijd gaat het zoo als ditmaal met de Titanic, een onbekende macht, sterker dan die van ‘t geld, treedt tusschen beiden, en spot met alle aardsche menschengrootheid.

De regels van Da Costa komen mij daarbij in den zin:

Maar het Godsuur had geslagen,

En de menschenschepping viel.

‘t Zij gij roem of rouw moogt dragen,

Menschheid schouw het aan en kniel.

God is Rechter. De aarde wacht.

De aarde ontroert, en staat verwonderd,

Als de God der eere dondert

En den dag verkeert in nacht.

Over de opgedreven waatren

Wandelt Zijne Konings-stem!

Zeeën schuimen, scharen schâtren –

En de storm verheerlijkt Hem.

O, ik wou, ik wou dat het God wezenlijk is geweest, die, door dezen ijsberg, al die menschelijke pralerij heeft willen in den grond boren. Ik wou, dat Hij al die schunnige ellendige rijkaards, over wier lot de gehele europeesche pers zich zoo aandoenlijk ongerust maakt (terwijl zij voor de rest geen woord bijna over heeft) liet verzwelgen in de schuimende zee. En ik wou dat Hij de anderen, zij, die de slachtoffers zijn, de weduwen en weezen in Southampton, der bemanning, en zoovele andere passagiers wier namen onbekend blijven, wreekte om wat hun is aangedaan.!

Het vers van Da Costa, dat ik zooeven aanhaalde, eindigt:

Plast het tranen, ruischt het bloed,

Dondren woede en lasterkreten,

God als Koning is gezeten,

Over d’opgezetten vloed.

Wederkaatst door hemelpsalmen,

Antwoordt uiit het heiligdom,

Midden onder de onweersgalmen,

‘t Jongste woord Zijns Woords: Ik Kom.

Ziet gij, lieve lezers, in dat geloof, dat van Da Costa, ben ik opgevoed. En soms komt het over mij met volle kracht: Mocht het zóó zijn. Want, dan immers, dunkt mij, kan het niet lang meer duren, of Hij komt werkelijk. Hij kan dan al deze vuilheid, al deze pralerij met geld, al dit gehuichel, al deze ten hemelschreiende onrechtvaardigheid niet lang meer aanzien – als Hij er is. Het is een te onzuivere, te smerige boel tegenwoordig. Als er een God is, dan moet Hij wel spoedig komen, en deze aarde vertrappen, – met hare zóógenaamde ‘christelijke’ regeeringen incluis!

'Untergang der Titanic' door Willy Stöwer

‘Untergang der Titanic’ door Willy Stöwer

[De afbeeldingen zijn afkomstig van Wikipedia, waar ook uitgebreide informatie over de Titanic te vinden is]

Reacties uitgeschakeld voor De ramp van de Titanic

Filed under Geschiedenis

De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

De Noor Roald Amundsen (1872-1928) had als jongen al een droom: ontdekkingsreiziger worden en als eerste de Noordpool bereiken. Na twee expedities (de Belgische Antarctische expeditie en de Noordwestelijke Doorvaart) was het zo ver: hij richtte zijn vizier op de Noordpool. Tijdens de voorbereidingen kwam hij er echter achter dat anderen hem voor waren geweest: zowel Frederick Cook als Robert Peary beweerde de Noordpool te hebben bereikt.

In het diepste geheim paste hij zijn plan aan: hij ging nu richting Zuidpool, in de hoop daar als eerste te arriveren. Zelfs een deel van zijn expeditieleden hoorde pas onderweg van het uiteindelijke doel van deze tocht zuidwaarts. Zijn broer Leon maakte het nieuws bekend tijdens een persconferentie in Oslo op 1 oktober 1910 en via een telegram werd ook Robert Falcon Scott geïnformeerd. Die was met zijn schip de Terra Nova ook onderweg naar de Zuidpool. Scott was aanvankelijk van plan het kalm aan te doen en veel tijd te besteden aan wetenschappelijk onderzoek, maar toen hij hoorde over de koerswijziging van Amundsen zette hij de sokken erin. En zo startte er een historische race naar de Zuidpool, die door Amundsen werd gewonnen: na een barre tocht zagen Scott en zijn reisgenoten tot hun ontzetting de Noorse vlag al op de Zuidpool staan.

Ook de terugtocht verliep voor Scott en zijn mannen rampzalig. Eén van hen, Lawrence Oates, kon als gevolg van gangreen nauwelijks meer lopen. In het besef dat hij de anderen ophield verzocht hij één van hen zijn dagboek aan zijn moeder te geven en met de woorden “I am just going outside and may be some time” verliet hij de tent – om nooit meer terug te keren. Uiteindelijk zouden ook de overgebleven expeditieleden, waaronder Scott zelf, de reis niet overleven. Maanden later werden ze gevonden, en uit het nagelaten dagboek van Scott bleek hoe hun tocht was verlopen. Naar Oates is daarna nog tevergeefs gezocht, maar alleen zijn slaapzak is terug gevonden.

Juist doordat ze de expeditie niet overleefden, kreeg de reis van Scott veel meer aandacht dan de succesvolle tocht van Amundsen, die wel terugkeerde. Scott zelf kreeg een heldenstatus, die pas bij publicatie van het boek Scott & Amundsen van Roland Huntfort in 1979 wat verbleekte: de expeditie was achteraf niet bepaald goed georganiseerd en Scott had een aantal ondoordachte beslissingen genomen.

Opvallend genoeg had Anna de Savornin Lohman, de eigenzinnige freule die vanaf 1902 hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie was, in die tijd al een zeer kritische kijk op de expeditie van Scott. Onder de titel ‘Heldhaftigheid’ schreef zij op 26 maart 1913:

“Alle bladen, couranten, tijdschriften, enz., zijn vol van den noodlottigen afloop der Zuidpool-expeditie van Captain Scott. En bovenal deze laatste wordt daarbij steeds verheerlijkt als ‘de’ held bij uitnemendheid. Heeft hij niet tot het laatste toe zijn dagboek bijgehouden? Heeft hij niet, nog stervend, een beroep gedaan op de Engelsche natie, ten behoeve der weduwen en weezen van hem en zijn lotgenooten, en daarmede getoond hoe ook in den dood zijne gedachten niet zichzelf maar anderen golden?

Zeker, dit alles dwingt eerbied af en bewondering. Mannen als Captain Scott en zijn makkers, die de volharding en de wilskracht zóó ver drijven, dat zij geen gevaar, geen ontbering te groot achten om hun doel te bereiken, steken uit als reuzen boven ‘t gros van ‘t kleinzielige menschdom. Daar gaat niets van af. Toch is er m.i. nog een andere zijde van de quaestie ook! Ten eerste rijst de vraag: welk nut, welk practisch doel, hebben deze expedities eigenlijk? Bewijst niet het feit-zelf, dat iedereen Captain Scott ten diepste beklaagt, omdat Amundsen hem tenslotte bleek vóór te zijn geweest aan de Pool hoe niet zoozeer een wetenschappelijke ijver maar wel een persoonlijke eerzucht vóórzit, waar het dergelijke ondernemingen geldt? Maar, in de tweede plaats – en daarop voornamelijk wil ik wijzen – wordt – terwille van den leider der expeditie, – niet vergeten al te veel de m.i. véél grootere ware heldhaftigheid aan den dag gelegd door zijn metgezel Oates? Van dezen laatsten schrijft Captain Scott, met Engelsche pedanterie van uitdrukking, ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’ Als men echter verneemt waarin die gentleman-dood bestaan heeft, dan is men geneigd zich af te vragen, of Captain Scott en de twee andere overblijvenden wel even gentleman-like handelden ten zijnen opzichte als Oates het deed wat hen betreft. Immers Oates heeft feitelijk zichzelf van het leven beroofd, om daardoor Scott en de beide anderen een sneller voorwaarts komen mogelijk te maken. In hevige mate lijdend, met half bevroren voeten, was hij een struikelblok geworden op den toch reeds zoo moeilijken tocht, omdat men hem moest meesleepen. Toen bezat hij den zelfverloochening van geheel alléén de tent, die hen in een storm tot verblijf diende, te verlaten, zeggende, ‘Ik zal lang wegblijven.’ Zoo ging hij den ‘blizzard’ in, den vrijwilligen dood in sneeuw en ijs accepteerend, ten behoeve zijner makkers.

Iets meer subliems is niet denkbaar! En klein – schoon in die omstandigheden vergefelijk klein – staat hier tegenover de houding van Captain Scott, die volkomen begreep wat Oates doen ging, en die hem liet gaan, en koelbloedig schreef in zijn dagboek: ‘Hij stierf den dood van een gentleman.’

Dat feit, van hem, den stervende, te hebben laten heengaan in dien sneeuw-dood, dat blijft een vlek op de nagedachtenis van Captain Scott. O, ik herhaal het, in zulke verschrikkelijke ellende is het een alleszins denkbare zwakheid, dat de drie nog op uitkomst hopenden hun eigen leven trachtten te sparen ten kost van hunnen reeds zoo-zwaar-zieken vriend. Maar het is met dat al weer een zooveelste bewijs van de menschelijke onrechtvaardigheid en onnadenkendheid, dat iedereen nu achterna veel meer geïmponeerd wordt door het eenigszins bravoure-achtig dagboekverhaal van den stervenden Captain Scott, dan door dat zwijgend, zonder een enkel woord van zelf-beklag uiten, stoïcijns zich-zelf-offeren van Oates. ‘t Lijk van Captain Scott is gevonden! Dat van Oates niet. Wie zal zeggen welk een naamloos wreeden kamp met den dood deze reeds toen hij de tent verliet stervende ongelukkige heeft moeten voeren, temidden van sneeuw, ijs, storm, en omringd door de gruwelijke eenzaamheid dezer poolstreek, alvorens eindelijk de dood hem verloste!”

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

Roald Amundsen op de Zuidpool (via www.historiek.net)

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem Oates), via Wikpedia

De expeditieleden van Scott (tweede van rechts; rechts naast hem staat Oates), via Wikipedia

Voor wie meer wil weten over de Terra Nova Expeditie van Robert Falcon Scott: zie o.a. de documentaire ‘Race to the South Pole’ op Youtube.

 

 

Reacties uitgeschakeld voor De Zuidpool-expedities van Scott en Amundsen

Filed under Wereld

Een onbeholpen wielrijder

[In De Hollandsche Lelie van 16 september 1903]

Ik vind deze week in “het Vaderland” het volgend bericht.

Op den Ouden Scheveningschen Weg kwam een onbeholpen wielrijder met een volle vaart tegen een heer aan, die viel, zijn kleederen erg havende, en ook zijn hand verwondde. Gelukkig grepen een paar voorbijgangers hem onmiddellijk, anders was hij ook nog onder een rijtuig gekomen. De wielrijder klom weer op zijn fiets, en reed dadelijk daarop weer een dame omver.

Een politieagent, wien men verzocht proces-verbaal op te maken, zeide dat dit niet noodig was, hij kende den man op de fiets wel. Doch toen men later naar het politiebureau ging, bleek dit niet het geval te zijn. Toen was echter de woeste fietser niet meer te vinden.”

Naar aanleiding van deze mededeeling veroorloof ik mij, – met al de nederigheid, die past aan eene niet-ééns-Edelachtbaren-mogende-méékiezen, echter wèl de door hen ingestelde belastingen moetende méé-offeren vrouw – het volgende voorstel te brengen onder de aandacht van het zoo vaderlijk en rechtvaardig Edelachtbaar bestuur onzer stad ‘s-Gravenhage:

Zou het geen aanbeveling verdienen, wanneer de dappere politie-agenten van ‘s-Gravenhage voortaan wat minder keken naar den grond, of zij ook hier of daar een weerloos straathondje kunnen opsporen, dat buiten-eigen-schuld, ongemuilkorfd rondloopt, en daarvoor moet sterven na wreede martel-opsluiting; en wat méér rondom zich, naar voor hun genoegen fietsende groote-oomes, die door eigen schuld, hun medemenschen verminken en ongelukkig maken, maar daarvoor, niet-alleen niet worden gedood, doch ook zelf geen enkele straf, hoe gering ook, ontvangen…

Of is de dapperheid der Haagsche politie alléén groot, waar het weerlooze hondjes geldt?…

En kijken zij opzettelijk liever een anderen kant uit, als een groote oome fietst zonder het te kunnen; en dáárdoor zijn medemenschen verminkt…?

Anna de Savornin Lohman

Reacties uitgeschakeld voor Een onbeholpen wielrijder

Filed under Dagelijksleven

Een Waarschuwing

Van 1902  tot 1915 is jonkvrouw Anna de Savornin Lohman hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie. Zij transformeert het voorheen nogal zoete tijdschrift voor jonge meisjes tot een opinieblad voor volwassenen. Daarbij steekt ze haar eigen mening niet onder stoelen of banken; ze zet met name de correspondentierubriek en haar hoofdartikelen in om de publieke opinie te beïnvloeden.

In het hoofdartikel van 16 maart 1904 gaat ze bijzonder fel tekeer tegen moeders die hun kinderen achterlaten bij dienstboden. Dit naar aanleiding van een bericht in de krant over een zoontje van prins Heinrich in Kiel, dat bij het spelen met een stoel is omgevallen en daarbij een hersenschudding heeft opgelopen. Zijn ouders zijn daarom teruggeroepen uit Berlijn.

De Savornin Lohman is van mening dat de moeder van het prinsje door haar vorstelijke positie genoodzaakt is haar kinderen van tijd tot tijd achter te laten. “Zij kan het niet helpen, dat zij hen moet overlaten aan andere zorg dan hare eigene. En daarom is zulk een moeder alleen te beklagen, van ganscher harte.”

“Maar wat te zeggen van de wezens die het niet behoeven te doen, die 3, 4, soms meer kleine kinderen hebben, en die men, dag aan dag, op straat, uit dineeren-gaande, en ‘s avonds in concerten, comedies, enz., enz. kan zien? Terwijl ondertusschen haar eigen kleine kinderen onbeschermd zijn overgelaten aan geheel vreemde, onbetrouwbare, gehuurde hulp, van dienstboden en kinderjuffen, die, ook in het meest gunstigste geval, toch niet die liefde en zorg kunnen hebben voor vreemde kinderen, die een ware moeder voelt voor haar eigene?

Ik ken er zoo! […]

Wat te zeggen van de moeder, die, omdat ze een  ‘talent’ bezit van den zooveelsten rang, den godganschelijken dag dat talent ‘ontwikkelt’, met gejank bij, en gezaag op de piano, met geklodder op een stuk doek, of gepennelik op een stuk papier, en alle concerten, schilderijen-tentoonstellingen, en damesleesmusea afdraaft, om dit talent gelegenheid te geven zich aan ‘kunstgenot’ te verkwikken, terwijl ondertusschen de kleine kinderen thuis… (zie hierbooven…)

Ik ken er zoo.

Ik geneer mij niet te zeggen, dat ik zulken moeders, en  den kinderen zelf, toewensch, dat ze hun kinderen door den dood verliezen. Want, voor die egoiste moeders is dat de gemakkelijkste oplossing; en voor de kinderen-zelf is dat het gelukkigste. Immers, van hoeveel verkeerde voeding, verkeerde straffen, verkeerde opvoedingsmethoden, gemakshalve, door de met de minste moeite gediende dienstboden, zijn zulke kinderen niet stelselmatig het slachtoffer.”

Zo foetert ze nog even door, zie voor de hele tekst de volgende afbeeldingen. Het verhaal eindigt met: “En die waarschuwing is hier ernstig genoeg. Die ‘lichte ongesteldheid’ [van het prinsje] is geëindigd in… sterven ….”

Hoofdartikel 'Een Waarschuwing', 16 maart 1904, p. 1

Hoofdartikel ‘Een Waarschuwing’, 16 maart 1904, p. 1

Hoofdartikel 'Een Waarschuwing', 16 maart 1904, p. 2

Hoofdartikel ‘Een Waarschuwing’, 16 maart 1904, p. 2

 

Reacties uitgeschakeld voor Een Waarschuwing

Filed under Uncategorized

Portretten

In de jaargang 1903-1904 wordt maandelijks een auteursportret meegezonden met De Hollandsche Lelie. In het hoofdartikel van het betreffende nummer gaat een letterkundige dieper in op het leven en werk van de betreffende persoon.

Frans Netscher schrijft dat Top Naeff meteen met haar eerste boek ‘Schoolidillen’ veel succes heeft. Dat komt onder meer door ‘de eenvoud, de zuiverheid van sentiment en het realisme in personen en situaties. Die eigenschappen gelden ook voor haar volgende boeken, volgens  Netscher ‘eerlijk werk, gaaf werk’. Hij waarschuwt haar wel dat ze niet moet gaan proberen haar zinsbouw ‘mooi’ en ‘modern’ te maken, want voor woordkunstenares is ze volgens hem niet in de wieg gelegd. “Deze pogingen détoneeren in haar werk, waarvan de groote bekoorlijkheid juist ligt in de eenvoud, de zuiverheid en het realisme. En wanneer zij haar verdere werk zóó in die eigenschappen houdt, dan is dat reeds meer dan voldoende om haar een toekomst te verzekeren. Laat ze dáár tevreden mee wezen. En dat kàn ze.”

Top Naeff

Top Naeff (5 augustus 1903)

In 1904 is Ina Boudier-Bakker nog een jonge, veelbelovende schrijfster. In een paar jaar heeft zij haar naam al gevestigd en ze wordt door J.H. Rössing dan ook zeer positief besproken. “Mevrouw Boudier-Bakker staat met haar drama, met haar novellen en met haar romans in het leven, in de waarheid van het leven, en… er boven. Zij hoort en ziet scherp; zij neemt waar wat anderen verborgen blijft.” Pas in 1930 zou haar beroemdste roman, ‘De klop op de deur’, verschijnen.

Ina Boudier-Bakker

Ina Boudier-Bakker (3 februari 1904)

Ook komt de hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie van dat moment, Anna de Savornin Lohman, zelf aan bod. Zij meent echter dat het niet gepast is dat er over haar ook een uitgebreid artikel verschijnt:

“Zooals de lezers weten, plegen de portretten van auteurs, welke sinds den nieuwen Jaargang elke maand geregeld in de Lelie worden opgenomen, vergezeld te gaan van bijschriften over hen, van de hand van andere letterkundigen. Ik heb gemeend aan het verlangen van den uitgever, dat ook mijn portret zou worden opgenomen, te moeten gevolg geven, waar dit verlangen strookte met den wensch die zoovelen mijner correspondenten mij hunnerzijds te kennen gaven.

Daarentegen vind ik het beslist-onkiesch in een Blad dat onder mijn eigen-redactie staat een bijschrift over mij-zelve te doen plaatsen, van welke hand ook, dat onder deze omstandigheden, in dit bijzonder geval, uit den aard der zaak, min of meer een loftuiting zou worden op mijn werk of persoon. – Om die reden ontbreekt, op mijn beslist verlangen, het gebruikelijke bijschrift.”

Anna de Savornin Lohman

Anna de Savornin Lohman (2 december 1903)

 

 

Reacties uitgeschakeld voor Portretten

Filed under Illustraties