Tag Archives: Zola

De smerigste uitgebraakte woordentaal

Israël Querido (1872-1932) was een Amsterdamse romanschrijver en criticus. Op zijn veertiende ging hij van school af om in de praktijk het vak van horlogemaker te leren. Hij liep daarbij echter een oogbeschadiging op. Vervolgens werkte hij als leerjongen in de diamantindustrie, maar onder meer door zijn oogletsel bleef hij niet lang in dat vak. Daarna was hij nog een tijdje juwelier om vervolgens verslaggever te worden.

In 1893 maakte hij zijn debuut als schrijver met de bundel Verzen, onder het pseudoniem Theo Reeder; in 1893 verscheen zijn tweede dichtbundel. Hij was actief als literair criticus, werd in 1897 lid van de SDAP, publiceerde dankzij zijn connectie met Herman Heijermans in De Jonge Gids en raakte in de ban van het naturalisme. In 1901 schreef hij zijn eerste roman, LevensgangDit boek, waarin Querido op basis van persoonlijke herinneringen het leven in de Amsterdamse diamantwerkerswereld beschrijft, werd een bescheiden bestseller. Het was geïnspireerd door Germinal van Emile Zola, waarin deze de barre omstandigheden van het leven van de 19e-eeuwse mijnwerkers aan het licht bracht.

Op 23 oktober 1907 wordt het boek besproken in De Hollandsche Lelie. De auteur van het artikel, ‘Johan’, trekt stevig van leer. Onder de titel ‘Is Querido een kunstenaar?’ schrijft hij:

“Querido heeft veel boeken geschreven. En in korten tijd heeft deze man zich bij tamelijk veel menschen bekend weten te maken. Voor eenige jaren hoorde ik eens verschillende lui over hem spreken; ze noemden hem een kunstenaar; zijn werk was dus kunst. En daar ik er altijd veel van houd een kunstenaar aan te treffen in de letterkunde, hoopte ook ik dien kunstenaar in Querido te vinden. En ik begon met een boek van hem dat me zeer werd geprezen, het was Levensgang.

LevensgangNu zal ik niet beweren, dat de schrijver een slecht onderwerp koos, een allerminst dat, ik verwachtte zelfs veel van dit boek, toen ik het voor me zag. Ik las een paar bladzijden van da mooi-genoemde boek, dat me dadelijk reeds vreeselijk afstootte door de vuile toestanden, die hij schetste. En ik dacht bij me zelf, zou de schrijver nu inderdaad denken, dat hij, door het gaan neerschrijven van zulke woorden, de wereld beter maakt, denkt hij door het gebruiken van zulke banale en lage uitdrukkingen ‘kunst’ aan zijn werk te geven? Zou hij dát denken?

En van zoo’n boek wordt ‘genoten’, misschien tengevolge van de gemeenste beestachtigste woorden, die hij kiest? Had de schrijver werkelijk iets te vertellen of is hij om iets te willen meepraten een vuil kletspraatje begonnen om op zich de aandacht te doen vestigen.

Levensgang is een boek, waarvan ik beweer dat het geen kunst is niet alleen, maar vuile-aanelkaar praterij. Alles wat als echte kunst wordt beschouwd in dit boek, is geen kunst, het is de smerigste uitgebraakte woordentaal. Querido blijkt van artisticiteit niets te weten, hij zeurt bar en nergens blijkt ook maar eenige kunstzin in dit boek en ik walg van ‘t vuile geklets. Zulk kunst genoemd gelamenteer, zoo’n chaos van beestachtige vuile en niets-beteekenende woorden, die hij zelf mogelijk niet begrijpt, is dat nu ‘kunst’.

Als zulk werk kunst genoemd wordt, dan kunnen de menschen, die zulk hol gepraat mooi vinden en hooge ideale kunst, nog veel mooiere en hoogere kunst aantreffen, als ze zelf gaan naar de achterbuurten van groote steden b.v. Dan kunnen ze nog eens hooren, hoe onbenullig wel het werk van Querido is, hoe vaag hij is in zijn uitdrukking.

Als de menschen dàt mooi noemen, dan kunnen ze wel eeuwig gaan naar die achterbuurten en als ze dan ook nog eens zoo ver komen een boek te schrijven, dan hoop ik, dat het niet zulk gescharrel is van verkeerd-gebruikte vuile woorden, maar al ze zulk werk mooi noemen, laat ze dan ook werkelijk eens aantoonen, wat voor moois, waarachtig hoogs er is in die achterbuurten, laat ze dan ook iets goeds en waars vertellen, laat ze dan ook ‘kunst’ geven in de ware beteekenis des woords. Waarom toch haalt Querido nooit aan het goede, dat er heerscht in de achterbuurten, in den lageren stand, in de volksklasse waarom haalt hij juist altijd dat smerig-beestachtige aan. Of wou hij zeggen, dat daar enkel en alleen vreeselijke toestanden heerschen en niets moois te vinden is’dan wil ik hem dadelijk wel zeggen, dat hij het totaal mis heeft, dat hij er niets van weet, hoe zeer hij door sommigen ook geroemd mag worden. Hij schijnt werkelijk genoegen te vinden om de toestanden op de vuilste manier te laten zien, altijd van de gemeenste kant. Nergens in zijn heele boek komt een mooi tafereeltje voor, nergens wordt iets mooi, en zóó geschetst als het inderdaad is.

Ik ben er van overtuigd (hoewel ik er niets moois en schoons in vond) dat een jongen uit de volksklasse, die dit boek las en had meegeleefd de toestanden, die Querido zoo onbeholpen tracht te beschrijven, het héél anders zou zeggen en veel meer naar waarheid. Zoo’n jongen zou ten minste volkomen vertellen, zóó als het was, het leelijke niet alleen, maar het ware. Dan achtte ik zoo’n jongen ten minste nog hooger dan Querido, want Querido schijnt alleen het verkeerde te zien en niet zóó als het is. Querido schijnt een groote pessimist. En hoe hij het heeft durven wagen van zulk vuil geklets een boek uit te geven, blijft me volkomen een raadsel.

En nog minder kan ik me voorstellen, dat zulk werk ‘kunst’ genoemd wordt, door niet alleen enkele onontwikkelde menschen, maar zelfs menschen, die beweren of liever denken veel kunstzin te bezitten. In geen geval kunnen zulke lui hoog staan op het gebied van reine, edele kunst (d.i. ware kunst), het zullen meest zijn onbeschaafde, ruwe, vuile menschen, of menschen die graag als apen mogen nadoen, wat hun wordt voorgedaan, dus menschen, die beweren dat Querido een kunstenaar is, omdat hij door sommige ongevoelige menschen zoo genoemd wordt.

Wat staan de menschen, die zulk gezanik en gelamenteer, mooi vinden, die zulk vuil gepraat aantrekt, toch no vreeselijk laag op het gebied van hooge en mooie kunst, waarvan ze blijken niet het minste verstand te hebben. Wat is Querido toch in Levensgang aan het knoeien geweest, Levensgang is geen kunst maar ware dronkemanspraat.”

Wie ondanks deze tirade nieuwsgierig is naar het boek: het is integraal te vinden op de DBNL-site. Voor meer informatie over Israël Querido (die trouwens een broer van de latere uitgever Emanuel Querido was), zie onder meer het Biografisch Woordenboek van Nederland en Ons Amsterdam (met name over zijn Jordaan-epos, dat in vier delen verscheen tussen 1912 en 1925).

Is Querido een kunstenaar?

Is Querido een kunstenaar?

Reacties uitgeschakeld voor De smerigste uitgebraakte woordentaal

Filed under Literatuur

Correspondentie over zedelijkheid

Een vaste rubriek in De Hollandsche Lelie is ‘Correspondentie van de redactie met de abonnés’.

Rubriek 'Correspondentie'

Rubriek ‘Correspondentie’

Wekelijks beantwoordt de redactrice de meest uiteenlopende vragen. Alleen de antwoorden worden afgedrukt; naar de gestelde vragen moet je als lezer dus maar raden.

In het nummer van 28 september 1904 behandelt Anna de Savornin Lohman een vraag over zedelijkheid: “Wanneer men een boek leest om de kunst, kan de inhoud onzedelijk zijn, en toch de lezeres-zelve reine bedoelingen hebben. En óók kan een boek onzedelijk heeten, en het niet-zijn. Dit laatste is het geval wanneer de auteur een of andere gegeven moest behandelen, en daarbij toestanden en gebeurtenissen moest schilderen die nu eenmaal zoo zijn. Ik denk b.v. aan Zola’s werken: GerminalPot Bouille en anderen. Onzedelijk noem ik die boeken die met zeker genot rondwoelen in vuiligheden, opzoeken ruwe, prikkelende bijzonderheden van dubbelzinnigen aard, daarbij stilstaan, ze uitpluizen op onnoodige wijze.

Wil de auteur ons een droeve werkelijkheid laten zien, dan kan het gebeuren dat hij daarbij zeer treurige en onzedelijke daadzaken moet onthullen, maar of hijzelf daarbij een reine of wel een onkuische bijbedoeling heeft, verraadt zijn wijze van schrijven, zijn manier van onthullen. Boeken als Anna Karenine, van Tolstoï noem ik zéér rein. En toch zijn zij voor sommige overprikkelde vrouwen gevaarlijk. Hetzelfde zou ik willen zeggen van Fred: van Eedens werken. De reine bedoeling is zeer voelbaar. Maar niet ieder lezeres is zelve rein-genoeg om dat te begrijpen. –

Wat Uw vraag betreft, kan ik slechts herhalen dat gij zeer zeker niets onzedelijks doet als gij leest wezenlijk alleen ‘om de kunst’. – Evenmin als het onzedelijk is om ‘om de kunst’ een naakte vrouw te bekijken. Dezen zomer zag ik op de Tentoonstelling in Dusseldorf een troep half volwassen jongens, die met een leeraar de zalen dóórliepen van de Kunst-Ausstellung. Een wand in een der zalen werd geheel alleen ingenomen door een vrouwenfiguur, geheel náákt, een zeer realistische schilderij. De verstolen blikken dier jongelui waren niet-rein, en zéér zeker had de leeraar groot gelijk, dat hij niet bleef staan ‘om de kunst’ maar dóórliep naar een andere zaal, en de jongelui daardoor dwong hem te volgen-: Zij zouden naar zijn uitleggingen ‘over de kunst’ quasi-geluisterd, maar zich zeer zeker daarbij leelijke gedachten gemaakt hebben. Toch was dat schilderij an und für sich een prachtig kunstwerk.”

28 september 1904

28 september 1904

Reacties uitgeschakeld voor Correspondentie over zedelijkheid

Filed under Correspondentie